ECLI:NL:TADRSGR:2026:146 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-565/DH/DH/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:146 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-07-2026 |
| Datum publicatie: | 13-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-565/DH/DH/D |
| Onderwerp: | Artikel 60 b e.v., subonderwerp: Artikel 60 b Advocatenwet |
| Beslissingen: | 60b |
| Inhoudsindicatie: | Verzoek artikel 60ab en 60b van de Advocatenwet. Verweerder heeft er blijk van gegeven zijn praktijk al een langere periode niet behoorlijk uit te (kunnen) oefenen. Zo hebben zijn cliënten en kantoorgenoten langdurig geen contact met hem kunnen leggen en is hij meermaals niet op zittingen verschenen. Afspraken met de deken over de gesignaleerde praktijkvoering hebben niet geleid tot verbetering. Toewijzing verzoek artikel 60b van de Advocatenwet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 8 juli 2026 in de
zaak 26-565/DH/DH/D
naar aanleiding van het verzoek op grond van artikel 60ab dan wel artikel 60b van
de Advocatenwet van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
deken
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 juli 2026 heeft de deken een verzoek op grond van artikel 60ab dan wel
artikel 60b van de Advocatenwet ingediend over verweerder.
1.2 Het verzoek is achter gesloten deuren behandeld op de zitting van de raad
van 25 maart 2026. Daarbij was de deken aanwezig, bijgestaan door haar stafjurist.
Verweerder is niet verschenen, ondanks dat hij op de juiste wijze is opgeroepen en
er ook diverse pogingen zijn gedaan om hem telefonisch te bereiken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het dossier en de
op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder is een strafrechtadvocaat. Eind november 2025 heeft de rechtbank
Den Haag een signaal over verweerder verstuurd aan de Raad van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag. Verweerder had namelijk een last tot toevoeging ontvangen
voor de rechtsbijstand aan een kwetsbare verdachte, maar is zonder kennisgeving niet
ter zitting verschenen. De verdachte was wel aanwezig op de zitting, maar heeft verklaard
geen contact te hebben gehad met verweerder.
2.3 De waarnemend deken heeft verweerder naar aanleiding van dit signaal uitgenodigd
voor een gesprek. Nadat de afspraak diverse keren is verzet wegens ziekte en andere
afwezigheid van verweerder, heeft op 23 maart 2026 een gesprek plaatsgevonden tussen
de waarnemend deken en verweerder. Verweerder heeft tijdens dit gesprek zijn persoonlijke
omstandigheden toegelicht, waaronder dat hij met depressieve gevoelens zou kampen.
Er is afgesproken dat na drie maanden contact zou worden opgenomen met verweerder
om te kijken hoe het met hem gaat.
2.4 Eind mei 2026 heeft de waarnemend deken een signaal ontvangen van de kantoorgenoten
van verweerder. De kantoorgenoten konden verweerder meerdere weken niet bereiken en
hebben ook enkele keren onverwachts een zaak voor hem moeten waarnemen, waaronder
een raadkamer jeugd, een OM-hoorzitting en een V-tul. De waarnemend deken heeft verweerder
hierop meermaals en zonder succes telefonisch en schriftelijk geprobeerd te benaderen.
Er is vervolgens een voornemen tot het indienen van een verzoek op grond van artikel
60b van de Advocatenwet aangekondigd. Er heeft daarna wel contact plaatsgevonden tussen
de waarnemend deken en verweerder. Verweerder heeft in dat gesprek aangegeven geen
oproepingen te hebben gezien voor de zittingen, maar dat hij dit wel had moeten of
kunnen weten en daarvoor de verantwoordelijkheid neemt. Er is vervolgens afgesproken
dat verweerder zijn waarneming goed zou regelen, hij goed bereikbaar zou zijn, extra
alert zou zijn op zittingen en dat hij zijn waarnemende kantoorgenoten de toegang
tot zijn dossiers zou verschaffen.
2.5 Op 24 juni 2026 hebben de kantoorgenoten van verweerder de deken geïnformeerd
over hun voornemen om de samenwerking met verweerder per 1 augustus 2026 te beëindigen,
omdat hij zijn afspraken over waarneming, agendabeheer, de toegang tot zijn dossiers
en zijn bereikbaarheid niet nakwam. Ook heeft verweerder zijn kantoorbijdrage niet
betaald. Ondanks verzoeken van de deken en waarnemend deken aan de kantoorgenoten
om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verweerder, hebben de
kantoorgenoten vastgehouden aan het besluit tot beëindiging van de samenwerking.
2.6 Op 30 juni 2026 heeft de deken een signaal ontvangen dat verweerder wederom
een zitting heeft gemist, in dezelfde zaak waarin hij eerder niet was verschenen bij
de raadkamer jeugd. De minderjarige verdachte heeft geen contact kunnen krijgen met
verweerder.
2.7 Namens de deken is diezelfde dag aan verweerder medegedeeld dat een schorsingsverzoek
op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet zou worden ingediend.
2.8 Op 1 juli 2026 heeft de deken onderhavig verzoek op grond van artikel 60ab
dan wel 60b van de Advocatenwet ingediend. Gelijktijdig is een dekenbezwaar ingediend.
3 VERZOEK
3.1 Volgens de deken is sprake van een ernstig vermoeden dat door het handelen
dan wel nalaten van verweerder de door artikel 46 van de Advocatenwet beschermde belangen
ernstig zijn geschaad dan wel dreigen te worden geschaad. De deken wijst erop dat
de continuïteit van de rechtsbijstand niet is gewaarborgd, terwijl verweerders cliënten
het risico lopen dat hun belangen onvoldoende worden behartigd. Verweerder heeft meerdere
(hoor)zittingen zonder bericht van verhindering niet bijgewoond en komt zijn afspraken
stelselmatig niet na.
3.2 Ook is volgens de deken sprake van een situatie als bedoeld in artikel 60b
van de Advocatenwet. De structurele onbereikbaarheid, het stelselmatig niet nakomen
van afspraken en het uitblijven van een deugdelijke waarnemingsregeling maken volgens
de deken dat de praktijkvoering niet langer op verantwoorde wijze plaatsvindt. Hoewel
de deken rekening heeft willen houden met de persoonlijke omstandigheden van verweerder
en aanvankelijk heeft gekozen voor een minder ingrijpende benadering, heeft dit niet
geleid tot verbetering en acht de deken een schorsingsverzoek noodzakelijk om de belangen
van cliënten en een zorgvuldige praktijkuitoefening te waarborgen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de deken.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 In deze beslissing beoordeelt de raad zowel het artikel 60ab-verzoek als
het artikel 60b-verzoek. De raad gebruikt daarbij de hierna te noemen toetsingskaders.
5.2 Voor het verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet:
Artikel 60ab Advocatenwet bepaalt dat de raad op verzoek van de deken een advocaat,
jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig
door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang is geschaad of dreigt te worden geschaad,
met onmiddellijke ingang kan schorsen in de uitoefening van de praktijk of een voorlopige
voorziening met betrekking tot diens praktijkuitoefening kan treffen, indien enig
door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang dit vergt.
5.3 Voor het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet:
Op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet kan de raad op verzoek van de
deken advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft zijn praktijk behoorlijk
uit te kunnen oefenen, voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk schorsen
dan wel een of meer voorzieningen met betrekking tot de praktijkuitoefening van de
betrokken advocaat treffen die hij geboden acht. De raad kan tegelijkertijd met het
opleggen van een schorsing een voorziening treffen.
Beoordeling
5.4 Verweerder heeft er blijk van gegeven zijn praktijk al een langere periode
niet behoorlijk uit te (kunnen) oefenen. Zo hebben zijn cliënten en kantoorgenoten
langdurig geen contact met hem kunnen leggen en is hij meermaals niet op zittingen
verschenen. Hoewel er na vele inspanningen van de (waarnemend) deken afspraken zijn
gemaakt met verweerder over de gesignaleerde problemen in zijn praktijkvoering, heeft
dit niet geleid tot verbetering. Ook daarna heeft verweerders bereikbaarheid te wensen
overgelaten. In het kader van deze procedure heeft de raad in het geheel geen contact
kunnen leggen met verweerder. Dat baart de raad grote zorgen, niet in de laatste plaats
vanwege verweerders persoonlijke gesteldheid. De raad ziet in het voorgaande reden
om het verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet toe te wijzen. De raad
zal verweerder onmiddellijk voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk
schorsen. De raad ziet geen mogelijkheid om te volstaan met een minder vergaande maatregel,
zoals het treffen van een voorziening, omdat in het geheel geen contact met verweerder
mogelijk is gebleken.
5.5 De deken heeft de schorsing primair verzocht op grond van artikel 60ab Advocatenwet.
De raad heeft, mede vanwege het feit dat verweerder niet heeft gereageerd, niet kunnen
vaststellen dat aan de voorwaarden voor toewijzing van het verzoek op grond van artikel
60ab van de Advocatenwet is voldaan. De raad heeft daarentegen wel kunnen vaststellen
dat in ieder geval is voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van het verzoek op
grond van artikel 60b van de Advocatenwet. Om deze reden zal de raad het subsidiaire
verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet toewijzen.
BESLISSING
De raad van discipline:
- wijst het verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet af;
- wijst het verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet toe en schorst
verweerder voor onbepaalde tijd in de uitoefening van zijn praktijk.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en H. Warendorp
Torringa, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 8 juli 2026.