We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:141 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-588/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:141
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 24-06-2026
Zaaknummer(s): 25-588/DH/DH
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 juni 2026
in de zaak 25-588/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 29 oktober 2025 op de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 16 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 29 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K210 2024 van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 29 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) klachtonderdeel a wegens overschrijding van de klachttermijn niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdeel b kennelijk ongegrond verklaard. 
1.4    Op 12 november 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. 
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. 

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klaagster zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust niet kan verenigen. Klaagster stelt dat de voorzitter is uitgegaan van onjuiste en onvolledige feiten, een te beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 46g lid 2 Advocatenwet, de zorgplicht van verweerder als cassatieadvocaat onvoldoende heeft getoetst en de kern van klachtonderdeel b (het ontbreken van transparantie over de verzekeraar) onbesproken heeft gelaten.
2.2    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet (concreet) op.

3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING
4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Klaagster stelt dat de voorzitter is uitgegaan van onjuiste en onvolledige feiten, maar maakt niet concreet welke feiten onjuist zijn en/of ontbreken. 
4.3    Klaagster stelt verder dat de voorzitter een te beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 46g lid 2 Advocatenwet. De raad overweegt dat klaagster op of rond 11 april 2014 kennis heeft genomen van het (negatieve) cassatieadvies van verweerders (toenmalig) kantoorgenoot. Zij wist daarmee dat (zonder nadere actie) geen cassatieberoep zou worden ingesteld en dat daarmee de beschikking van het gerechtshof (met daarin een beslissing over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap) onherroepelijk zou worden. Zij wist overigens ook toen al dat verweerder formeel de opdrachtnemer was. Klaagster heeft dan ook niet binnen de klachttermijn van drie jaar geklaagd. De enkele vermelding in de beschikking van 1 februari 2022 van het gerechtshof dat tegen de beschikking van 22 januari 2014 geen cassatie is ingesteld, maakt dat niet anders. Klaagster was al in 2014 bekend met zowel het gewraakte handelen als de gevolgen van dat handelen, te weten dat geen cassatie zou worden ingesteld en de beslissing van het gerechtshof daarmee onherroepelijk zou worden. De raad is met de voorzitter van oordeel dat klaagster geen beroep op artikel 46g lid 2 Advocatenwet toekomt. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 
4.4    Dat de deken de klacht in 2024 inhoudelijk heeft onderzocht, doet aan dit alles niet af. De tuchtrechter is niet gebonden aan het standpunt van de deken, maar beoordeelt klachten zelfstandig. 
4.5    De raad is verder met de voorzitter van oordeel dat verweerder, na de aansprakelijkstelling door klaagster in 2023, aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Ook daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 
4.6    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2026.


Griffier                    Voorzitter

Verzonden op: 22 juni 2026