ECLI:NL:TADRSGR:2026:145 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-353/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:145 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-06-2026 |
| Datum publicatie: | 24-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-353/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een geschil over een contractuele boete. Hoewel de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerders cliënt in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld, betekent dit niet automatisch dat verweerder daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Niet gebleken is dat verweerder bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden om de belangen van klaagster te schaden. Kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 24 juni 2026
in de zaak 26-353/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 21 april 2026 met kenmerk K178 2024 en van de op de
‘inventarislijst inhoudelijk’ genoemde bijlagen 03 tot en met 09 en op de ‘inventarislijst
procedureel’ bijlagen 1 tot en met 16.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft met haar wederpartij een zakelijk geschil over een onroerend
goed transactie. Die wederpartij wordt in dat geschil bijgestaan door verweerder.
1.2 In december 2023 is tussen de wederpartij (hierna: verkoper) en klaagster
en S. B.V. (de beide kopers) overeengekomen dat de kopers voor € 1.200.000,- een pand
zouden kopen. In de koopovereenkomst was een boetebeding opgenomen, inhoudende dat
indien een van partijen die overeenkomst niet na zou komen deze een boete van minimaal
tien procent van de koopsom aan de wederpartij zou verbeuren.
1.3 Door S. B.V. is gelijktijdig met het sluiten van voormelde koopovereenkomst
een (door)verkoopovereenkomst gesloten met M. B.V. betreffende datzelfde pand tegen
een koopsom van € 1.465.000,-. Eind december 2023 heeft M. B.V. klaagster en S. B.V.
echter te kennen gegeven het pand niet meer te willen afnemen, omdat M. B.V. door
de notaris was gewezen op het aanzienlijke prijsverschil. Daarop werkten klaagster
en S. B.V. ook niet meer mee aan de overdracht van het pand door de verkoper aan hen.
De verkoper heeft uiteindelijk op 8 februari 2021 de koopovereenkomst ontbonden en
aanspraak gemaakt op een contractuele boete van € 60.000,-.
1.4 Op 25 maart 2021 heeft de verkoper, op grond van een op 2 januari 2021 gesloten
koopovereenkomst, het betreffende pand overgedragen aan M. B.V. tegen een koopprijs
van € 1.250.000.
1.5 De verkoper heeft klaagster en S. B.V. op 23 mei 2023 gedagvaard en gevorderd
dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk
is ontbonden en om klaagster te veroordelen tot betaling van de contractuele boete
van € 60.000,-.
1.6 Op 29 november 2023 heeft in dat geschil bij de rechtbank Den Haag een mondelinge
behandeling plaatsgevonden en op 28 februari 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen.
1.7 In dat vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de verkoper de
koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden en is klaagster veroordeeld
tot betaling aan de verkoper van € 15.000,-.
1.8 In dat vonnis is onder meer het volgende overwogen (rechtsoverweging 4.9):
‘Door ten slotte ook nog na te laten in de dagvaarding melding te maken van de overdracht
van het pand aan [M. B.V.] voor een hoger bedrag, heeft [de verkoper] zijn verplichtingen
op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering geschonden.
In een zaak die in de kern genomen alleen gaat over de vraag of een boete verschuldigd
is, valt zonder meer te voorzien dat de omvang van de schade een belangrijke factor
zal vormen in een eveneens te voorzien subsidiair beroep op matiging. [De verkoper]
had dit in zijn domein liggend gegeven dan ook niet mogen achterhouden, ook omdat
de verkoop van zijn pand aan [M. B.V.] niet los stond van het feitencomplex zoals
zich dat bij de notaris had voltrokken. Al deze omstandigheden in ogenschouw genomen
is de rechtbank van oordeel dat een aanmerkelijke matiging van de boete op zijn plaats
is en wel tot een bedrag van € 15.000,-.’
1.9 Op 29 augustus 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
- Verweerder heeft in de dagvaarding cruciale informatie niet vermeld en deze
bewust achtergehouden en heeft daarmee bewust getracht de belangen van klaagster te
schaden.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De vraag die in deze tuchtprocedure voorligt is of verweerder door het niet
vermelden in de processtukken van de latere verkoop door verkoper aan M. B.V. tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld.
4.2 De voorzitter stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat de klacht
betrekking heeft op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klaagster.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een ruime
mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als
hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is echter niet absoluut, en
kan onder andere beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend
mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan
hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging
van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig
mag schaden zonder redelijk doel.
4.3 Hoewel de rechtbank heeft geoordeeld dat de verkoper in strijd met artikel
21 Rv heeft gehandeld door de doorverkoop aan M. B.V. niet in de processtukken te
vermelden, betekent dit niet automatisch dat verweerder, als de advocaat van de verkoper,
daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarvoor is onder meer noodzakelijk
dat de betreffende advocaat willens en wetens onjuiste of onvolledige informatie verstrekt.
De klacht ziet er bovendien op dat verweerder dit dan gedaan zou hebben om bewust
de belangen van klaagster de schaden. Uit het klachtdossier is de voorzitter niet
gebleken dat verweerder bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden om daarmee
de belangen van klaagster te schaden. Bovendien heeft verweerder ook betwist dat zulks
het geval is geweest, zodat dit niet komt vast te staan. Verweerder heeft toegelicht
waarom die informatie niet in de dagvaarding is opgenomen. Daarin heeft verweerder
namelijk als grond van de vordering de nadruk gelegd op de vraag of de kopers (klaagster
en S. B.V.) tekort waren geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, waarbij
verweerder geen aandacht heeft besteed aan de latere verkoop aan M. B.V. Die koopovereenkomst
is overigens ten behoeve van de mondelinge behandeling bij de rechtbank door verweerder
nog wel in het geding gebracht en is ook meegewogen in het oordeel.
4.4 In haar repliek lijkt klaagster nog een aantal aanvullende klachtonderdelen
te formuleren. Zo wordt gesteld dat verweerder zou hebben gefaald in het naleven van
zijn continue educatieplicht. Deze blote stelling wordt echter op geen enkele wijze
onderbouwd, zodat de voorzitter daaraan voorbij gaat. Verder stelt klaagster dat verweerder
de advocateneed zou hebben geschonden door geen ‘getrouwe bijstand’ te verlenen als
gevolg van het achterhouden van cruciale informatie. Voor zover dat als separaat klachtonderdeel
moet worden beschouwd, valt dit onder de hoofdklacht zoals hiervoor onder 2 vermeld
en die is hiervoor al beoordeeld. Ook zou verweerder excessief laat op de klacht hebben
gereageerd, wat een efficiënte afhandeling van de tuchtprocedure zou belemmeren. Ook
dat wordt niet nader onderbouwd. Uit het klachtdossier blijkt dat aan verweerder door
het ordebureau uitstel is verleend voor het indienen van een reactie om medische redenen.
Niet valt in te zien wat aan de afhandeling van de onderhavige tuchtprocedure niet
efficiënt is. In haar repliek verwijst klaagster verder naar diverse jurisprudentie,
waarvan bij controle een aantal van de genoemde uitspraken helemaal niet blijkt te
bestaan en wel bestaande uitspraken zijn niet relevant. Die verwijzingen kunnen klaagster
dan ook niet baten. Het heeft er de schijn van dat het repliek aan de hand van een
AI-tool is opgemaakt, waardoor deze ongefundeerde stellingen en niet bestaande jurisprudentie
bevat.
4.5 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 juni 2026