ECLI:NL:TADRSGR:2026:153 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-384/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:153
Datum uitspraak: 01-07-2026
Datum publicatie: 13-07-2026
Zaaknummer(s): 26-384/DH/RO
Onderwerp:
  • Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over een curator deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en deels kennelijk ongegrond wegens gebrek aan concretisering.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 1 juli 2026 in de zaak
26-384/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
 
klager


over:

verweerder


De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mail van 1 mei 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk A 2025/352 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 13. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerder treedt op als curator in het faillissement van RH B.V. 
1.2    De heer R is bestuurder van RH B.V. De faillissementsboedel heeft een executoriale titel verkregen tegen de heer R. In verband daarmee is executoriaal beslag gelegd op de woning van de heer R en diens echtgenote. 
1.3    Tussen de faillissementsboedel en beheermaatschappij P B.V. is een geschil ontstaan in verband met het ten gunste van P B.V. op de genoemde woning gevestigde recht van hypotheek. 
1.4    Op 4 november 2025 heeft verweerder in een e-mail aan klager onder meer geschreven: 
"Tenslotte meld ik dat de heer [R] onlangs aan mij heeft laten weten dat hij (alsnog) zijn schuld aan de boedel wil voldoen en op die manier executie van de woning wil voorkomen. Hij heeft gemeld dat hij in dat verband morgen, 5 november 2025, een belangrijke bespreking heeft en mij op de hoogte houdt. Ik zal u ook informeren over de ontwikkelingen op dat vlak."
1.5    Op 29 november 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. 
a)    Schending van het beroepsgeheim: verweerder heeft zonder toestemming vertrouwelijke informatie van R gedeeld. 
b)    Mogelijke belangenverstrengeling: verweerder overtreedt de gedragsregels van de advocatuur en brengt hiermee zijn beroepsgroep in diskrediet.
2. 2    Klager heeft ter toelichting aangevoerd dat verweerder in zijn e-mail van 4 november 2025 informatie heeft verstrekt over de financiële situatie en voornemens van R, terwijl klager die persoon niet kent en verweerder deze informatie niet met hem had mogen delen.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft toegelicht dat klager, blijkens een aan hem gepresenteerde volmacht, gemachtigde is van P B.V en dat P B.V. wel bekend was met de heer R. Verweerder heeft P B.V. op neutrale wijze geïnformeerd over de mededelingen van de heer R. 

4    BEOORDELING
Klachtonderdeel a)
4.1    Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2    De voorzitter is van oordeel dat het niet aan klager, maar aan de heer R is om zo nodig een klacht in te dienen over het zonder toestemming delen van vertrouwelijke informatie die op hem betrekking heeft. Klager heeft geen rechtstreeks belang heeft bij zijn klacht hierover. Dit klachtonderdeel is kennelijk niet-ontvankelijk. 
Klachtonderdeel b)
4.3    Klager verwijt verweerder verder belangenverstrengeling en het overtreden van de gedragsregels. Klager heeft dit verwijt niet verder geconcretiseerd of onderbouwd, waardoor niet duidelijk wordt wat klager verweerder op dit punt precies verwijt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. 


BESLISSING
De voorzitter verklaart:
-    klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
-    klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.