ECLI:NL:TADRSGR:2026:147 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-380/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:147
Datum uitspraak: 01-07-2026
Datum publicatie: 13-07-2026
Zaaknummer(s): 26-380/DH/RO
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een familierechtelijke aangelegenheid. Klacht deels niet-ontvankelijk, omdat het niet aan de raad is te oordelen over de hoogte van de door de advocaat in rekening gebrachte bedragen. Klacht over de kwaliteit van bijstand in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haagvan 1 juli 2026 in de zaak 26-380/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 30 april 2026 met kenmerk R 2026/035 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 12 en de als  correspondentiedossier genoemde bijlagen 1 tot en met 19. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerder heeft klager bijgestaan in een familierechtelijke aangelegenheid. 
1.2    Op 22 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. 
a)    er is sprake van overmatige correspondentie en ondoorzichtige facturatie;
b)    opdrachten zijn door verweerder teruggegeven, maar zijn wel gefactureerd;
c)    gesprekken over de werkwijze en de facturatie zijn als reguliere werkzaamheden gedeclareerd;
d)    verweerder had onvoldoende de regie in het procesverloop;
e)    klager moest zelf fouten in het roljournaal corrigeren;
f)    verweerder had een passieve houding tijdens de zitting;
g)    door het gebrek aan initiatief aan de zijde van verweerder is sprake van een slepende procedure;
h)    er is sprake van inconsistentie in de facturatie en in de afspraken hierover;
i)    het niet tijdig verbeuren van dwangsommen.
2.2    Toelichting: Er zijn door verweerder uitgebreide e-mailwisselingen gevoerd over relatief eenvoudige onderwerpen. Die communicatie bevat veel herhaling en weinig toegevoegde waarde, maar is wel volledig aan klager doorbelast. Ook de gesprekken waarin klager zijn onvrede uitte over de werkwijze en facturatie, zijn als reguliere werkzaamheden gedeclareerd. Hoewel verweerder eerst akkoord ging met de door klager gegeven opdrachten, trok verweerder zich later alsnog terug. Ondanks het feit dat er geen resultaat is geleverd, is de volledige tijdsinvestering toch gefactureerd. Door de houding van verweerder zijn de zaken (dwangsommen) van klager verjaard, wat voor klager materiële schade heeft opgeleverd en waardoor hij een procesmatige achterstand heeft opgelopen. Verweerder heeft klager niet geïnformeerd over - en geen actie ondernomen na -  twee uitstelverzoeken door de wederpartij. Pas toen klager zelf contact opnam met de rechtbank en bezwaar maakte is door verweerder gereageerd. Tijdens een zitting bij het gerechtshof nam verweerder nauwelijks het woord, waardoor klager zich feitelijk niet bijgestaan voelde tegenover de wederpartij. Na eerdere klachten is eenmaal een dubbele factuur gecorrigeerd, maar toezeggingen tot correctie in andere gevallen zijn niet nagekomen.  

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
4.2    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3    Voor zover de klacht ziet op de hoogte van de door verweerder in rekening gebrachte bedragen, overweegt de voorzitter dat het niet aan de raad is om daar over te oordelen. Dergelijke geschillen dienen aan de Geschillencommissie advocatuur of aan de civiele rechter te worden voorgelegd. Voor zover de klacht daarop ziet zal de voorzitter de klacht voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren met toepassing van artikel 46g lid 3 onder b Advocatenwet.  
4.4    Ten aanzien van de klachtonderdelen die zien op de kwaliteit van dienstverlening ziet de voorzitter in het klachtdossier geen aanwijzingen dat verweerder daarin tekort is geschoten en hem dienaangaande een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Zo maakt de voorzitter uit de in het klachtdossier aanwezige correspondentie niet op dat die van de zijde van verweerder overmatig is geweest of geen toegevoegde waarde had, zoals klager stelt. Verweerder heeft adequaat gereageerd op de berichten, verzoeken en directieven van de zijde van klager en heeft ook overigens berichten en brieven gezonden waarvan niet kan worden gezegd dat die niet ter zake dienend zijn geweest. 
4.5    Ook ten aanzien van de (correspondentie rondom de) facturatie ziet de voorzitter geen tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze. Op vragen van klager over bepaalde facturen is door de boekhouder van het kantoor antwoord gegeven. Van dubbele facturatie is  geen sprake; er is hooguit een enkele keer tijd geschreven in het kort-geding dossier in plaats van het dossier betreffende de bodemzaak. De facturen waren verder gespecificeerd en per zaak uitgesplitst, zoals ook blijkt uit de in het klachtdossier aanwezige declaraties. Een klachtgesprek van twee en een half uur is door verweerder blijkens een e-mailbericht van 6 augustus 2025 juist niet in rekening gebracht. Dat er, zoals klager stelt, andere klachtgesprekken wel in rekening zijn gebracht blijkt niet uit het dossier. Bovendien, zo dit wel het geval zou zijn, is dit als zodanig geen tuchtrechtelijk laakbare handeling, net zo min als het in rekening brengen van andere door verweerder verrichte werkzaamheden dat is. 
4.6    Het klachtonderdeel dat verweerder een opdracht zou hebben teruggegeven ziet er kennelijk op dat  verweerder klager ten aanzien van het executeren van dwangsommen heeft doorverwezen naar de deurwaarder. Verweerder had klager geadviseerd dat het niet zinvol was om dwangsommen te executeren, omdat die niet verbeurd waren. Niettemin wilde klager dat later toch doorzetten en heeft verweerder klager doorverwezen naar de deurwaarder. Ook dit is niet een tuchtrechtelijk verwijtbare handeling van verweerder. 
4.7    Ten aanzien van het klachtonderdeel over een onvolkomenheid in het roljournaal is niet duidelijk wie dat nu heeft aangekaart bij de rechtbank; klager zelf of het kantoor van verweerder. Hoe dan ook is de omissie in het roljournaal hersteld en niet valt in te zien welk tuchtrechtelijk verwijt verweerder hier kan worden gemaakt. 
4.8    Ten aanzien van de overige klachtonderdelen, het geen regie voeren, gebrek aan initiatief en passieve houding tijdens een mondelinge behandeling na aanbrengen blijkt niets uit het klachtdossier. De voorzitter is, gelet op de in het klachtdossier aanwezige stukken, van oordeel dat verweerder te werk is gegaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de voorzitter niet gebleken.
4.9    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, voor zover die niet ziet op de hoogte van (een) declaratie(s), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, voor zover die betrekking heeft op de hoogte van (een) declaratie(s), met toepassing van artikel 46g, lid 3 onder b Advocatenwet, niet-ontvankelijk;

-    de klacht voor het overige met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.