We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:134 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-706/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:134
Datum uitspraak: 15-06-2026
Datum publicatie: 17-06-2026
Zaaknummer(s): 25-706/DH/RO
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 15 juni 2026 in de zaak 25-706/DH/RO

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 17 december 2025 op de klacht van:

klaagster

over:

verweerster
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 26 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 17 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/097 van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 17 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4    Op 27 december 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 4 mei 2026. Daarbij waren klaagster, verweerster en de gemachtigde van verweerster aanwezig. 
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2    Klachtonderdeel a) is beoordeeld op een onzorgvuldige en te beperkte grondslag. De voorzitter heeft het oordeel gebaseerd op een beknopte samenvatting van de feiten, zonder voldoende acht te slaan op de uitgebreide schriftelijke rondes waarin de relevante feiten en argumenten uitvoerig uiteen zijn gezet en zijn onderbouw met bewijsstukken. In een voorzittersbeslissing mogen geen bewijsbeslissingen worden genomen; alleen een meervoudige kamer mag feitelijke geschillen beoordelen. Er had nader onderzoek moeten worden verricht;
2.3    De voorzitter heeft bij klachtonderdeel b) essentiële feiten en stellingen genegeerd. De voorzitter is eraan voorbijgegaan dat de tuchtklacht en de aangifte betrekking hadden op eerdere feiten en een eerdere periode, zoals vermeld in het appelschrift. Er heeft geen nader onderzoek plaatsgevonden;
2.4    Klachtonderdelen c) en d) gaan eraan voorbij dat essentiële onderdelen in het DNA-onderzoek ontbraken. Ook heeft verweerster onjuiste informatie over de zittingsdata en -planning gegeven, terwijl zij op de hoogte was van klaagsters beperking. De voorzitter heeft geen nader onderzoek gedaan;
2.5    De voorzitter heeft bij klachtonderdeel e) een innerlijk tegenstrijdig oordeel gegeven door te oordelen dat een hoger beroep alleen zinvol zou zijn geweest indien de betrouwbaarheid van een nieuw DNA-onderzoek met behulp van het NFO-rapport kon worden ondergraven, terwijl zij daarvoor geen argumenten zou hebben gehad. Verweerster beschikte wel degelijk over argumenten. De motivering van de voorzitter is niet controleerbaar en consistent;
2.6    De voorzitter heeft bij klachtonderdeel f) een innerlijk tegenstrijdig oordeel gegeven door te oordelen dat klaagster voldoende tijd had om van advocaat te wisselen in een complexe zaak, tijdens een vakantieperiode en kort voor de zitting terwijl aanwijzing door de deken noodzakelijk was. De voorzitter heeft geen nader onderzoek gedaan.
2.7    Tegen de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.

3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING
4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De voorzitter heeft kunnen volstaan met een zakelijke weergave van de relevante feiten uit het dossier. Niet is vereist dat alle feiten die partijen naar voren hebben gebracht, integraal in een beslissing moeten worden opgenomen. Het is de raad ook niet gebleken dat de voorzitter relevante feiten niet heeft meegewogen. Voor zover klaagster in dat verband betoogt dat er nader onderzoek had moeten worden verricht naar die feiten, geldt dat het in beginsel aan de klagende partij is om een klacht van voldoende feitelijke grondslag te voorzien in de onderzoeksfase bij de deken. Er hoeft dan ook niet in redelijkheid te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, M.M. van Wijk, W.R. Arema en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 15 juni 2026