ECLI:NL:TADRSGR:2026:152 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-834/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:152 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-07-2026 |
| Datum publicatie: | 13-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-834/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verweerder is een zitting vergeten, waardoor hij te laat arriveerde en de zaak niet met klaagster heeft kunnen voorbespreken voorafgaand aan de zitting. Klaagster had eerder juist om een voorbespreking gevraagd. Dat laatste is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 6 juli 2026 in de zaak 25-834/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 juli 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K168 2025
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij
waren klaagster, vergezeld van haar man, en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail met bijlagen van klaagster van 23 december 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster en haar partner zijn in een procedure verwikkeld (geweest) over
de aankoop van een woning. Verweerder stond hen bij.
2.3 De zitting in de procedure is gepland op 1 april 2025. Voorafgaand, op 14
maart 2025, heeft klaagster aan verweerder onder meer geschreven:
“Beetje zin in 1 april? Wat is handig, zien wij elkaar daar of beter nog even korte
bespreking vooraf te houden”
Verweerder heeft op die vraag niet meer expliciet gereageerd; er is op 18 maart
2025 nog wel contact geweest tussen klaagster en verweerder over andere aspecten van
de zaak
2.4 Op 1 april 2025 was verweerder bij de start van de zitting (om 9:00 uur)
niet in de rechtbank aanwezig. Klaagster heeft verweerder toen gebeld. Hij bleek de
zitting vergeten te zijn. Verweerder is op dat moment alsnog naar de rechtbank gekomen.
De behandeling van de zaak is pas begonnen toen verweerder aanwezig was.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
Verweerder was vergeten dat de zitting was en arriveerde een uur te laat. Klaagster
stelt dat zij het kantoor pas om 9 uur kon bereiken, dat verweerder geagiteerd opnam
en vervolgens in de auto is gestapt om naar de zitting te komen. Hij kwam een uur
te laat aan. Klaagster en verweerder hebben geen voorbespreking kunnen houden, wat
zij eerder via de mail gevraagd had en wat zij graag gewild had.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij erkent dat hij te laat
op de zitting was en dat dit niet had mogen gebeuren. Het feit dat hij 45 minuten
later aanwezig was op de rechtbank, is aantoonbaar niet van negatieve invloed geweest
op het oordeel en ook niet op de bijstand ter zitting. Er is met de zitting gewacht
tot verweerder er was. De uitkomst van de zaak was gunstiger dan waarvoor klaagster
had willen schikken.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Beoordeling
5.2 Vastgesteld kan worden dat verweerder bij aanvang van de zitting op 1 april
2025 niet aanwezig was, dat klaagster hem heeft moeten bellen en dat verweerder toen
pas naar de rechtbank is gegaan. Verweerder was te laat op zitting. De behandelend
rechter heeft gewacht met de behandeling van de zaak tot verweerder aanwezig was,
zodat verweerder klaagster op de zitting heeft kunnen bijstaan.
5.3 Hoewel van een advocaat verwacht mag worden dat hij op tijd aanwezig is voor
een zitting, is klaagster voor wat betreft het te laat komen door verweerster niet
in haar belangen geschaad. Het is begrijpelijkerwijs heel vervelend geweest, maar
de behandeling van de zaak is pas gestart toen verweerder aanwezig was. Klaagster
is tijdens de zitting dus bijgestaan door verweerder. Het is slordig dat verweerder
te laat was, zoals verweerder ook heeft erkend, maar dat is op zichzelf, zolang het
om een incident en niet een patroon gaat, niet direct tuchtrechtelijk verwijtbaar.
De klacht is in zoverre ongegrond.
5.4 Dat ligt anders voor het feit dat geen voorbespreking van de zitting heeft
plaatsgevonden. Klaagster heeft verweerder op 14 maart 2025 per mail uitdrukkelijk
gevraagd of er een korte voorbespreking kon plaatsvinden. Verweerder heeft hier niet
op gereageerd. Van een redelijk handelend advocaat mag verwacht worden dat hij zijn
cliënten voorbereidt op een zitting, zeker waar sprake was van een uitvoerig juridisch
geschil waarmee voor klaagster een fors financieel belang gemoeid was. Verweerder
is op dit punt tekortgeschoten en heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De
klacht is in zoverre gegrond.
Tot slot
5.5 Klaagster heeft in haar nagezonden bericht van 23 december 2025 en tijdens
de mondelinge behandeling van deze tuchtzaak nog andere verwijten aan verweerder gemaakt,
waaronder over de facturering en over het contact na de uitspraak/klacht. Zoals ter
zitting al aan partijen is meegedeeld, beperkt de raad zich tot de oorspronkelijk
ingediende klacht. De raad laat deze andere verwijten daarom buiten beschouwing.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder is een zitting vergeten, waardoor hij te laat arriveerde en de
zaak niet met klaagster heeft kunnen voorbespreken voorafgaand aan de zitting. Klaagster
had eerder juist om een voorbespreking gevraagd. Dat laatste is tuchtrechtelijk verwijtbaar.
6.2 De raad acht een zakelijke terechtwijzing op zijn plaats en legt daarom de
maatregel van waarschuwing op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht deels gegrond en deels ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en M.M.
van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 6 juli 2026.