ECLI:NL:TADRSGR:2026:154 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-383/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:154 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-07-2026 |
| Datum publicatie: | 13-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-383/DH/RO |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van een piketadvocaat kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
1 juli 2026 in de zaak
26-383/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de e-mail van 1 mei 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk R 2026/006 en van de op de inventarislijst
genoemde bijlagen 1 tot en met 11.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is op 31 januari 2024 aangehouden. Klager heeft bij zijn inverzekeringstelling
aangegeven geen gebruik te willen maken van verhoorbijstand van een advocaat en in
het geheel geen bijstand van een advocaat te willen.
1.2 Verweerder had op 1 februari 2024 piketdienst. Hij is die dag aanwezig geweest
bij het verhoor van klager.
1.3 Op 7 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft geweigerd de naam te verstrekken van de officier van justitie
die hem heeft gevraagd klager bij te staan.
b) Verweerder heeft nagelaten de familie van klager in kennis te stellen van
diens arrestatie, terwijl hij had toegezegd dat te doen.
2.2 Klager heeft toegelicht dat verweerder op het politiebureau heeft verteld
dat hij door een officier van justitie was benaderd om klager bij te staan. Verder
heeft verweerder toegezegd dat hij de familie van klager op de hoogte zou stellen
van het verblijf van klager op het politiebureau.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft in reactie op
de klacht toegelicht dat hij op 1 februari 2024 piketdienst had en die avond ook een
melding over klager heeft ontvangen. Verweerder kreeg te horen dat klager geen prijs
stelde op bijstand van een advocaat. Verweerder is niet in opdracht van een officier
van justitie naar klager gegaan en heeft tegenover klager ook geen uitlatingen in
die richting gedaan. Rond 18:00 uur was verweerder op het politiebureau (vanwege twee
andere meldingen) en heeft hij ook met klager gesproken, omdat verweerder graag zelf
van iemand hoort of hij wel of geen prijs stelt op bijstand. Klager wenste inderdaad
geen bijstand. Later die avond is klager in vrijheid gesteld.
3.2 Verweerder kan zich twee jaar na dato niet meer herinneren of klager hem
heeft gevraagd iemand te bellen.
3.3 In dupliek heeft verweerder zijn verweer gecorrigeerd, in die zin dat hij
inderdaad ook aanwezig is geweest bij het verhoor van klager op 1 februari 2024.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in
de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klager verwijt verweerder dat hij heeft geweigerd de naam te noemen van de
officier van justitie die verweerder zou hebben gevraagd om klager bij te staan. Verweerder
heeft ontkend dat hij is benaderd door een officier van justitie, laat staan dat hij
dat heeft verteld aan klager. Bij deze stand van zaken kan de voorzitter niet vaststellen
dat verweerder tegen klager heeft gezegd dat een officier van justitie hem heeft benaderd
om klager bij te staan. De voorzitter overweegt ten overvloede dat het ongebruikelijk
is dat een officier van justitie een advocaat verzoekt om een verdachte bij te staan.
Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
4.3 Overigens acht de voorzitter het juist zorgvuldig dat verweerder, ondanks
dat klager afstand had gedaan van verhoorbijstand, bij klager is langsgegaan om na
te gaan of hij daadwerkelijk afzag van rechtsbijstand.
Klachtonderdeel b)
4.4 Klager verwijt verweerder dat hij heeft toegezegd klagers familie te informeren
over de arrestatie, maar dat verweerder dit heeft nagelaten. Verweerder kan zich niet
herinneren of klager hem dit heeft verzocht. Bij deze stand van zaken kan de voorzitter
niet vaststellen dat klager dat heeft verzocht en dat verweerder dat heeft toegezegd.
Ook dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
Overigens, als wel had kunnen worden vastgesteld dat klager dat heeft verzocht en
dat verweerder dat heeft toegezegd, dan is dat wellicht onzorgvuldig, maar dan zou
dit klachtonderdeel van onvoldoende gewicht zijn, omdat klager kort na het bezoek
van verweerder (ongeveer twee uur later) in vrijheid is gesteld.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.