ECLI:NL:TADRSGR:2026:143 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-586/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:143 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 24-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-586/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 juni 2026
in de zaak 25-586/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 5 november 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 29 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K024 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 5 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze
beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 2 december 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij
waren klager en zijn vrouw aanwezig. Verweerster is – met bericht van afwezigheid
– niet verschenen.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen
van klager van 16 december 2025.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager stelt dat de voorzitter de feiten onvoldoende en onvolledig heeft verwoord
c.q. bevat de opsomming diverse onvolkomenheden. Klager wijst met betrekking tot de
feiten concreet op:
- Randnummer 1.2 waarin het gaat over een second opinion door een andere jurist
van ARAG. Klager stelt dat dit feitelijk onjuist is en dat de second opinion door
verweerster was.
- Randnummer 1.11 waarin staat dat klager de klacht op 19 januari 2025 heeft
ingediend en op 24 januari 2025 verder heeft toegelicht. Klager stelt dat hij zijn
klacht al op 29 december 2024 kenbaar heeft gemaakt.
2.2 Klager stelt verder dat de voorzitter bij de beoordeling een onjuiste, eenzijdige
en onvolledige afweging heeft gemaakt c.q. dat klagers belangen en argumenten onvoldoende
in ogenschouw genomen. Verder heeft de voorzitter geweigerd klager te horen, terwijl
klager daar diverse malen expliciet om heeft verzocht.
2.3 Tegen de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter en naar wat daarover hierna (onder 4.2) is overwogen.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Het is
de raad niet gebleken dat de voorzitter onjuiste feiten heeft opgenomen. Met betrekking
tot randnummer 1.2 overweegt de raad dat verweerster geen second opinion heeft gegeven,
maar een bindend advies. Daarvoor was al een (interne) second opinion uitgebracht
door een jurist van ARAG, zo schrijft klager in zijn brief van 10 mei 2024 aan de
landelijk deken. Daarmee is hetgeen onder randnummer 1.2 van de voorzittersbeslissing
niet onjuist. Wat betreft de datum van de indiening van de klacht, geldt dat de voorzitter
mocht uitgaan van het moment van indiening van het webformulier. Welke feiten ontbreken,
heeft klager niet geconcretiseerd. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Wat betreft de beoordeling van de voorzitter, geldt dat de raad niet is gebleken
dat de voorzitter een onjuiste, eenzijdige en/of onvolledige afweging heeft gemaakt
c.q. dat klagers belangen en argumenten onvoldoende in ogenschouw zijn genomen. Dat
kan op grond van het klachtdossier niet worden vastgesteld. De raad heeft in redelijkheid
geen twijfel of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.4 Dat de voorzitter klager niet heeft gehoord, kan evenmin tot gegrond verzet
leiden. De voorzitter kan op grond van artikel 46j van de Advocatenwet besluiten dat
een klacht kennelijk ongegrond is. In dat geval is er geen grond om partijen te horen.
4.5 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en M.M. van Wijk , leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026