ECLI:NL:TADRSGR:2026:159 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-574/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:159 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-574/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 juli 2026 in de zaak 25-574/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 15 oktober 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. J.J. Bussink
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 maart 2025 (ontvangen op 26 maart 2025) heeft klager bij de deken van
de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht
ingediend over verweerder.
1.2 Op 21 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K072 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 15 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk verklaard
en klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond. Deze beslissing is op 20 oktober 2025 verzonden
aan partijen.
1.4 Op 27 november 2025 ontving de raad een brief met bijlagen van klager (gedateerd
op 17 oktober 2025). Klager heeft in reactie daarop laten weten dat de datum een schrijffout
is, dat dit 17 november 2025 moet zijn en dat zijn brief een verzetschrift betreft
tegen de beslissing van de voorzitter van 15 oktober 2025.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij
waren klager en verweerder en zijn gemachtigde aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlage
van de gemachtigde van verweerder van 13 mei 2026 en het ter zitting door klager overgelegde
stuk (een e-mail van 9 februari 2026).
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
2.3 Over de ontvankelijkheid van het verzet heeft klager toegelicht dat hij zijn
(verzet)brief verkeerd heeft gedateerd (op 17 oktober 2025, terwijl dit november moest
zijn). Hij heeft zijn brief op 17 november 2025 afgegeven aan een medewerker van de
PI, zodat deze verzonden kon worden. De brief is echter niet direct verzonden, maar
pas op 26 november 2025. Klager heeft gewezen op een rekeningoverzicht waaruit volgt
dat op 17 november 2025 portikosten zijn afgeboekt en dat deze later zijn teruggeboekt.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid verzet
4.1 Op grond van artikel 46h lid 1 van de Advocatenwet kan binnen dertig dagen
na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk gemotiveerd
verzet worden gedaan.
4.2 De raad stelt vast dat de voorzittersbeslissing op 20 oktober 2025 aan partijen
is verzonden, zodat de termijn eindigde op 19 november 2025. Het verzetschrift is
pas op 27 november 2025 ontvangen en dat is te laat.
4.3 De raad ziet echter feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat
de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Klager heeft gemotiveerd en onderbouwd
toegelicht dat hij de brief op 17 november 2025 aan een medewerker van de PI heeft
afgegeven voor verzending. Dat was naar het oordeel van de raad tijdig, omdat er op
dat moment nog twee dagen resteerden. Anders dan verweerder, is de raad van oordeel
dat klager er op dat moment nog geen rekening mee hoefde te houden dat de bezorging
er langer (dan twee dagen) over zou doen. De termijnoverschrijding is verschoonbaar
en het verzet daarom ontvankelijk.
Beoordeling verzet
4.4 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.5 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
4.6 Klager heeft in zijn verzet niet toegelicht waarom zijn klacht over de uitbetaling
in 2018 (onderdeel a) wél tijdig zou zijn ingediend. De raad is met de voorzitter
van oordeel dat klager dit onderdeel van de klacht buiten de wettelijke termijn heeft
ingediend.
4.7 Met betrekking tot klachtonderdeel b) kan de raad klager niet volgen in zijn
stelling dat verweerder speciale bevoegdheden heeft, in de rijkssystemen informatie
heeft vergaard en hiermee klager heeft benadeeld. De raad heeft in redelijkheid geen
twijfel over de juistheid van de beslissing van de voorzitter.
4.8 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en W. Knoester,
leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare
zitting van 13 juli 2026.