ECLI:NL:TADRSGR:2026:164 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-656/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:164
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 31-07-2026
Zaaknummer(s): 25-656/DH/DH
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 juni 2026
in de zaak 25-656/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 3 december 2025 op de klacht van:

klager

over:

verweerster


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 1 september 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 25 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K205 2025 van de deken ontvangen.
1.3    Bij beslissing van 3 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4    Op 2 januari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Klager is niet verschenen, zonder bericht van verhindering. Verweerster is niet verschenen, met bericht van verhindering. 
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2    Klager stelt verzet in tegen de beslissing van de voorzitter op klachtonderdelen b) en c), omdat verweerster hem op eigen, persoonlijke, titel aanspreekt (zij gebruikt de ‘’ik’’ vorm). Zij geeft daarmee blijk van vereenzelviging met haar cliënte en van persoonlijke geraaktheid. Zodoende heeft zij volgens klager onvoldoende professionele distantie betracht. Zij heeft klager geprobeerd de mond te snoeren. De voorzitter heeft dit in zijn beslissing onjuist beoordeeld. 
2.3    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING
4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3    Ambtshalve overweegt de raad nog wel het volgende. In overweging 4.3 benoemt de voorzitter een drietal gedragscodes. De voorzitter overweegt dat verweerster zich tuchtrechtelijk aan deze gedragscodes dient te houden. Naar het oordeel van de raad is dat onjuist. Deze gedragscodes zien immers op de inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand en zijn geen tuchtrechtelijke normen. In het tuchtrecht gelden wel de gedragsregels die van belang zijn bij de invulling van de wettelijke norm uit de Advocatenwet. De voorzitter benoemt dit ook in overweging 4.4. en 4.5. Omdat de voorzitter zijn beslissing niet heeft gebaseerd op de gedragscodes, roept deze onjuiste overweging bij de raad geen twijfel op over de juistheid van zijn besluit.
4.4    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 29 juni 2026