We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:149 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-410/DH/DH 26-411/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:149
Datum uitspraak: 08-07-2026
Datum publicatie: 13-07-2026
Zaaknummer(s):
  • 26-410/DH/DH
  • 26-411/DH/DH
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de slachtofferadvocaat. Klagers en verweerder hebbe gecorrespondeerd over de schade en het opstellen van een vordering, maar klagers hebben er zelf voor gekozen toch geen vordering benadeelde partij op te (laten) stellen. Daar kan verweerder geen verwijt van worden gemaakt. Verweerder heeft zich vervolgens niet direct onttrokken bij het OM, maar daar hebben klagers geen nadeel van ondervonden. Van de late ontvangst van de sepotbrieven kan verweerder eveneens geen verwijt worden gemaakt. Alle klachten kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline  in het ressort Den Haag van 8 juli 2026 in de zaken
26-410/DH/DH en 26-411/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

[klager] (zaak 26-410/DH/DH)
klager

en 

[klaagster] (zaak 26-411/DH/DH)
klaagster
gemachtigde: (…) (klager)

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brieven van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 12 mei 2026 met kenmerk K321 2025 (26-410/DH/DH) en K319 2025 (26-411/DH/DH) en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende reactie van klagers (ontvangen op 25 mei 2026).

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Op 12 december 2024 heeft een incident plaatsgevonden. Klagers hebben hiervan aangifte gedaan. Klagers hebben verweerder benaderd voor bijstand. 
1.2    Op 27 februari 2025 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen klagers en verweerder.  Naar aanleiding van die bespreking heeft verweerder een e-mail aan klager gestuurd over een bodemprocedure en/of conservatoir beslag. Verweerder schrijft dat zijn kantoorgenoot (mr. G) de bodemprocedure kan doen c.q. overnemen. 
1.3    In april 2025 heeft verweerder zich bij het openbaar ministerie (OM) gesteld als slachtofferadvocaat van klagers. 
1.4    Bij brief van 10 juli 2025 heeft het OM bericht dat de verdachten van de aangifte van 12 december 2024 op 26 augustus 2025 op een OM-hoorzitting moesten verschijnen.
1.5    Op 20 juli 2025 heeft klager een aantal mails aan verweerder gestuurd over de door hem geleden schade en het indienen van een vordering benadeelde partij. 
1.6    Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd, laten weten dat hij op vakantie is en er vanaf 5 augustus op terug komt. Verweerder heeft klager gevraagd in de tussentijd de kosten te specificeren/onderbouwen met facturen of offertes. Verweerder schrijft ook dat ze ruim op tijd zijn als het verzoek tot schadevergoeding zeven dagen voor de zitting wordt ingediend, zodat ze makkelijk tot en met 19 augustus de tijd hebben.
1.7    Klager heeft diezelfde dag laten weten dat hij de kosten in kaart gaat brengen en dat hij verweerder zal voorzien van facturen en offertes. 
1.8    Op 21 juli 2025 heeft klager (ook namens klaagster) in een e-mail aan verweerder zijn zorgen uitgesproken over het verloop van de bijstand in de strafzaak. Klager schrijft dat er de afgelopen weken weinig tot geen initiatief vanuit het kantoor is gekomen om het voegingsformulier, de schadeonderbouwing en de noodzakelijke bewijsstukken voor te bereiden. Klager schrijft verder:
“Pas na mijn eigen bericht op zondag jl. kwam er reactie, waarbij werd aangegeven dat alles uiterlijk vóór 16 augustus moet worden ingediend. (…) 
Ik verzoek u dan ook dringend om uiterlijk deze week de volgende acties in gang te zetten: (…)”
1.9    Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd en laten weten dat hij met vakantie is, waardoor hij de gevraagde actie niet direct zal oppakken. Verweerder heeft klager erop gewezen dat hij zelf medische informatie kan opvragen bij zijn medische specialist, dat verweerder al stukken bij klager heeft opgevraagd, dat hij er uiteraard voor zal zorgen dat een voegingsformulier wordt ingediend en dat hij vanaf 5 augustus weer terug is op kantoor en dan de zaak kan oppakken. Verweerder heeft klager er ook op gewezen dat de zaak een OM-hoorzitting betreft, wat geen openbare zitting is waar klager of verweerder bij kunnen zijn. Verder schrijft verweerder:
“Tot slot bericht ik u ook dat u eerder hebt aangegeven een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade wenst te ontvangen. Ofschoon ik het met u eens ben dat er sprake is van een heftig feit en u daarvoor recht heb op schadevergoeding, is een bedrag van € 6.000,- in deze zaak echt aan de zeer hoge kant. Gemiddeld kunt u voor dergelijke zaken ongeveer € 500,- tot € 1.000,- verwachten. Ik zal mij evenwel inspannen om vergelijkbare zaken te vinden waarin toch hogere bedragen zijn toegekend.” 
1.10    Klager heeft diezelfde dag gereageerd en herhaald dat hij het betreurt dat er tot nu toe weinig initiatief is genomen om het voegingsformulier, de schadeonderbouwing en medische bewijsstukken te verzamelen. 
1.11    Op 6 augustus 2025 heeft klager aan verweerder onder meer geschreven:
“Hoewel ik uw advies waardeer, heb ik besloten om mijn vorderingen via een andere route voort te zetten. Ik stel het op prijs dat u zich kosteloos zult onttrekken aan de zaak”
1.12    Bij brieven van 2 september 2025 heeft het OM aan verweerder bericht dat de verdachten van het incident van 12 december 2024 niet worden vervolgd (sepot). 
1.13    Op 18 september 2025 hebben klagers per e-mail aan het OM onder meer geschreven:”
“Op 18 september 2025 hebben wij telefonisch contact gehad met uw medewerker en toen voor het eerst vernomen dat onze zaak per 2 september 2025 is geseponeerd. De brief van 2 september 2025 hebben wij niet ontvangen. Dankzij uw collega hebben wij begrepen dat wij deze brief nogmaals per post zullen ontvangen.”
1.14    Op 23 september 2025 heeft klager aan verweerder onder meer geschreven:
“Zoals u weet heb ik u de opdracht tot behartiging van mijn strafzaak ingetrokken. U bent derhalve niet langer mijn advocaat. Tot mijn verbazing blijkt echter dat het Openbaar Ministerie nog steeds stukken in mijn zaak aan u toestuurt, waaronder een brief over de zitting van 26 augustus 2025. 
Ik ben deze brief zelf nooit ontvangen. Ik verzoek u hierbij dringen en onverwijld om deze brief direct per e-mail aan mij door te sturen”
Klager heeft verweerder diezelfde dag ook via WhatsApp een bericht gestuurd. 
1.15    Verweerder heeft diezelfde dag via WhatsApp gereageerd en laten weten dat het onttrekken aan de zaak bij het OM wellicht aan zijn aandacht was ontsnapt en dat hij dat uiteraard alsnog zal doen (voor zover mogelijk of vereist). Ook heeft hij klager laten weten dat hij ervoor zorgt dat een eventuele brief bij klager komt. 
1.16    Op woensdag 24 september 2025 heeft verweerder de twee sepotbrieven aan klager gestuurd. Verweerder schrijft daarbij dat hij de ene “afgelopen vrijdag/zaterdag” ontving, en de andere “gisteren”.
“Ik ga er hierbij in elk geval vanuit dat ik ten aanzien van de aangiften en/of lopende strafzaken in het geheel geen werkzaamheden meer hoef te verrichten en dat jij elk van die zaken zelf oppakt of een andere advocaat inschakelt voor zover je wenst.”  
1.17    Op 1 oktober 2025 heeft klager via WhatsApp aan verweerder geschreven:
“Als je nog de zaak nog niet afgemeld bij Om kunnen nog doorzetten?”
1.18    Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd:
“Ik heb gecontroleerd. De mail staat nog in mijn outlook en is nog niet verzonden. 
Wat ik eventueel bereid ben voor je te doen is een art. 12 Sv procedure”
1.19    Op 13 en 16 oktober 2025 heeft klager via WhatsApp aan verweerder gevraagd wanneer hij de zaak gaat oppakken.
1.20    Op 17 oktober 2025 (om 9.57 uur) stuurt verweerder via WhatsApp aan klager onder meer:
“Ik heb de afgelopen week goed nagedacht over de (aanvullende) verzoeken om zaken op te pakken. Na ampel beraad heb ik besloten om de zaken niet op te pakken. (…) Omdat onze verwachtingen en werkwijze niet goed op elkaar lijken aan te sluiten, zal ik de zaken dus niet opnieuw of verder oppakken.”
1.21    Diezelfde dag heeft klager per e-mail aan verweerder laten weten dat hij per direct de opdrachtverlening beëindigt en heeft hij verweerder verzocht zich onmiddellijk terug te trekken als klagers advocaat
1.22    Op 17 oktober 2025 (om 17:20 uur) heeft klager bij het kantoor waar verweerder werkzaam is een klacht ingediend over verweerder. 
1.23    Op 17 oktober 2025 om 18:40 uur heeft verweerder geprobeerd klager te bellen. Om 18:44 uur heeft klager per e-mail aan verweerder laten weten dat hij heeft gezien dat verweerder probeerde telefonisch contact op te nemen en dat hij niet inhoudelijk reageert, aangezien de kwestie intern in behandeling is bij het kantoor. 
1.24    Op 18 november 2025 hebben klagers (separaat) bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
In zaak 25-410/DH/DH
2.2    Klager verwijt verweerder het volgende. 
1)    Verweerder heeft geen vordering benadeelde partij opgesteld of ingediend, ondanks herhaalde verzoeken. Hij heeft geen schade geïnventariseerd, geen medische gegevens opgevraagd en geen plan/strategie opgesteld.
2)    Verweerder heeft een onjuiste mededeling gedaan dat hij zich op 6 augustus 2025 had onttrokken, maar dit niet aan het OM doorgegeven.
3)    Verweerder heeft essentiële OM-correspondentie (sepotbeslissing) bijna drie weken te laat doorgestuurd. 
4)    Verweerder heeft de zaak daarna opnieuw stil laten liggen en op 17 oktober 2025 zonder voortgang definitief beëindigd.
5)    Verweerder heeft ongepast contact gezocht tijdens een lopende interne klacht. 
In zaak 24-411/DH/DH
2.3    Klaagster verwijt verweerder het volgende:
6)    Verweerder heeft geen vordering benadeelde partij opgesteld, klaagsters schade niet berekend, geen medische informatie opgevraagd en geen advies of strategie gegeven. 
7)    Verweerder gaf op 6 augustus 2025 schriftelijk aan dat hij zich aan de zaak zou onttrekken, maar deze onttrekking heeft hij niet uitgevoerd.
8)    Klaagster kreeg de beslissing van het OM van 2 september pas op 23 september, nadat haar partner zelf contact heeft moeten opnemen omdat verweerder niets liet weten.
9)    Ondanks verweerders toezegging op 1 oktober dat hij de zaak weer zou oppakken, heeft hij dit niet gedaan en heeft hij klaagster op 17 oktober opnieuw laten vallen. 
10)    Verweerder heeft klaagster niet geïnformeerd over haar wettelijke spreekrecht tijdens de strafzitting (art. 51e Wetboek van Strafvordering).
11)    Verweerder heeft klaagster vanaf aanvang feitelijk buitenspel gezet, door alle communicatie via klager te laten verlopen.
2.4    Klaagster stelt dat zij onvoldoende en onzorgvuldig is bijgestaan en dat door verweerders handelen onnodige vertraging, stress en tijdverlies is ontstaan. Ook stond klaagster zonder juridische ondersteuning in een cruciale fase van haar zaak. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft toegelicht dat op verzoek van klaagster het contact en de verdere afstemming van werkzaamheden en bijstand ten aanzien van de zaak/zaken via klager zou verlopen. Verweerder stelt dat hij meermaals met klager heeft besproken dat de vordering zou kunnen bestaan uit materiële en immateriële schadeposten en dat klager die posten in kaart zou gaan brengen. Ook is meermaals contact geweest met klager over de civiele procedures die op dat moment liepen tegen de verdachten uit de strafzaak. In juli 2025 – tijdens verweerders vakantie – is over de in te dienen vordering een mailwisseling geweest tussen klager en verweerder. Op 5 augustus 2025 liet klager aan verweerder weten dat de opdracht tot bijstand in de strafzaak werd ingetrokken en dat hij zijn voegingsvordering niet langer via de strafrechtelijke weg wenste in te dienen. Klager gaf aan dat de vordering dus ook niet meer hoefde te worden opgesteld of ingediend. Verweerder heeft dat bevestigd, waarna klager hem heeft bedankt. 
3.2    Verweerder stelt dat klager op 23 september 2025 weer contact opnam, omdat hij had vernomen dat een brief met sepotbeslissing naar verweerders kantoor zou zijn verzonden. Bij controle bleek inderdaad dat twee brieven van het OM aan verweerder waren verzonden. De brieven, met dagtekening 2 september 2025, werden in het weekend van 20/21 september 2025 en op 23 september 2025 bezorgd. Verweerder heeft deze op 24 september 2025 per e-mail aan klager gestuurd. Op 1 oktober 2025 vroeg klager via WhatsApp of verweerder zich nog niet onttrokken had. Verweerder heeft daarop gereageerd dat de e-mail met de onttrekking nog niet is verzonden en dat hij eventueel bereid is een artikel 12 Sv procedure te starten. Tussen 1 en 17 oktober 2025 is er meermaals contact geweest tussen klager en verweerder. Op 17 oktober 2025 heeft verweerder laten weten dat hij klager niet langer zal bijstaan. 
3.3    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 
Klachtonderdelen 1) en 6)
4.2    Klagers verwijten verweerder dat hij geen vordering benadeelde partij heeft opgesteld, hun schade niet heeft berekend, geen medische informatie heeft opgevraagd en geen advies of strategie heeft gegeven. De voorzitter stelt vast dat klager en verweerder hierover in juli 2025 hebben gecorrespondeerd. Verweerder heeft toen – tijdens zijn vakantie – duidelijk aangegeven dat hij dit na zijn vakantie zou oppakken en dat er nog ruim voldoende tijd resteerde tot de zitting van 26 augustus 2025. Ook heeft verweerder op dat moment al stukken opgevraagd en informatie gegeven, onder meer over hoe klagers zelf relevante (medische) gegevens kunnen opvragen. Verweerder heeft klagers daarmee voldoende geïnformeerd. Dat verweerder op 21 juli 2025 heeft aangegeven dat het bedrag aan immateriële schade dat klagers wilden vorderen veel te hoog was en dat zij moesten rekenen op een (veel) lager bedrag, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het was immers verweerders taak om klagers te informeren over wat reëel was en wat zij konden verwachten. 
4.3    Klager heeft er vervolgens zelf voor gekozen om toch geen vordering benadeelde partij op te (laten) stellen, omdat hij zijn vorderingen ‘via een andere route’ wenste voort te zetten. Klager kan dan niet aan verweerder verwijten dat er geen vordering benadeelde partij meer is opgesteld en ingediend. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Deze klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen 2) en 7)
4.4    Klagers verwijten verweerder dat hij op 6 augustus 2025 heeft laten weten dat hij zich zou onttrekken, maar dat hij dit niet daadwerkelijk heeft gedaan. De voorzitter stelt vast dat klager alsnog zelf op 5 november 2025 aan verweerder heeft gevraagd zich te onttrekken en voorts dat verweerder kennelijk niet aan het OM heeft laten weten dat hij zich als advocaat van klagers aan de zaak had onttrokken. Hoewel het zorgvuldiger was geweest als verweerder dat direct had gedaan, ziet de voorzitter niet in dat klagers hiervan enig nadeel hebben ondervonden. De OM-hoorzitting zou immers pas op 26 augustus 2025 plaatsvinden en klagers hebben na het onttrekkingsbericht van 6 augustus 2025 dus ruim de tijd gehad om ofwel een andere advocaat aan te zoeken ofwel zelf het OM op de hoogte te brengen van het feit dat zij niet langer door verweerder werden bijgestaan en/of voor die zitting de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen. Dat de zaak is geëindigd met een sepot maakt dat niet anders. Dat zou immers evengoed het geval zijn geweest als verweerder het OM wél eerder op de hoogte had gesteld van zijn onttrekking aan de zaak. Bovendien hebben klagers verweerder later gevraagd zijn werkzaamheden weer te hervatten, waardoor het alleen maar handig was dat hij nog niet aan het OM had laten weten dat hij zich had onttrokken. De voorzitter acht de enkele omstandigheid dat verweerder het OM niet direct van zijn onttrekking op de hoogte heeft gesteld van onvoldoende gewicht om van tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag te kunnen spreken. Deze klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen 3) en 8)
4.5    Klagers verwijten verweerder dat zij de sepotbrieven van 2 september 2025 pas veel later hebben ontvangen. De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder de sepotbrieven ook daadwerkelijk kort na 2 september 2025 heeft ontvangen. Klagers hebben op 18 september 2025 kennelijk zelf met het OM gebeld, waarna de brieven nogmaals (naar verweerder) zijn verzonden. Verweerder heeft de brieven vervolgens op 24 september 2025 aan klager doorgestuurd, waarbij hij schrijft dat hij ze in de dagen daarvoor heeft ontvangen. Nu niet blijkt dat verweerder eerder dan 20 september 2025 over de sepotbrieven beschikte, kan hem niet het verwijt worden gemaakt dat hij de brieven niet veel eerder aan klagers heeft gestuurd. Deze klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen 4) en 9)
4.6    Klagers verwijten verweerder dat hij, ondanks zijn toezegging de zaak opnieuw op te pakken, deze stil heeft laten liggen en zich op 17 oktober 2025 (opnieuw) heeft onttrokken. De voorzitter stelt vast dat verweerder op 1 oktober 2025 heeft aangegeven dat hij eventueel bereid is een artikel 12 Sv procedure te doen. Klagers ontlenen kennelijk aan die ene opmerking de verwachting dat verweerder een artikel 12 Sv procedure zou starten. Verweerder heeft naar aanleiding van de ontwikkelingen na 1 oktober 2025 aanleiding gezien om zijn bereidheid in te trekken en zijn bijstand te beëindigen. Dat stond hem vrij. Een advocaat mag de behandeling van de zaak in beginsel neerleggen en/of een aanbod voor bijstand alsnog intrekken. Hoewel vervelend voor klagers, geldt dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Deze klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 5)
4.7    Klager verwijt verweerder dat hij ongepast contact heeft gezocht tijdens een lopende interne klacht. De voorzitter stelt vast dat klager op 17 oktober 2025 om 17:20 uur een interne klacht over verweerder heeft ingediend bij het kantoor. Om 18:40 uur die dag heeft verweerder geprobeerd klager te bellen. Klager heeft niet opgenomen, maar per e-mail laten weten dat hij niet inhoudelijk wil reageren. Het enkele feit dat verweerder klager – kort nadat hij een klacht bij het kantoor had ingediend – heeft gebeld, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 10)
4.8    Klaagster verwijt verweerder dat hij haar niet heeft geïnformeerd over haar wettelijke spreekrecht tijdens de strafzitting. De voorzitter stelt vast dat sprake was van een OM-hoorzitting, waar klagers en verweerder niet bij aanwezig konden zijn. Van een zitting waarbij het spreekrecht kon worden uitgeoefend was geen sprake. Dat verweerder klaagster daarover niet heeft geïnformeerd is dan ook niet vreemd en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 11)
4.9    Klaagster verwijt verweerder dat hij niet met haar heeft gecommuniceerd, maar alle communicatie via klager (haar partner) heeft laten verlopen. Verweerder heeft toegelicht dat dit op verzoek van klaagster was. De voorzitter constateert dat klager een deel van zijn e-mails aan verweerder ook mede namens klaagster stuurt. De voorzitter gaat er daarom vanuit dat klager, met instemming van klaagster, optrad als haar contactpersoon. Als klaagster de correspondentie zelf met verweerder had willen voeren, had zij dit aan hem moeten laten weten, temeer nu haar klachten gingen over hetzelfde onderwerp en dezelfde strekking hadden als de klachten van haar partner. Dat zij dit op enig moment heeft gedaan, blijkt niet. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Deze klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.
Tot slot
4.10    Voor zover klagers in hun repliek de klacht aanvullen met het verwijt dat geen sprake is geweest van een opdrachtbevestiging en dat structureel onduidelijkheid heeft bestaan over de cliënt- en opdrachtrelatie, overweegt de voorzitter als volgt. Uit de overgelegde stukken volgt dat kennelijk ook sprake was van een civiele kwestie, dat daarover in februari 2025 contact is geweest en dat verweerder toen heeft laten weten dat mr. G die zaak kon oppakken. Daarover kon geen onduidelijkheid bestaan. De latere correspondentie (juli-okt 2025) tussen klager en verweerder betreft steeds de bijstand als slachtofferadvocaat. Dat daarover onduidelijkheid bestond, kan de voorzitter met het oog op de tussen partijen gevoerde (whatsapp- en email-) correspondentie niet volgen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de voorzitter niet gebleken.   


BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8  juli 2026.