ECLI:NL:TADRSGR:2026:142 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-501/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:142 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 24-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-501/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 juni 2026
in de zaak 25-501/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 1 oktober 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. D.J.G. Timmermans
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 29 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K014 2025 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 1 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 31 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij
waren klager en de gemachtigde van verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust niet kan verenigen.
Klager stelt dat de beslissing is gebaseerd op een onjuiste toepassing van de toetsingsnorm
met betrekking tot de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de advocaat. De essentie
van het tuchtrechtelijk verwijt is niet de betalingsverplichting zelf, maar de verantwoordelijkheid
van de advocaat die optreedt als gemachtigde voor de naleving van de uitspraak door
zijn cliënt en de zorgvuldigheid die hij daarbij in acht neemt jegens de wederpartij
en de rechtspleging. Het gaat om een professionele verantwoordelijkheid van de advocaat,
ongeacht of hij zelf, dan wel zijn cliënt, de veroordeelde partij is.
2.2 Klager stelt verder dat de voorzitter een cruciale klacht in het geheel niet
heeft behandeld. Klachtonderdeel 1.2 stelt expliciet dat het handelen van verweerder
in strijd is met gedragsregel 6.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
(verder) niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Anders
dan klager stelt, heeft de voorzitter in zijn beslissing geen (cruciale) klachten
onbehandeld gelaten. In de klacht van 12 januari 2025 wordt niet over gedragsregel
6 gesproken. De aanvulling van 13 maart 2025, waarin dit zou zijn opgenomen, is geen
onderdeel van het klachtdossier. Dit leidt daarom niet tot gegrond verzet.
4.3 De raad is van oordeel dat de voorzitter terecht heeft geoordeeld dat niet
verweerder, maar het College voor de Rechten van de Mens (zijn cliënt) het griffierecht
diende te vergoeden. Verweerder dient zijn cliënt erop te wijzen dat die het griffierecht
moet betalen, maar verweerder is niet zelf verantwoordelijkheid voor de betaling.
Het uitblijven van betaling kan niet aan verweerder worden verweten. Een beroep op
gedragsregel 6 maakt dit niet anders. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden
betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026