ECLI:NL:TADRSGR:2026:138 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-059/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:138 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 17-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-059/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een familierechtelijk geschil. Verweerster heeft geen verweerschrift ingediend en heeft niet tijdig gereageerd op een hulpvraag van de cliënt. Klachten gegrond. Overige klachten onvoldoende onderbouwd en daarom ongegrond. Ondanks dat verweerster al geschrapt is, ziet de raad aanleiding een berisping op te leggen. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 15 juni 2026
in de zaak 26-059/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 december 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 22 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026/007
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 4 mei 2026. Klaagster
heeft digitaal deelgenomen aan de zitting. Verweerster heeft fysiek deelgenomen aan
de zitting.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 13. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de aanvullende stukken van klaagster van 9 februari 2026, 3 maart 2026 en 19 april
2026 en van verweerster van 8 februari 2026
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Tussen klaagster en haar ex-partner loopt een geschil over hun zoon. Klaagster
is daarin bijgestaan door verweerster.
2.3 Bij beschikking van 17 maart 2025 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling
bepaald, in zin dat de ex-partner de zoon een dag in het weekend bij zich heeft en
dat de moeder van de ex-partner daarbij aanwezig dient te zijn. In de beschikking
wordt niet vermeld dat door verweerster een verweerschrift is ingediend namens klaagster.
2.4 Op 22 maart 2025 heeft klaagster de beschikking via WhatsApp ontvangen van
haar ex-partner, die afspraken wilde maken over het ophalen van de zoon volgens de
voorlopige omgangsregeling. Klaagster heeft verweerster vervolgens medegedeeld daar
niets van te weten, er niet akkoord mee te zullen gaan en om hulp gevraagd.
2.5 Op 28 maart 2025 heeft verweerster de beschikking doorgestuurd aan klaagster.
Verweerster heeft niet gereageerd op klaagsters vragen van 22 maart 2025.
2.6 Bij mondelinge uitspraak van 9 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter klaagster
veroordeeld tot nakoming van de voorlopige omgangsregeling.
2.7 In juni 2025 heeft verweerster haar werkzaamheden voor klaagster neergelegd.
2.8 Bij beslissing van 10 april 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:107) is aan verweerster
de (onherroepelijke) maatregel van schrapping opgelegd.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van
17 maart 2025 geen verweerschrift ingediend;
b) Verweerster heeft op de zitting onvoldoende gepleit voor de veiligheid van
klaagsters kind en heeft haar minimaal het woord gegeven op de zitting. De facturen
heeft verweerster wel snel verstuurd;
c) Verweerster heeft klaagster ervan verzekerd dat er geen omgang zou plaatsvinden
anders dan door het Omgangshuis, terwijl er is geoordeeld dat de omgang kon plaatsvinden
onder het toezicht van de moeder van de ex-partner;
d) Verweerster heeft de beschikking pas na weken en op verzoek van klaagster
doorgestuurd, die de beschikking al via haar ex-partner had ontvangen;
e) Verweerster heeft niets gedaan met de informatie en het bewijs van klaagster
dat de ex-partner vooral leugens vertelde aan zijn advocaat.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.2 De raad stelt vast dat in de beschikking van 17 maart 2025 niet is vermeld
dat er een verweerschrift is ingediend door verweerster. De raad moet het er dan ook
voor houden dat dit verweerschrift niet is ingediend. Verweerster heeft ook niet aangetoond
dat zij het verweerschrift wél heeft ingediend, terwijl het juist in haar macht lag
om een verzend- of ontvangstbevestiging daarvan te overleggen. Klachtonderdeel a)
is gegrond.
Klachtonderdeel d)
5.3 Hoewel verweerster terecht betwist dat zij de beschikking niet weken later
heeft doorgezonden aan klaagster, stelt de raad vast dat verweerster de beschikking
pas op 28 maart 2025 aan klaagster heeft doorgezonden. Verweerster heeft toegelicht
dat zij de beschikking op 27 maart 2025 per post heeft ontvangen. Dat laat onverlet
dat klaagster al een week daarvoor navraag had gedaan over die beschikking en daarbij
om hulp vroeg. Van verweerster kon worden verwacht dat zij daarop voortvarend had
gereageerd en klaagster van bijstand had voorzien. Niet gebleken is dat zij dat heeft
gedaan. Zo wordt er door verweerster bij het doorsturen van de beschikking op 28 maart
2025 met geen woord gerept over klaagsters e-mail van 22 maart 2025. Verweerster heeft
daarmee niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat
kon worden verwacht. Klachtonderdeel d) is gegrond.
Klachtonderdelen b), c) en e)
5.4 De raad is van oordeel dat deze klachtonderdelen door klaagster onvoldoende
zijn onderbouwd met een feitelijke grondslag, terwijl de juistheid daarvan door verweerster
wordt betwist. De raad kan dan ook niet vaststellen of verweerster op die onderdelen
klachtwaardig heeft gehandeld. Deze klachten zijn daarom ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk
bekwaam advocaat mag worden verwacht, doordat zij heeft nagelaten om een verweerschrift
in te dienen in een procedure en niet tijdig heeft gereageerd op een hulpvraag van
haar cliënte.
6.2 De raad weegt het bepalen van de op te leggen maatregel mee dat verweerster
een uitgebreid tuchtrechtelijk verleden heeft. Hoewel verweerster inmiddels geen advocaat
meer is sinds zij onherroepelijk door de tuchtrechter is geschrapt, vormt dit voor
de raad geen reden om af te zien van het opleggen van een maatregel. Gelet op de ernst
van het verwijtbare handelen zal de raad een berisping opleggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a) en d) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen b), c) en e) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in overweging 7.3.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, M.M. van Wijk, W.R. Arema en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juni 2026