ECLI:NL:TADRSGR:2026:157 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-746/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:157 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-746/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 juli 2026 in de zaak 25-746/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 24 december 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 7 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 31 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K114 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 24 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze
beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 11 januari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen
van klager van 13 mei 2026 en de e-mail met bijlage van verweerder van 20 mei 2026.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager stelt dat in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is omdat meerdere feitelijke omstandigheden zijn betwist en er sprake is van
klachten over bereikbaarheid, bejegening, de wijze van beëindiging van de bijstand
en de naleving van de zorgplicht jegens een kwetsbare cliënt. Deze klachten lenen
zich niet voor een voorzittersafdoening.
2.2 Klager stelt dat de voorzitter zich bij klachtonderdelen a) en b) baseert
op het verweer, waarbij wordt aangenomen dat uit de e-mails geen klachten blijken.
Dit miskent dat de klachten juist betrekking hebben op gebrekkige telefonische bereikbaarheid
en het uitblijven van terugbelverzoeken, die niet uit de stukken zelf blijken. Dergelijke
klachten kunnen alleen inhoudelijk worden beoordeeld, bijvoorbeeld door het horen
van partijen. Bovendien had verweerder een verhoogde zorgplicht jegens klager als
kwetsbaar letselschadeslachtoffer.
2.3 Klager stelt dat de voorzitter bij klachtonderdeel c) onvoldoende rekening
heeft gehouden met de emotionele en kwetsbare situatie van klager.
2.4 Klager stelt verder dat de overige klachtonderdelen deel uitmaken van het
bredere geheel van klachten over de professionaliteit en zorgvuldigheid van verweerder
en niet los van elkaar beoordeeld hadden mogen worden.
2.5 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Anders
dan klager stelt, kunnen ook klachten over onder meer bereikbaarheid, bejegening en
beëindiging van bijstand via een voorzittersbeslissing worden afgedaan in het geval
deze klachten kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn. De raad heeft
op dit punt geen grond om aan de beslissing van de voorzitter te twijfelen.
4.3 Het verzet komt er verder op neer dat klager het niet eens is met de beoordeling
van zijn klachten door de voorzitter. Het horen van partijen op zitting heeft geen
verandering gebracht in het oordeel over verweerders bereikbaarheid. De raad kan de
voorzitter volgen in de beoordeling. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden
betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. Pöll, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en W. Knoester,
leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare
zitting van 13 juli 2026.