We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:158 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-624/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:158
Datum uitspraak: 13-07-2026
Datum publicatie: 22-07-2026
Zaaknummer(s): 25-624/DH/DH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Niet gebleken dat verweerder de raad en het hof van discipline in zijn schriftelijke stukken die hij in de eerdere klachtprocedure bij de raad en/of het hof heeft ingediend, heeft misleid met zijn standpunten over de adviesaanvraag en (de inhoud van) het advies aan het OM met als doel om de tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te frustreren. De mededelingen over de adviesaanvraag en het advies die verweerder in deze procedure worden verweten zijn gedaan in de periode dat verweerder nog aan zijn geheimhoudingsplicht gebonden was en dat dit van invloed was op welke mededelingen verweerder daarover wel en niet kon doen. Klacht is ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 juli 2026 in de zaak 25-624/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

1. klaagster 1
2. klaagster 2
3. klager 3
4. klager 4
5. klager 5
hierna ook samen te noemen: klagers
gemachtigden: mrs. D.V.A. Brouwer, advocaat te Amsterdam

over:

verweerder
gemachtigden: mrs. A.R.J. Croiset van Uchelen, J.H. Lemstra en F.C. Perrick, advocaten te Amsterdam.

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 31 december 2024 is namens klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht over verweerder ingediend.
1.2    Op 12 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerken K001 2025 ia/jh van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 april 2026. Daarbij waren klager 5, de advocaat van klaagster 1 en de gemachtigde van klagers aanwezig. Verweerder was aanwezig met zijn gemachtigden. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen van de volgende nagezonden stukken:
- de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klagers van 21 oktober 2025;
- de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klagers van 2 april 2026, waarin klagers hun klacht over verweerder hebben uitgebreid;
- de e-mail met bijlagen van de gemachtigden van verweerder van 6 april 2026.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 
2.2    Klaagster 1 is een vermogensbeheerder, waarvan klagers 3 en 4 bestuurder zijn (geweest). Klaagster 2 is een vennootschap van klager 3. Klager 5 is advocaat.
2.3    In juli 2023 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, omdat het OM klagers 1 tot en met 4 verdacht van valsheid in geschrifte en witwassen. Klager 5 heeft klagers 1 tot en met 4 hierin bijgestaan.
2.4    In het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar klagers 1 tot en met 4 is een groot aantal digitale gegevens, waaronder e-mails, van de ICT-dienstverlener van klaagster 1 ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam. Tussen deze e-mails bevonden zich ook e-mails van klager 5 over een voorstel om door advocatenkantoor S. aan de accountant van klaagster 1 een opdracht te verstrekken voor het uitvoeren van een onderzoek bij klaagster 1, zodat de werkzaamheden en de resultaten van het onderzoek van de accountant onder het verschoningsrecht van haar advocaten zou vallen.
2.5    Op 7 december 2015 heeft het OM verweerder gevraagd te adviseren over de vraag of voldoende grondslag bestaat voor het indienen van een tuchtklacht over klager 5. Bij deze adviesaanvraag heeft het OM een pdf-bestand met een e-maillint van vier e-mails uit de digitale gegevens van de ICT-dienstverlener van klaagster 1 gevoegd. Op 13 januari 2026 heeft het OM een tweede pdf-bestand met een e-maillint van diverse e-mails uit de digitale gegevens van de ICT-dienstverlener van klaagster 1 aan verweerder gestuurd. 
2.6    Op 5 februari 2016 heeft verweerder zijn advies (hierna: het advies) aan de zaaksofficier van justitie gestuurd. Het advies maakt onderdeel uit van het klachtdossier. Bovenaan het advies is vermeld ‘inzake Advies verschoningsrecht’. In het advies is vermeld dat het gaat over ‘de vraag of op basis van de beschikbare informatie in deze casus (…) voldoende grondslag bestaat voor het indienen van een tuchtklacht tegen een advocaat door het openbaar ministerie.’ In het advies heeft verweerder een aantal e-mails uit de digitale gegevens van de ICT-dienstverlener van klaagster 1 genoemd en geciteerd. In zijn advies heeft verweerder geconcludeerd dat voldoende grondslag bestaat voor het indienen van een tuchtklacht over klager 5.
2.7    Op 7 september 2018 is namens het OM een tuchtklacht over klager 5 ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in Amsterdam. In die tuchtklacht wordt klager 5 verweten dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn verschoningsrecht. 
2.8    Op 13 september 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat de aan verweerder verstrekte gegevens, waaronder de e-mails van klager 5, als ‘geheimhoudersstukken’ moeten worden aangemerkt. In dat kader heeft de rechtbank de teruggave gelast van alle communicatie over het onderzoek dat de advocaten van advocatenkantoor S. hebben opgedragen aan de accountant van klaagster 1 en alle informatie die de door die  advocaten ingeschakelde onderzoeker onder zich had. Daarop heeft het OM de tuchtklacht over verweerder op 19 oktober 2018 ingetrokken.
2.9    Daarna zijn diverse civiele procedures gevoerd tussen klagers 1 tot en met 4 en de Staat over onder meer de teruggave van de communicatie en informatie ten aanzien van het onderzoek van de accountant van klaagster 1. Ook is klager 5 met een aantal kantoorgenoten civiele procedures gestart over de omgang van de Staat met het verschoningsrecht van een advocaat. 
2.10    Op 29 december 2021 heeft verweerder klager 5 gemaild over zijn advies van 5 februari 2016:
‘(…)
Op 22 december 2021 sprak ik telefonisch met [de advocaat van klaagster 1]. In dat gesprek vertelde hij mij dat aan de hand van getuigenverhoren bij jullie de veronderstelling leefde dat […] “de landsadvocaat” op enig moment een advies heeft uitgebracht over de vraag of stukken al dan niet in een strafdossier konden worden gevoegd, met welk advies beoogd zou zijn geweest een geheimhoudingsofficier te ‘overrulen’. Hij zei dat dat hoog werd opgenomen. 
Ik heb de volgende dag contact op doen nemen met het openbaar ministerie, omdat ik mij al tijdens het gesprek met […] realiseerde dat sprake moest zijn van een groot misverstand. Met instemming van het openbaar ministerie heb ik […] op 23 december 2021 teruggebeld, en hem laten weten (i) dat ik de auteur ben van het advies waar hij op doelde, (ii) dat dat advies uit 2016 dateert (iii) dat dat advies gaat over de vraag “of op basis van de beschikbare informatie in deze casus (…) voldoende grondslag bestaat voor het indienen van een tuchtklacht tegen een advocaat door het openbaar ministerie”, (iv) dat die advocaat jouw persoon was, en (v) dat daarin niet wordt gesproken over het voegen van stukken in een strafdossier. […] vertelde mij meteen dat deze informatie hem niet bekend was, maar dat die “zeker behulpzaam” is.
In jouw e-mailbericht van 24 december 2021 vraag je mij of je afschrift van het advies kunt krijgen. Ik heb daarover contact gehad met het openbaar ministerie. De uitkomst daarvan is dat ik je het advies niet kan verstrekken omdat het om advocaat-cliënt-vertrouwelijke informatie gaat. Mocht je mijn bovenstaande mededelingen evenwel willen verifiëren, dan ben ik graag bereid het advies onder embargo aan mijn deken voor te leggen, die na vertrouwelijke kennisneming elk van de vijf hierboven weergegeven elementen kan bevestigen. Alvorens dat te doen, wacht ik graag eerst jouw instemming af. (…)’ 
2.11    Op 31 december 2021 heeft klager 5 verweerder gemaild dat hij geen behoefte heeft aan een ‘verificatieoefening’. 
2.12    Op 31 december 2021 en 8 december 2022 hebben klagers bij de deken klachten ingediend over verweerder. De klachten gaan er in de kern over dat verweerder de adviesopdracht van het OM over een tuchtklacht over klager 5 niet had mogen uitbrengen, dat verweerder voor zijn advies ten onrechte kennis heeft genomen van e-mails van klager 5 die onder diens verschoningsrecht vallen, dat verweerder onjuist heeft geadviseerd over het verschoningsrecht van klager 5 en dat verweerder de e-mails van klager 5 die onder diens verschoningsrecht vallen, heeft bewaard.
2.13    Op 9 november 2022 heeft verweerder in een e-mail aan de deken gewezen op de bevoegdheid van de deken tot inzage en onderzoek ten aanzien van de zaken die in de klachten van klagers aan de orde zijn gesteld. Verweerder heeft de deken in deze e-mail uitgenodigd  om van die bevoegdheid gebruik te maken.
2.14    Op 26 januari 2023 en 16 februari 2023 heeft verweerder verweerschriften ingediend tegen de door klagers ingediende klachten. Hierin heeft verweerder, samengevat, aangevoerd dat de adviesaanvraag van het OM niet ging over de vraag of de e-mails van klager 5 onder diens verschoningsrecht vielen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar klagers 1 tot en met 4, maar over de vraag of klager 5 tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld. Verder heeft verweerder zich in deze stukken bereid verklaard om de deken, op vertrouwelijke basis, inzage te geven in de dossiers, omdat deze informatie valt onder advocaat-cliëntrelatie met de Staat. 
2.15    In een verklaring van het OM van 14 december 2023 heeft het OM onder meer vermeld:
‘Inhoud en doel adviesvraag

Het Openbaar Ministerie heeft in december 2015 aan een advocaat van [kantoor van]
[verweerder] - verzocht om advies uit te brengen over de vraag of voldoende grond bestond voor indiening van een tuchtklacht tegen [klager 5] ter zake van mogelijk oneigenlijk gebruik van zijn verschoningsrecht. De aanleiding hiervoor was dat uit e-mails tussen een verdachte en andere betrokkenen in het strafrechtelijk onderzoek […] en haar vaste accountant een vermoeden van dergelijk oneigenlijk gebruik naar voren was gekomen. (…) Het Openbaar Ministerie heeft een beperkt aantal van de betrokken e-mails, ten aanzien waarvan het Openbaar Ministerie op dat moment het standpunt had ingenomen dat die niet onder het verschoningsrecht van [klager 5] vielen, aan [verweerder] verstrekt met het doel een advocaatcliënt-vertrouwelijk advies te verkrijgen over de kans van slagen van een mogelijk bij de deken van de Orde van Advocaten in te dienen tuchtklacht tegen [klager 5].’

2.16    De raad heeft de klachten van klagers over verweerder behandeld op de zitting van  
17 juni 2024. Voorafgaand aan deze zitting heeft verweerder het advies, op 3 juni 2024, overgelegd. In de bijgaande brief is het volgende vermeld:
‘Conform de adviesvraag heeft het advies van [verweerder] – zoals verweerders steeds hebben gesteld, de deken eerder heeft kunnen zien en uw Raad nu ook zelf kan vaststellen – betrekking op de vraag of het feitencomplex dat uit de betrokken e-mails naar voren kwam voldoende grondslag bood om aan de tuchtrechter voor te leggen of [klager] oneigenlijk gebruik had gemaakt van zijn verschoningsrecht.

Zoals eerder de deken heeft kunnen zien en nu ook uw Raad kan zien, is in het advies ook ingegaan op de vraag of de in het kader van die advisering aan [verweerder] verstrekte e-mails onder het verschoningsrecht vallen. De reden daarvoor is dat die vraag door [verweerder] relevant werd geacht voor de beantwoording van de adviesvraag. Als immers de vraag wordt beantwoord of voldoende grondslag bestaat voor de indiening van een tuchtklacht door het OM, is ook relevant of die klacht in de tuchtzaak kan worden onderbouwd met stukken (in dit geval: de betreffende e-mails). [Verweerder] achtte daarvoor relevant of de aan hem verstrekte e-mails onder het verschoningsrecht vielen.’

2.17    Op 9 september 2024 heeft de raad de klacht van klager 5 over verweerder ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld.
2.18    Op 19 september 2025 heeft het hof van discipline het hoger beroep inhoudelijk op zitting behandeld. Tijdens deze zitting heeft verweerder spreekaantekeningen overgelegd.
2.19    Op 12 december 2025 heeft het hof van discipline de beslissing van de raad vernietigd en geoordeeld dat verweerder in het kader van zijn advies aan het OM zonder toestemming van klager 5 of instemming van de deken geen kennis had mogen nemen van de e-mails en deze ook niet voor zijn advies had mogen gebruiken. Het hof heeft hierbij overwogen dat verweerder ‘door kennis te nemen van de e-mails en deze voor het advies te gebruiken […] zijn eigen verantwoordelijkheid om het verschoningsrecht van een andere advocaat te respecteren niet genomen en daarmee [heeft verweerder] niet integer gehandeld en niet gehandeld zoals een advocaat betaamt.’ Het hof van discipline heeft aan verweerder een berisping opgelegd.

3    KLACHT
3.1    Klagers hebben hun klacht over verweerder zoals zij die bij de deken hebben ingediend voorafgaand aan de zitting aangevuld met twee onderdelen. Verweerder heeft daar schriftelijk en ter zitting ook mondeling op gereageerd en ermee ingestemd dat deze aanvulling van de klacht wordt meegenomen in deze procedure. Omdat deze aanvullende klachtonderdelen ook een duidelijke samenhang hebben met de oorspronkelijke klachtonderdelen ziet de raad aanleiding om de twee aanvullende klachtonderdelen in deze beslissing inhoudelijk te beoordelen.
3.2    De klacht houdt uiteindelijk, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:
a)     verweerder heeft in schriftelijke stukken die hij in de eerdere tegen hem gerichte tuchtprocedure heeft ingediend, voorafgaand aan het bekend worden van zijn advies van 5 februari 2015, mededelingen gedaan over de inhoud van dat toen nog geheime advies die niet stroken met de op 3 juni 2024 bekend geworden werkelijke inhoud van dat advies. Hierdoor heeft verweerder bewust feitelijke onjuistheden en onwaarheden gesteld over de inhoud van het advies, kennelijk met het oogmerk om tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te frustreren dan wel te bemoeilijken. Daarmee heeft verweerder niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt;
b)    verweerder heeft in de schriftelijke stukken die in de eerdere tuchtprocedure zijn gewisseld, voordat zijn advies bekend werd, zeer veel nadruk gelegd op irrelevante feiten en daarbij weloverwogen en doelbewust zeer relevante informatie achtergehouden, in een kennelijke inspanning om daardoor zowel de klagers in die eerdere tuchtprocedure als de tuchtrechterbewust op het verkeerde been te zetten over de werkelijke inhoud van zijn op dat moment nog geheime advies. Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit en niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt;
c)    verweerder heeft in de eerdere tuchtprocedure in zijn schriftelijke stukken, waaronder in de pleitaantekeningen voor de zitting bij het hof van discipline, feitelijke onjuistheden en onwaarheden gesteld over de precieze inhoud van de adviesaanvraag van het OM. De herhaalde bewering van verweerder in deze stukken dat het OM zijn standpunt over de vraag of de e-mails verschoningsgerechtigd waren reeds had bepaald, is feitelijk onjuist en onwaar. Verweerder heeft een en ander kennelijk gedaan met het oogmerk om tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te frustreren dan wel te bemoeilijken en daarmee heeft verweerder niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt;
d)    verweerder heeft in zijn schriftelijke stukken in deze tuchtprocedure feitelijke onjuistheden en onwaarheden gesteld over de precieze inhoud van de adviesaanvraag van het OM, een en ander kennelijk met het oogmerk om tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te frustreren dan wel te bemoeilijken. Daarmee heeft verweerder niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt.    
3.3    In het kader van bovenstaande klachtonderdelen hebben klagers in hun stukken zes stellingen genoemd die verweerder volgens hen in zijn schriftelijke stukken in de eerdere tuchtprocedure zonder voorbehoud ten onrechte als feitelijke werkelijkheid heeft vermeld:
a. dat de dienstverlening van [verweerder] in het geheel niet zag op de vraag of de
betreffende e-mails verschoningsgerechtigd waren.
b. dat de dienstverlening van [verweerder] niet raakte aan het strafrechtelijk onderzoek
tegen [klagers 1 tot en met 4] en/of daar los van stond.
c. dat de dienstverlening geheel los stond van het belang dat het verschoningsrecht       beoogt te beschermen.
d. dat het advies uitsluitend de vraag betrof of [klager 5] tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.
e. dat de dienstverlening überhaupt niet zag op het externe gebruik van de door [verweerder] bekeken e-mails – het ging slechts om het mogelijk (vertrouwelijk) voorleggen aan de deken van de betreffende e-mails.
f. dat het advies geen betrekking had op het gebruik van de e-mails, noch in de strafzaak,
noch daarbuiten.
3.4    De raad zal hierna bij de beoordeling op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht. In dat verband heeft verweerder allereerst aangevoerd dat klagers in de eerdere tuchtprocedure al hebben geklaagd over onjuiste stellingen die verweerder zou hebben ingenomen over het advies en de adviesaanvraag. Daarnaast heeft verweerder opgemerkt dat ieder belang bij de klacht ontbreekt.
4.2    Ten aanzien van zijn inhoudelijke verweer tegen de klacht heeft verweerder betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband heeft verweerder, samengevat, het volgende aangevoerd.
Het advies aan het OM valt onder het verschoningsrecht van verweerder en kon daarom in eerste instantie niet aan klagers worden verstrekt en niet worden overgelegd in de eerdere tuchtprocedure. Daarbij merkt verweerder op dat hij in de richting van de deken en de tuchtrechter steeds volledige transparantie heeft geboden over zijn advies en dat hij het advies op 3 juni 2024 aan de raad heeft overgelegd. Van een oogmerk om de tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te frustreren is dan ook geen sprake.
Verder voert verweerder aan dat van een onjuiste voorstelling van zaken ten aanzien van het advies geen sprake is. De zes onjuiste stellingen die verweerder daarover volgens klagers in de eerdere tuchtprocedure zou hebben ingenomen, zijn niet terug te vinden in de door klagers vermelde citaten uit de namens verweerder ingediende processtukken. Klagers hebben hun klacht op dat punt onvoldoende onderbouwd. In zijn verweer is verweerder desalniettemin inhoudelijk ingegaan op de zes door klagers gestelde stellingen.
4.3    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1    Voordat de raad toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht moet de raad, gelet op het verweer maar ook ambtshalve, eerst vaststellen of de klacht ontvankelijk is en klagers in hun klacht kunnen worden ontvangen. 
Ne bis in idem
5.2    In het tuchtrecht geldt het beginsel van ne bis in idem. Dit beginsel houdt in dat een advocaat geen tweede maal kan worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Van schending van het ne-bis-in-idem beginsel is geen sprake als de nieuwe klacht niet gelijk is aan de eerste (zie HvD 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111). Die situatie doet zich hier voor. In de huidige klacht wordt verweerder verweten feitelijk onjuiste stellingen te hebben ingenomen over de adviesaanvraag en de inhoud van het advies in zijn schriftelijke stukken in de eerdere tuchtprocedure, terwijl klagers verweerder in de eerdere tuchtprocedure verweten dat hij het advies niet aan het OM had mogen uitbrengen, dat hij ten onrechte kennis heeft genomen van e-mails die onder het verschoningsrecht van klager 5 vallen en dat het advies onjuist is. Hieruit volgt dat de huidige klacht geen herhaling van de eerdere ingediende en beoordeelde klacht is, ook al is er sprake van een zekere mate van verwevenheid tussen deze tuchtprocedure en de eerdere tuchtprocedure in 2024/2025. In zoverre is de klacht ontvankelijk.
Belang
5.3    Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
5.4    De raad stelt vast dat de verwijten die klagers verweerder maken in de kern gaan over (de inhoud van) het door verweerder aan het OM uitgebrachte advies over de vraag of door het OM een tuchtklacht kan worden ingediend over klager 5 en de daarover door verweerder gemaakte (en volgens klagers misleidende) opmerkingen in zijn schriftelijke stukken in de eerdere klachtprocedure bij de raad en het hof van discipline. Als een advocaat in een tuchtprocedure een onjuiste voorstelling van zaken geeft en daarmee de tuchtrechter misleidt, heeft de klager in de tuchtprocedure een eigen rechtstreeks belang om daarover een klacht in te dienen bij de deken. 
5.5    In dit geval heeft alleen klager 5 een voldoende eigen rechtstreeks belang bij de verwijten die verweerder worden gemaakt, omdat deze verwijten zijn positie als advocaat en de eerbiediging van zijn verschoningsrecht, zoals die in het advies worden vermeld, rechtstreeks raken. Klagers 1 tot en met 4 hebben als cliënten van klager 5 geen voldoende eigen rechtstreeks belang bij de inhoudelijke beoordeling van de klacht over verweerder. Het standpunt dat hun belang bij de klacht is dat verweerder in de tuchtprocedures naar waarheid verklaart, zoals ter zitting naar voren is gebracht, levert onvoldoende eigen rechtstreeks belang van klagers 1 tot en met 4 op bij de klacht. In zoverre is de klacht zoals ingediend namens klagers 1 tot en met 4 in alle onderdelen niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de raad de klacht zoals ingediend namens klager 5 hierna inhoudelijk zal beoordelen. 
Toetsingskader
5.6    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klacht is ongegrond
5.7    De klachtonderdelen komen in de kern neer op de vraag of verweerder de raad en het hof van discipline in zijn schriftelijke stukken die hij in de eerdere klachtprocedure bij de raad en/of het hof heeft ingediend, heeft misleid met zijn standpunten over de adviesaanvraag en (de inhoud van) het advies aan het OM met als doel om de tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te frustreren. De raad zal de klachtonderdelen daarom gezamenlijk beoordelen. Daarbij houdt de raad er rekening mee dat de mededelingen over de adviesaanvraag en het advies die verweerder in deze procedure worden verweten zijn gedaan in de periode dat verweerder nog aan zijn geheimhoudingsplicht gebonden was en dat dit van invloed was op welke mededelingen verweerder daarover wel en niet kon doen. 

Adviesaanvraag
5.8    De raad kan op grond van de uitvoerige stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen niet vaststellen dat verweerder de tuchtrechters heeft misleid door in zijn schriftelijke stukken in de eerdere klachtprocedure over de inhoud van de adviesaanvraag feitelijke onjuistheden en onwaarheden te stellen met het oogmerk om de tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te frustreren dan wel te bemoeilijken. 
Uit de adviesaanvraag blijkt niet dat het OM verweerder heeft gevraagd om in zijn advies ook in te gaan op de vraag of de e-mails die als onderdeel van het bijgevoegde e-maillint aan verweerder zijn verstuurd onder het verschoningsrecht van klager 5 vallen. Uit de verklaring van 14 december 2023 en de inhoud van de adviesaanvraag van 7 december 2015 blijkt dat het OM verweerder heeft gevraagd om te adviseren over de vraag of voldoende grondslag bestaat voor het indienen van een tuchtklacht over klager 5 in verband met mogelijk oneigenlijk gebruik van zijn verschoningsrecht. Uit de verklaring van 14 december 2023 blijkt verder dat het OM zich ten aanzien van de bij de adviesaanvraag gevoegde e-mails intern al op het standpunt had gesteld dat deze e-mails niet onder het ‘verschoningsrecht van klager 5 vielen. Verweerder is daarover in zijn schriftelijke stukken in de eerdere klachtprocedure niet misleidend geweest. Verweerder heeft de deken inzage gegeven in het dossier en hij heeft in zijn stukken openheid gegeven voor zover hij dat destijds, gelet op zijn geheimhoudingsplicht, kon. 
5.9    Op grond van de bij de adviesaanvraag gevoegde e-mailcorrespondentie tussen twee medewerkers van het OM en de vragen die zij daarin stellen over de e-mails die in het e-maillint bij de adviesaanvraag zijn gevoegd in relatie tot het verschoningsrecht van klager 5 is ook een andere uitleg van de adviesaanvraag mogelijk, maar uit die andere uitleg blijkt niet dat het OM verweerder heeft gevraagd om ook te adviseren over de betreffende e-mails in het e-maillint. Het is de raad verder ook niet duidelijk wat de uitkomst is geweest van de discussie die deze twee medewerkers in hun e-mailcorrespondentie voeren. 

5.10    Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder ten aanzien van de stellingen die hij in zijn (proces)stukken in de eerdere klachtprocedures heeft ingenomen over de adviesaanvraag niet is gebleken. De verwijten van klager 5 hierover zoals verwoord in klachtonderdelen c) en d) zijn dan ook ongegrond.  

Adviesinhoud
5.11    De raad zal voor de beoordeling van de klacht over de inhoud van het advies de zes stellingen aanhouden die verweerder volgens klagers ten onrechte heeft vermeld in zijn schriftelijke verweer tegen de klachten in de eerdere tuchtprocedure en die in strijd met de feitelijke waarheid zijn. 
a) Verweerder heeft ten onrechte in zijn schriftelijke stukken gesteld dat de dienstverlening niet zag op de vraag of de e-mails verschoningsgerechtigd waren
5.12    Het verwijt van klager 5 vindt geen steun in de (proces)stukken in de eerdere klachtprocedure. Uit de brief van verweerder van 3 juni 2024 aan de raad blijkt dat verweerder in het kader van zijn advies op eigen initiatief is ingegaan op de vraag of het verschoningsrecht van klager 5 op de e-mails van toepassing was, omdat hij dit relevant vond voor de adviesaanvraag. In zijn processtukken, zoals de verweerschriften en de dupliek waaruit klager diverse citaten in de klacht heeft genoemd, had verweerder hier duidelijker over kunnen zijn, maar uit de wijze waarop verweerder zijn verweer tegen de eerdere tuchtklacht heeft geformuleerd kan de raad niet afleiden dat verweerder feitelijke onwaarheden heeft vermeld met het oogmerk om tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te frustreren dan wel te bemoeilijken. 
b) Verweerder heeft ten onrechte in zijn schriftelijke stukken gesteld dat zijn dienstverlening niet raakte aan het strafrechtelijk onderzoek tegen klagers 1 tot en met 4 en/of daar los van stond
5.13    De raad kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat verweerder in strijd met de waarheid in zijn schriftelijke stukken in de eerdere klachtprocedure heeft gesteld dat zijn dienstverlening aan het OM niet raakte aan het strafrechtelijk onderzoek tegens klagers 1 tot en met 4 en/of daar los van stond. Verweerder heeft hierover opgemerkt dat hij in het advies uit eigen beweging is ingegaan op de vraag hoe een eventueel beroep op het verschoningsrecht van klager 5 moest worden beoordeeld ten aanzien van een onderzoeksrapport van de accountant van klaagster 1. Volgens verweerder lag deze vraag in het verlengde van de adviesvraag waarbij verweerder heeft benadrukt dat als er vanuit strafvorderlijk perspectief grond en aanleiding voor bestaat er op basis van de thans bekende feiten niets aan in de weg staat om het rapport van de accountant in beslag te nemen. Verweerder is in zijn advies niet ingegaan op de vraag of er grond of aanleiding bestond voor inbeslagname van het rapport van de accountant. Verder heeft verweerder er nog op gewezen dat in voorkomend geval de strafrechter moet worden ingeschakeld voordat het OM kennis zou kunnen nemen van een beslag. 
5.14    In geen van de namens klager 5 vermelde citaten uit de (proces)stukken van (de gemachtigden van) verweerder in de vorige tuchtprocedure is stelling b) terug te lezen en klager 5 heeft niet duidelijk gemaakt waar deze stelling in de stukken van verweerder staat. Van misleiding van de tuchtrechters in de vorige klachtprocedure is de raad dan ook niet gebleken.
c) Verweerder heeft ten onrechte in zijn schriftelijke processtukken gesteld dat de dienstverlening geheel los stond van het belang dat het verschoningsrecht beoogt te beschermen
5.15    De raad kan in geen van de namens klager 5 in de klacht genoemde citaten uit processtukken van (de gemachtigden van) verweerder terugvinden dat verweerder in de processtukken in de eerdere klachtprocedure heeft gesteld dat zijn dienstverlening geheel los stond van het belang dat het verschoningsrecht beoogt te beschermen. Klager 5 heeft verder ook niet duidelijk gemaakt waar deze stelling in de stukken van verweerder staat. Verweerder heeft onweersproken aangevoerd dat de daadwerkelijk door hem ingenomen stellingen door klager 5 zijn ontdaan van context en nuance. Ook heeft verweerder onweersproken aangevoerd dat de vermeende stelling c) verband houdt met twee beslissingen van het Hof van Discipline van 7 juli 2014 en 30 mei 2022 die gaan over de wijze waarop een advocaat dient om te gaan met door hem ontvangen onmiskenbaar vertrouwelijke correspondentie tussen de wederpartij en diens advocaat die de advocaat wil gebruiken in een procedure tegen die wederpartij. Van misleiding van de tuchtrechters in de vorige klachtprocedure is de raad niet gebleken.
d) Verweerder heeft ten onrechte in zijn schriftelijke stukken gesteld dat het advies uitsluitend de vraag betrof of klager 5 tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld
5.16    De raad kan niet vaststellen dat verweerder ten onrechte in zijn stukken in de vorige klachtprocedure heeft gesteld dat het advies uitsluitend de vraag betrof of klager 5 tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. Deze stelling is niet terug te lezen in de namens klager 5 in de klacht geciteerde stukken tekst uit de processtukken van verweerder zoals die zijn ingediend in de eerdere tuchtprocedure. Het is de raad verder niet duidelijk in welk processtuk verweerder deze stelling zou hebben ingenomen. Gelet op de adviesaanvraag, of er voldoende grondslag bestond voor het indienen van een tuchtklacht door het OM over klager 5, is de raad van misleiding van de tuchtrechters in de vorige klachtprocedure dan ook niet gebleken.
e) Verweerder heeft ten onrechte in zijn schriftelijke processtukken gesteld dat de dienstverlening überhaupt niet zag op het externe gebruik van de door verweerder bekeken e-mails – het ging slechts om het mogelijk (vertrouwelijk) voorleggen aan de deken van de betreffende e-mails.

5.17    De raad kan niet vaststellen dat verweerder ten onrechte in zijn stukken in de vorige tuchtprocedure heeft gesteld dat zijn dienstverlening überhaupt niet zag op het externe gebruik van de door verweerder bekeken e-mails – het ging slechts om het mogelijk (vertrouwelijk) voorleggen aan de deken van de betreffende e-mails. De stelling e) is als zodanig niet terug te lezen in de namens klager 5 in de klacht geciteerde tekstfragmenten en klager 5 heeft niet duidelijk gemaakt in welke processtukken van verweerder stelling e) staat. In de eerdere klachtprocedure heeft verweerder in zijn verweerschrift gesteld dat ‘zijn dienstverlening überhaupt geen betrekking had op enige vorm van (extern) gebruik van de e-mails’ en ‘dat hij op basis van de hem verstrekte e-mails tussen verdachten en hun accountant over een opdrachtverstrekking een intern en vertrouwelijk advies [heeft] uitgebracht aan zijn cliënt over de vraag of er voldoende grondslag bestond voor het indienen van een tuchtklacht tegen [klager 5]’. Hierover heeft verweerder onweersproken aangevoerd dat dit ook verband  houdt met de beslissingen van 7 juli 2014 en 30 mei 2022 van het Hof van Discipline, waarbij verweerder heeft betoogd dat in zijn geval sprake was van een wezenlijk andere situatie dan in deze beslissingen. Van misleiding van de tuchtrechters in de vorige klachtprocedure is de raad dan ook niet gebleken.
f) Verweerder heeft ten onrechte in zijn schriftelijke stukken gesteld dat het advies geen betrekking had op het gebruik van de e-mails, noch in de strafzaak, noch daarbuiten.

5.18    De raad kan niet vaststellen dat verweerder ten onrechte in zijn schriftelijke stukken in de vorige klachtprocedure heeft gesteld dat het advies geen betrekking had op het gebruik van de e-mails in de strafzaak noch daarbuiten. Deze stelling is als zodanig niet terug te vinden in de namens klager 5 in de klacht geciteerde teksten en klager 5 heeft niet duidelijk gemaakt in welke door/namens verweerder ingediende processtukken deze stelling zou staan. Verweerder heeft aangevoerd dat hij in de eerdere klachtprocedures steeds het standpunt heeft ingenomen dat zijn dienstverlening aan het OM geen betrekking had op het gebruik van de bij de adviesaanvraag gevoegde e-mails in het strafrechtelijk onderzoek tegen klagers 1 tot en 4 en dat het advies alleen ging om de vraag of klager 5 een tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt ten aanzien van de e-mails. Gelet op de inhoud van de adviesaanvraag, zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder daarmee geen feitelijk onjuiste standpunten ingenomen in de eerdere klachtprocedures.
Verdere overwegingen en conclusie
5.19    De raad merkt op dat het advies, ten tijde van de in 2021 ingediende klachten over verweerder, viel onder de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van verweerder, waardoor verweerder geen informatie over de inhoud van het advies aan klager 5 mocht geven. Hierdoor was verweerder ook beperkt in zijn mogelijkheden om over de inhoud van het advies mededelingen te doen. Uit de stukken blijkt dat verweerder, ondanks zijn beperkte mogelijkheden, klager 5 voorafgaand aan de indiening van de klachten in december 2021 heeft voorgesteld om het advies aan de deken voor te leggen zodat de deken de door verweerder gedane mededelingen over het advies kan bevestigen. Klager 5 had dus voorafgaand aan de indiening van de eerdere klacht over verweerder meer informatie over (de inhoud van) het advies kunnen krijgen, maar klager 5 heeft dit voorstel afgewezen. Gelet op deze omstandigheden is het niet redelijk om achteraf, met deze klacht, te stellen dat klager 5, zoals in de klacht is vermeld, moest uitgaan van een ‘beredeneerde constructie van het advies’.
5.20    Daar komt bij dat van het volgens klager 5 beoogde doel van verweerder om de tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen te bemoeilijken of te frustreren, geen sprake is geweest. Verweerder heeft op 29 december 2021 aangeboden het advies onder embargo aan de deken te verstrekken, zodat de deken zich een oordeel kon vormen over de inhoud daarvan. Klager 5 heeft daarop gereageerd dat hij geen behoefte had aan deze “verificatie-oefening” via de deken. Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat verweerder het toetsen van zijn handelen heeft willen frustreren. 
5.21    Bovendien is het advies hangende de procedure bij de raad aan het dossier toegevoegd zodat de raad en het hof de stellingen van verweerder in het licht van de inhoud van het advies hebben kunnen toetsen. De uitspraken van de raad en het hof bieden geen steun voor de stelling van klager 5 dat verweerder in zijn verweerschrift de raad heeft willen misleiden over de aan hem verstrekte opdracht of de inhoud van het advies. 
5.22    Tot slot is van belang dat noch de raad, noch het hof het feit dat verweerder de adviesopdracht heeft aangenomen en de wijze waarop hij daar invulling aan heeft gegeven klachtwaardig heeft geacht. Voor zover omtrent die onderwerpen sprake zou zijn geweest van enige – mislukte – poging tot het bemoeilijken of frustreren van het onderzoek, hetgeen de raad niet heeft kunnen vaststellen, is daarmee geen belang van klager 5 geschaad.
5.23    Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder ten aanzien van de stellingen die hij in zijn (proces)stukken in de eerdere klachtprocedures heeft ingenomen over (de inhoud van) het advies niet is gebleken. De verwijten van klager 5 hierover zoals verwoord in klachtonderdelen a) en b) zijn dan ook ongegrond.

 
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ingediend namens klagers 1 tot en met 4, in alle onderdelen, niet-ontvankelijk bij gebrek aan een eigen rechtstreeks belang; 
- verklaart de klacht, ingediend namens klager 5, in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. A.T. Bol, A. Schaberg, A.B. Baumgarten en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.