ECLI:NL:TADRSGR:2026:156 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-750/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:156 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-750/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 juli 2026 in de zaak 25-750/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 24 december 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 9 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 31 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K116 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 24 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk
(klachtonderdeel a)) en deels kennelijk ongegrond (klachtonderdeel b)) verklaard.
Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 22 januari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de twee e-mails (waarvan
één met bijlagen) van klager van 17 mei 2026.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager stelt dat de afwezigheid van elke vorm van bewijs van de beschuldigingen, ontkenningen
en overige aantijgingen door verweerder opvallend is. Zijn “kletsverhalen” en beschuldigingen
worden kennelijk als waarheid aangenomen. Bij alles wat door verweerder naar voren
is gebracht is er daarom reden tot gerede twijfel. Klager wordt stelselmatig verweten
niet voldoende stukken ter onderbouwing te hebben ingebracht, terwijl het niet klager,
maar verweerder is die terechtstaat.
2.2 Ten aanzien van de feiten heeft klager onder meer het volgende naar voren
gebracht:
- 1.1 – klager heeft dit op verzoek van G gedaan (zie mail van G aan klager);
- 1.2 – klager vindt het opmerkelijk dat verweerder de aangifte niet beschikbaar
heeft gemaakt;
- 1.4 – onbegrijpelijk dat de voorzitter meent dat verweerder een toevoeging
heeft aangevraagd voor bijstand aan klager;
- 1.5 – klager heeft toegelicht dat de dagvaarding geen onderdeel is van het
klachtdossier, vanwege de beperkingen die aan klager zijn opgelegd bij het indienen
van stukken;
- 1.7 – klager stelt dat de voorzitter geen kennis heeft genomen van klagers
opmerkingen van 25 november 2025.
2.3 Ten aanzien van de beoordeling heeft klager onder meer het volgende naar
voren gebracht:
2.3.1 Klachtonderdeel a) (4.2 en 4.3) – klager stelt dat hij wel degelijk in
zijn belangen is geschaad. Hij heeft onnodig kosten moeten maken, terwijl verweerder
en G hun kosten kunnen afwentelen op de belastingbetaler. Klager kwalificeert de handelswijze
van verweerder als ongerechtvaardigde verrijking. Klager heeft er verder belang bij
dat de uitgeleende gelden worden terugbetaald. De gevoerde procedures veroorzaken
alleen maar meer schade.
2.3.2 Klachtonderdeel b) (4.4 t/m 4.9) – klager stelt dat verweerder zich niets
aantrekt van de regel dat advocaten niet bewust onjuist informatie mogen verschaffen.
Klager herhaalt dat de raad hem in zijn bewijsmogelijkheden heeft beperkt door een
maximum aantal pagina’s in te stellen. G is meermaals in het ongelijk gesteld.
2.3.3 Overig (4.9 en 4.10) – klager stelt dat hij de deken heeft verzocht te
laten weten over welke documentatie hij nog wilde beschikken. Daarop is door de deken
niet meer gereageerd. Klager stelt dat art. 46c Advocatenwet niet bepaalt dat in dit
stadium geen klachten meer zouden mogen worden aangevuld.
2.4 Tegen de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter en naar wat daarover hierna (onder 4.3) is overwogen.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
4.3 Ten aanzien van de feiten heeft klager terecht opgemerkt dat de voorzitter
in 1.4 van de beslissing ten onrechte heeft opgenomen dat verweerder klager heeft
bijgestaan en een toevoeging voor klager heeft aangevraagd. Dit moet vanzelfsprekend
G zijn en niet klager, zoals voor alle betrokkenen direct duidelijk moet zijn geweest
en ook blijkt uit het vervolg van de beslissing. De raad ziet dit als een kennelijke
fout die zich leent voor eenvoudig herstel. De raad herstelt de fout via deze beslissing.
De raad is van oordeel dat een dergelijke kennelijke fout niet tot een gegrond verzet
leidt.
4.4 Ten aanzien van de feiten overweegt de raad verder dat de voorzitter op grond
van het klachtdossier een selectie maakt van de voor de beoordeling relevante feiten.
Er is geen rechtsregel die de voorzitter verplicht alle door de ene partij gestelde
en door de andere partij erkende of niet (voldoende) weersproken feiten als vaststaand
in de uitspraak op te nemen. De raad acht de door de voorzitter gemaakte selectie
niet onjuist of onvolledig. Waar klager stelt dat verweerder stukken beschikbaar had
moeten stellen, geldt dat het aan klager is om zijn klacht te onderbouwen.
4.5 Ten aanzien van de beperkingen bij het indienen van stukken, waar klager
meermaals aan refereert, geldt dat klager in het onderzoek bij de deken de gelegenheid
heeft gehad om alle relevante stukken in te dienen. Bij de raad is er om die reden
nog beperkt de gelegenheid om aanvullende stukken in te dienen. Het Procesreglement
raden van discipline biedt bovendien de mogelijkheid om gemotiveerd te verzoeken om
stukken van een grotere omvang te mogen indienen (2.4.3). Van die mogelijkheid heeft
klager geen gebruik gemaakt.
4.6 Ten aanzien van het buiten beschouwing laten van de door klager nagezonden
stukken van 25 november 2025 geldt dat de voorzitter daarop wel acht heeft geslagen
voor zover het een nadere toelichting op de reeds ingediende klachten betrof en dat
de voorzitter nieuwe klachten uit deze stukken terecht buiten beschouwing heeft gelaten,
nu deze eerst bij de deken moeten worden ingediend.
4.7 Ten aanzien van de beoordeling geldt dat klager het niet eens is met die
beoordeling. De raad is echter niet gebleken dat in redelijkheid hoeft te worden getwijfeld
aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter.
4.8 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en W. Knoester,
leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare
zitting van 13 juli 2026.