ECLI:NL:TADRSGR:2026:139 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-318/DH/DH 26-320/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:139 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-06-2026 |
| Datum publicatie: | 17-06-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een geschil met de Staat. Het gegeven dat er een verschil bestaat tussen de door verweersters en de door klaagster ingediende e-mail is op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat het door verweersters ingediende stuk vervalst is én dat verweerster opzettelijk een vervalt stuk hebben ingediend. De voorzitter kan niet vaststellen dat sprake is gewest van het opzettelijk inbrengen van een vervalste productie. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 17 juni 2026
in de zaken 26-318/DH/DH en 26-320/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: [D]
over:
1. mr. […] (26-318/DH/DH)
2. mr. […] (26-320/DH/DH)
verweersters
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brieven van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 14 april 2026 met kenmerk K 256 2025 en K235 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is verwikkeld (geweest) in een gerechtelijke procedure met de Staat
(VWS/IGJ).
1.2 Verweersters staan de Staat bij. Zij hebben op 16 juni 2025 een memorie van
antwoord met producties ingediend, waaronder productie 9. Deze productie betreft een
e-mail van 8 december 2020 van de KNMP aan de IGJ (verzonden om 10:39 uur). In deze
e-mail staat:
“Er zijn verschillende doorgeleverde bereidingen aangemeld voor de G-standaard.”
1.3 Klaagster heeft bij akte van 25 augustus 2025 producties ingediend bij het
gerechtshof, waaronder productie B33. Onderdeel van die productie is een e-mail van
8 december 2020 van de KNMP aan de IGJ (verzonden om 10:39 uur). In deze e-mail staat:
“Er zijn verschillende doorgeleverde bereidingen aangemeld voor de G-standaard;
eerder heb ik van uw collega begrepen dat de DB’s echter niet als oplossingsrichting
in aanmerking komen.”
De e-mail is verder gelijk aan de e-mail zoals door verweersters als productie 9
ingediend.
1.4 Op 16 september 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweersters.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweersters tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweersters hebben tijdens de zitting op 9 september 2025 opzettelijk vervalste
bewijsstukken ingediend om het gerechtshof te misleiden.
Klaagster wijst op het door verweersters als productie 9 ingediende stuk. In deze
productie eindigt het document met een afsluitende punt na de woorden “voor de G-Standaard”.
Klaagster heeft ditzelfde document, maar dan verkregen uit een WOO, ook ingediend
als bewijsstuk (productie B33). Hierin is duidelijk te zien dat de zin wel degelijk
verderloopt met een puntkomma en een verdere – voor het hoger beroep – essentiële
zin. Klaagster stelt dat de door verweersters ingebrachte productie opzettelijk is
vervalst.
3 VERWEER
3.1 Verweersters hebben tegen de klacht verweer gevoerd. Zij hebben toegelicht
dat zij ter zitting hebben aangegeven het verschil tussen de e-mails niet te kunnen
verklaren. Naar aanleiding van de verwijten hebben zij vastgesteld dat er twee e-mails
zijn van de KNMP aan de IGJ, op dezelfde datum en hetzelfde tijdstip verzonden met
nagenoeg dezelfde inhoud. Pas ter zitting is dit verweersters duidelijk geworden.
Verweersters vinden het vervelend dat het zo gelopen is, maar van het door hen opzettelijk
indienen van vervalste bewijsstukken is absoluut geen sprake. Verweersters hebben
in de procedure overigens geen standpunten gebaseerd op de desbetreffende passage.
3.2 Verweersters hebben verder toegelicht dat navraag is gedaan bij de IGJ. In
de Dienstpostbus van de IGJ is de e-mail met en zonder zinsnede aangetroffen. De IGJ
heeft aangegeven dat zij geen verklaring voor deze discrepantie heeft kunnen vinden.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
bijvoorbeeld niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten
er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen
juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van
die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te
wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel
dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Duidelijk is dat er een verschil bestaat tussen de door verweersters en de
door klaagster ingediende e-mail van 8 december 2020, terwijl de inhoud verder gelijk
is. Dat gegeven is op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat het door verweersters
ingediende stuk vervalst is én dat verweersters opzettelijk een vervalst stuk hebben
ingediend. Zelfs als ervan wordt uitgegaan – wat niet kan worden vastgesteld – dat
de door verweersters ingediende e-mail vervalst is, kan nog niet worden vastgesteld
dat verweersters dat wisten en dat zij dat stuk toch hebben ingediend. Verweersters
zijn weliswaar verantwoordelijk voor het in het geding brengen van de stukken, maar
dat maakt hen niet automatisch ook verantwoordelijk voor de juistheid van die stukken.
De advocaat mag afgaan op de juistheid van de van de cliënt verkregen informatie.
Hoewel duidelijk is dat er een onverklaarbaar verschil bestaat in de (volledigheid
van de) tekst tussen de producties kan op basis daarvan ook niet worden gezegd dat
het gaat om een zodanig verschil of een zodanige tekst dat verweersters de door hun
cliënt aangeleverde productie reeds om die reden op haar juistheid of volledigheid
hadden moeten onderzoeken alvorens die in de procedure in te brengen. De voorzitter
kan al met al niet vaststellen dat sprake is geweest van het opzettelijk inbrengen
van een vervalste productie door verweersters. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 juni 2026