ECLI:NL:TADRSGR:2026:155 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-368/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:155 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-368/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil over de verblijfplaats van het kind. Verweerster heeft zich in haar processtuk polariserend en onnodig grievend uitgelaten door te stellen dat klaagster de meest vreselijke dingen verzint, waarbij zij doelt op huiselijk geweld en een gewelddadige relatie. Verweerster had deze vergaande stelling niet op deze manier, zonder enig voorbehoud of nuance, mogen innemen. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 juli 2026 in de zaak 26-368/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 28 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 26-368/DH/RO
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij
waren klaagster en verweerster aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 21. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mails (met bijlagen) van 22 mei 2026 van klaagster en van verweerster.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft tot begin 2016 een geregistreerd partnerschap gehad met de
cliënt van verweerster (hierna: de man). Klaagster en haar (inmiddels ex-) man hebben
samen twee kinderen. Eén van de kinderen is nog minderjarig. In 2015 is door de rechtbank
een zorgregeling voor het jongste kind bepaald.
2.3 Verweerster staat de man sinds 2015 bij.
2.4 Op 5 augustus 2025 heeft verweerster, namens de man, een verzoekschrift tot
onder meer wijziging van de hoofdverblijfplaats van het jongste kind ingediend. In
het verzoekschrift heeft verweerster geschreven:
“11. Gedurende de strafzaak (net na beëindiging van de relatie in 2015) verzon de
vrouw ook de meest vreselijke zaken, zoals dat zij gedurende het huwelijk door de
man werd mishandeld en er sprake zou zijn van een gewelddadige relatie. Welgeteld
is er eenmaal een fikse ruzie geweest tussen ouders en die monde uit in een beëindiging
van het geregistreerd partnerschap. Dat was het, niet meer, niet minder. (…)
25. De basis is dat moeder niet (daadwerkelijk) kan toestaan dat er onbelast contact
is tussen [jongste kind] en vader. Ja de regeling loopt al jaren, maar niet zonder
slag of stoot. Bij beëindiging van de relatie heeft vader alles oр alles moeten zetten
om contact te behouden met zijn kinderen. Met [oudste kind] is hem dat niet gelukt,
helaas.
26. Vanuit die basis van moeder komt alle 'ellende' voort, het slecht communiceren,
het vaderschap niet serieus nemen, het niet reageren op zo zakelijk mogelijke e-mail
van vader. Waardoor de frustratie oploopt.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster dat zij zich onnodig grievend, feitelijk onjuist en beschadigend heeft
uitgelaten in het door verweerster opgestelde verzoekschrift. Klaagster wijst concreet
op de volgende stellingen:
a) dat klaagster de meest vreselijke zaken verzint;
b) dat nooit sprake is geweest van huiselijk geweld en;
c) dat de vrouw de communicatie blokkeert en het vaderschap niet respecteert.
3.2 Klaagster stelt dat verweerster wist of had moeten weten dat deze stellingen
onjuist waren. Klaagster wijst erop dat in 2015 daadwerkelijk sprake was van huiselijk
geweld en onveiligheid, zoals vastgelegd in een Veiligheidsplan van Veilig Thuis /
Blijf Veilig. De man heeft destijds in WhatsAppberichten zelf erkend dat hij zijn
woede niet onder controle had, zich moest laten doorverwijzen voor hulp en dat de
situatie niet langer houdbaar was. Deze berichten zijn destijds door klaagster aan
verweerster gestuurd. Verweerster was er ook van op de hoogte dat klaagster gebruik
maakte van een Aware-systeem en dat er sprake was van een MDA++ aanpak (Multidisciplinaire
aanpak van huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel misbruik). Verweerster
heeft er desondanks voor gekozen de indruk te wekken dat klaagster alles heeft verzonnen
en de partner vals beschuldigt, zonder enige feitelijke onderbouwing.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
4.2 Ad a) en b) stelt verweerster dat er eenmaal een fikse ruzie is geweest tussen
klaagster en de man, wat uitmondde in de beëindiging van de relatie. Klaagster heeft
aangifte gedaan tegen de man van bedreiging, niet van mishandeling. In hoger beroep
is de man vrijgesproken. Het gerechtshof heeft in het arrest opgenomen dat het dossier
voor de gewelddadige relatie geen aanknopingspunten biedt. Verweerster mocht bovendien
uitgaan van de mededeling van haar cliënt dat er geen sprake was van huiselijk geweld.
Verweerster stelt dat zij het woord ‘verzinnen’ achteraf bezien anders had moeten
formuleren, maar dat geen sprake is van een klachtwaardige uitlating. Ter zitting
heeft verweerster desgevraagd toegelicht dat zij met haar stellingname op voorhand
heeft willen benadrukken dat wat klaagster eventueel zou aanvoeren over een gewelddadige
relatie, niet zou kloppen.
4.3 Ad c) stelt verweerster dat klaagster op de meeste mails van de man sinds
2015 niet heeft gereageerd. Het niet reageren heeft bij de man tot frustratie geleid
en hieruit volgt dat klaagster het vaderschap niet respecteert/serieus neemt. Verweerster
heeft namens de man voorlopige voorzieningen moeten starten zodat hij contact zou
kunnen krijgen met zijn kinderen. Klaagster past ook zonder overleg (laat staan toestemming)
de zorgregeling regelmatig aan. Ook hieruit valt op te maken dat klaagster het vaderschap
niet serieus neemt.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Beoordeling a) en b) – randnummer 11 verzoekschrift
5.3 Klaagster heeft allereerst gewezen op verweersters uitlatingen in randnummer
11 van het verzoekschrift. Hoewel verweerster veel vrijheid heeft, zoals hiervoor
ook overwogen, is de raad van oordeel dat zij met deze uitlating de (tuchtrechtelijke)
grens is overgegaan. Stellen dat klaagster de meest vreselijke zaken verzint – mishandeling
en een gewelddadige relatie – is een vergaande stelling, die verweerster niet op deze
manier, zonder enig voorbehoud of nuance, mocht innemen. Dat de man in de strafzaak
is vrijgesproken, betekent niet dat klaagster zaken verzonnen heeft, temeer niet nu
het gerechtshof wel heeft vastgesteld dat de bewoordingen die de man gebruikte ‘op
zichzelf geschikt zijn om een bedreiging te kunnen opleveren’ en dat zijn berichten
‘soms ronduit respectloos waren’. Verweerster wist bovendien (of had moeten weten)
dat klaagster in het verleden een Aware-systeem heeft gehad en dat er sprake was van
een MDA++ aanpak. Zij heeft daarover immers berichten ontvangen van de advocaat van
klaagster en van een hulpverlener van klaagster. De raad ziet ook de noodzaak voor
een dergelijke vergaande stellingname niet, zeker niet nu het ging om een verzoek
wijziging hoofdverblijfplaats waarbij de juridische situatie in overeenstemming zou
worden gebracht met de feitelijke situatie dat de minderjarige al maanden bij de vader
woonde en daar ook wilde blijven. Uit verweersters toelichting ter zitting begrijpt
de raad dat verweerster dit heeft opgenomen, omdat klaagster dit mogelijk zou aankaarten
en verweerster op voorhand wilde benadrukken dat het niet klopte. De bewoordingen
dienden daarmee naar het oordeel van de raad ook (nog) geen redelijk doel. De raad
is van oordeel dat verweerster met haar formulering in randnummer 11 de nuance uit
het oog is verloren en zich polariserend en onnodig grievend heeft uitgelaten. De
klacht is in zoverre gegrond.
Beoordeling c) – randnummer 25 en 26 verzoekschrift
5.4 Dat ligt anders voor de uitlatingen in randnummers 25 en 26 van het verzoekschrift.
Hoewel duidelijk is dat klaagster dit als kwetsend heeft ervaren, betreft dit uitlatingen
van een andere categorie die concreet verband houden met het ingediende verzoekschrift.
Verweerster is met deze uitlatingen binnen de haar toekomende vrijheid gebleven. De
klacht is in zoverre ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft zich in een familierechtelijke zaak over een minderjarig
kind polariserend en onnodig grievend uitgelaten door te stellen dat klaagster de
meest vreselijke dingen verzint, waarbij zij doelt op huiselijk geweld en een gewelddadige
relatie. De raad is van oordeel dat een zakelijke terechtwijzing gepast is en legt
daarom de maatregel van waarschuwing op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk
aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht deels gegrond en deels ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en W. Knoester,
leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 13 juli 2026.