ECLI:NL:TADRSGR:2026:151 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-339/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:151 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-07-2026 |
| Datum publicatie: | 13-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-339/DH/RO |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht omdat zij geen belang heeft bij de klacht. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
8 juli 2026 in de zaak
26-339/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: D.B. Pathak
over
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van de e-mail van 20
april 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam
(hierna: de deken) met kenmerk R 2026/033 en van de bijlagen 1 tot en met 15 van het
correspondentiedossier.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Mevrouw L. is de moeder van klaagster (hierna ook: de moeder).
1.2 Op verzoek van de zus van klaagster heeft de kantonrechter op 4 april 2022
de (toekomstige) goederen van de moeder onder bewind gesteld en klaagster en haar
zus als bewindvoerders aangesteld.
1.3 Tussen de moeder en haar broer, de heer L, is een conflict ontstaan omtrent
de nalatenschap van hun in 2020 overleden vader.
1.4 Op 10 januari 2023 heeft verweerster namens de heer L. zijn zus, de moeder
van klaagster, gedagvaard. Mr. Le G staat in die procedure de moeder bij.
1.5 Sinds 30 juni 2023 is de heer V de bewindvoerder van de moeder en zijn klaagster
en haar zus als bewindvoerder van de moeder ontslagen.
1.6 Op 16 december 2025 is namens klaagster bij de deken een klacht ingediend
over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door doelbewust ernstige, laakbare,
frauduleuze en schadelijke handelingen te hebben verricht waardoor klaagster zeer
ernstig is benadeeld en in haar financiële belangen is geschaad.
Volgens klaagster heeft verweerster, in samenzwering met mr. Le G en de bewindvoerder
van de moeder, in strijd met de wet erfgoederen van de moeder gestolen en nadelig
verkocht of een andere bestemming gegeven. Bovendien heeft verweerster declaraties
vervalst. Ook is sprake geweest van belangenverstrengeling, wangedrag, en incompetent
handelen en heeft verweerster zich schuldig gemaakt aan corporate oplichting.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Alleen de (rechts)persoon die door het handelen of nalaten van een advocaat
direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een
klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang
is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 Vast staat dat verweerster optreedt als advocaat van de wederpartij van de
moeder in een procedure tussen haar cliënt en de moeder. Het is in beginsel aan de
moeder, als wederpartij, of aan de cliënt van verweerster om te klagen over het optreden
van verweerster.
4.3 Klaagster is geen partij bij die procedure, maar stelt dat zij als betrokken
derde belang heeft bij haar klacht over verweerster, omdat zij zich in financieel
opzicht ernstige zorgen maakt over haar toekomstig erfdeel als (vermeend) erfgenaam
van de moeder door het onbetamelijke handelen van verweerster. De voorzitter volgt
klaagster daar niet in.
4.4 Uit de stukken blijkt dat de cliënt van verweerster de declaraties voor haar
werkzaamheden betaalt en over haar werkzaamheden tevreden is. Voor zover verweerster
zich al aan het door klaagster verweten handelen schuldig zou maken, zou niet klaagster,
maar haar cliënt daar in financieel opzicht door worden getroffen en zich daarover
kunnen beklagen; niet klaagster. De overige verwijten die klaagster verweerster maakt,
zijn niet onderbouwd en onfatsoenlijk en daarom niet als klacht te beschouwen.
4.5 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.