ECLI:NL:TADRSGR:2026:150 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-397/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:150 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-07-2026 |
| Datum publicatie: | 13-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-397/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiegeschil. Niet blijkt dat verweerder de telefoon en laptop in bezit heeft gekregen. Ook wat betreft de door verweerder ingediende stukken blijkt niet van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
8 juli 2026 in de zaak
26-397/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 7 mei 2026 met kenmerk K207 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail (met bijlagen) van klager van 21 mei 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 16 mei 2023 zijn klager en zijn vrouw (hierna: de vrouw) uit elkaar gegaan.
1.2 Op 19 mei 2023 is de vrouw bij verweerder op kantoor geweest voor een gesprek.
1.3 Op 20 mei 2023 heeft klager aangifte gedaan van diefstal van zijn telefoon
en laptop. Klager heeft in zijn aangifte gewezen op tracking-gegevens waaruit volgt
dat de telefoon en laptop op 19 mei 2023 getraceerd konden worden op een locatie in
de directe nabijheid van het kantoor van verweerder.
1.4 Vanaf eind november 2023 is verweerder de vrouw gaan bijstaan in de (nog
op te starten) echtscheidingsprocedure.
1.5 Op 24 januari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.6 Op 4 augustus 2025 heeft klager een e-mail aan de vrouw gestuurd, in reactie
op een eerdere e-mail van haar. Klager heeft zijn e-mail ook aan verweerder gestuurd.
1.7 Verweerder heeft klager diezelfde dag verzocht hem niet langer lastig te
vallen met zijn e-mails. Verweerder heeft daarbij vermeld dat als klager een probleem
heeft, hij zich tot zijn eigen advocaat moet worden.
1.8 Klager heeft daarop aan verweerder geschreven dat de vrouw was die verweerder
in de cc heeft meegenomen en dat klager alleen maar een ‘reply all’ heeft gedaan.
Klager schrijft dat verweerder de vrouw moet informeren als dit hem stoort.
1.9 Na reactie van klager heeft verweerder op 5 augustus 2025 aan klager onder
meer geschreven:
“Het maakt mij niet uit of mijn naam in welke CC dan ook voorkomt. Indien u de verzenden
bent, dient u op te letten dat mijn naam wordt verwijderd. Aangezien u de verzender
bent u dan ook aansprakelijk.
Voor de laatste keer verzoek ik u dan ook geen berichten aan mij te zenden. Indien
u doorgaat met het verzenden, dan zal ik de nodige stappen ondernemen.”
1.10 Op 8 en 13 augustus 2025 heeft klager zijn klacht aangevuld.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerder heeft willens en wetens gestolen voorwerpen (een telefoon en een
laptop) ontvangen en behouden.
b) Verweerder heeft gegevens van die voorwerpen gehaald en in de procedure betrokken,
om zo een oneerlijk voordeel te behalen.
c) Verweerder heeft onrechtmatig verkregen bankgegevens in de procedure gebruikt.
d) Verweerder heeft klager geïntimideerd.
2.2 Klager heeft toegelicht dat het er in de kern om gaat dat verweerder gebruik
heeft gemaakt van mogelijk onrechtmatig verkregen buitenlandse financiële gegevens.
Dat hij heeft nagelaten de herkomst van de zeer gevoelige gegevens te verifiëren,
dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn processuele positie en tegenstrijdig en onzorgvuldig
heeft gehandeld in de communicatie.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klager verwijt verweerder dat hij de (door de vrouw) gestolen telefoon en
laptop heeft ontvangen en behouden, waarbij hij wijst op de tracking-gegevens van
de apparaten. Verweerder heeft dit verwijt uitdrukkelijk betwist en erop gewezen dat
de tracking-gegevens wijzen op een parkeerplaats in de nabijheid van zijn kantoor,
waar de vrouw waarschijnlijk heeft geparkeerd.
4.3 De voorzitter is van oordeel dat, zelfs als wordt uitgegaan van de juistheid
van de tracking-gegevens, daarmee niet blijkt dat verweerder de telefoon en laptop
in bezit heeft gekregen. De tracking-gegevens laten de mogelijkheid open dat de vrouw
de telefoon en laptop bij zich had en dat deze in haar auto lagen op het moment dat
zij bij verweerder op gesprek kwam. Op geen enkele wijze kan op basis van deze gegevens
worden vastgesteld dat verweerder de telefoon en laptop heeft ontvangen en vervolgens
onder zich heeft gehouden. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook niet
gebleken.
Klachtonderdelen b) en c)
4.4 Klager verwijt verweerder dat hij gegevens van de laptop en telefoon heeft
gehaald en in de procedure heeft gebruikt en dat hij onrechtmatig verkregen bankgegevens
in de procedure heeft gebruikt. Ook de juistheid van deze verwijten blijkt niet uit
de overgelegde stukken. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat verweerder de laptop
en telefoon in bezit heeft gehad (zie hiervoor), is ook niet gebleken dat hij gegevens
daaruit heeft gehaald en gebruikt. Verweerder stelt dat hij alleen gegevens heeft
gebruikt die hij van zijn cliënte heeft ontvangen. Daarvoor geldt dat de advocaat
in beginsel mag uitgaan van de juistheid van die informatie. Zelfs als verweerders
cliënte de bankgegevens onrechtmatig zou hebben verkregen, wat niet kan worden vastgesteld,
betekent dat niet zonder meer dat verweerder daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan
worden gemaakt. Ook hier is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet gebleken.
Klachtonderdeel d)
4.5 Klager verwijt verweerder intimidatie, waarbij hij wijst op de e-mailwisseling
van augustus 2025. Uit de e-mailwisseling blijkt dat verweerder klager bij herhaling
heeft verzocht hem niet te mailen, ook niet via een ‘reply all’. Verweerder heeft
klager er daarbij op gewezen dat hij zich tot zijn eigen advocaat moet wenden. Van
intimidatie is geen sprake. Verweerder heeft terecht aangegeven dat het hem, gelet
op de gedragsregels, niet vrijstaat met klager te corresponderen. Dat verweerder heeft
geschreven ‘de nodige stappen’ te zullen ondernemen als klager blijft doorgaan met
mailen, is niet intimiderend of bedreigend, mede omdat verweerder klager al meermalen
had verzocht niet te blijven mailen. Ook hier is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
niet gebleken.
Conclusie
4.6 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.