We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:133 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-314/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:133
Datum uitspraak: 10-06-2026
Datum publicatie: 17-06-2026
Zaaknummer(s): 26-314/DH/DH
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de gezamenlijk echtscheidingsadvocaat. Klacht is voor wat betreft de bijstand destijds te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk. Klachten over het in 2025 niet reageren op verzoeken om uitleg en het niet inschakelen van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 10 juni 2026
in de zaak 26-314/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster
gemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri

over:

verweerster
gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 14 april 2026 met kenmerk K180 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerster heeft klaagster en haar man vanaf maart 2021 bijgestaan in de echtscheidingsprocedure. 
1.2    Bij beschikking van 23 juni 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen klaagster en de man uitgesproken en bepaald dat het door hen ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. 
In het ouderschapsplan is (in 7.1) opgenomen dat partijen overeenkomen dat zij elkaar geen bedrag voldoen als bijdrage in de verzorging en opvoeding van het kind (kinderalimentatie). 
1.3    Op 15 september 2021 is de echtscheidingsbeschikking van 23 juni 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 
1.4    Op 29 december 2023 heeft (de gemachtigde van) klaagster een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend, waarin is verzocht om de beschikking van 23 juni 2021 te wijziging in die zin dat de man aan klaagster een kinderalimentatie van € 528,- per maand dient te betalen. De man heeft geen verweer gevoerd.
1.5    Bij beschikking van 24 juni 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan klaagster als kinderalimentatie dient te voldoen een bedrag van € 528,- per maand, met ingang van 29 december 2023. 
1.6    Op 16 juni 2025 heeft de gemachtigde van klaagster een e-mail aan verweerster gestuurd, waarin hij schrijft dat het voor klaagster onduidelijk is op welke wijze verweerster de kinderalimentatie heeft berekend en op welke wijze het advies is gegeven om geen partneralimentatie te verzoeken. De gemachtigde van klaagster heeft gevraagd om het schriftelijk advies hierover.
1.7    Op 14 juli 2025 heeft de gemachtigde van klaagster de beschikking van 24 juni 2024 aan verweerster gestuurd. De gemachtigde van klaagster stelt dat klaagster als gevolg van de bepaling in  7.1 van het ouderschapsplan over een periode van twee jaar € 528,- niet heeft ontvangen. De gemachtigde schrijft verder dat klaagster stelt dat zij niet is geïnformeerd over de mogelijkheid om kinderalimentatie te verzoeken en dat zij niet in persoon is geadviseerd over het ouderschapsplan, maar alleen per telefoon contact heeft gehad met verweerster. De gemachtigde stelt namens klaagster dat sprake is van een beroepsfout door verweerster en verzoekt haar de misgelopen kinderalimentatie aan klaagster te voldoen ad € 528,-. De gemachtigde schrijft daarbij dat verweerster daarvoor haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar eventueel kan inschakelen en dat hij graag verneemt of er bereidheid is om de kwestie minnelijk te beslechten. 
1.8    Op 20  juli 2025 heeft de gemachtigde van klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende. 
a)    Verweerster heeft klaagster niet geïnformeerd over het onderwerp alimentatie.
b)    Verweerster heeft klaagster niet uitgenodigd op kantoor voor uitleg en/of toelichting. 
c)    Verweerster heeft niet gereageerd op verzoeken om uitleg met betrekking tot haar handelswijze. 
d)    Verweerster heeft haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar niet ingeschakeld nadat zij is geïnformeerd dat zij een beroepsfout heeft gemaakt c.q. aansprakelijk is gesteld. 
2.2    Klaagster stelt dat zij haar pas recentelijk is gebleken dat zij destijds bij de echtscheiding ook recht zou hebben op partner- en kinderalimentatie. Zij heeft binnen de gestelde termijn nadat zij bekend is geworden hiermee de klacht ingediend.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat de klacht niet- ontvankelijk dan wel ongegrond is. Verweerster heeft toegelicht dat klaagster en de man haar op 23 maart 2021 gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot het indienen van een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding. Op 23 juni 2021 is de echtscheiding uitgesproken en op 15 september 2021 ingeschreven. Verweerster stelt dat onjuist en ongeloofwaardig is dat klaagster pas recentelijk zou zijn gebleken dat zij destijds recht op alimentatie had. De alimentatiekwestie is in de contacten met klaagster en de man aan de orde geweest. Bovendien blijkt dat klaagster in december 2023 een verzoek tot kinderalimentatie heeft ingediend, zodat vanaf dat moment mag worden aangenomen dat zij bekend was met haar aanspraak op kinder- en partneralimentatie. Zij heeft vervolgens niet binnen de termijn van artikel 46g lid 2 Advocatenwet geklaagd. 
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Klachtonderdelen a) en b)
4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 
4.2    De klachtonderdelen a) en b) zien op verweersters bijstand aan klaagster en de man in de periode maart tot en met juni 2021. Die (inhoudelijke) bijstand was afgerond met de beschikking van de rechtbank van 23 juni 2021. De termijn voor het indienen van een klacht op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet is daarmee in ieder geval op 23 juni 2024 verstreken. Klaagster heeft de klacht echter pas op 20 juli 2025 ingediend. 
4.3    Klaagster stelt dat zij haar pas recentelijk is gebleken dat zij destijds ook rechts zou hebben gehad op partner- en/of kinderalimentatie. Zij maakt niet concreet hoe en wanneer precies haar dat gebleken is. De voorzitter is van oordeel dat klaagster in ieder geval in december 2023 daarmee bekend was, omdat op dat moment namens haar een verzoekschrift tot vaststelling van kinderalimentatie is ingediend bij de rechtbank. Met toepassing van artikel 46g lid 1 zou de termijn voor het indienen van een klacht in december 2024 verstreken zijn. Klaagster heeft de klacht pas daarna, op 20 juli 2025, ingediend. 
4.4    De klachtonderdelen a) en b) zijn dan ook te laat ingediend en daarmee niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling wordt daarom niet toegekomen.
Klachtonderdelen c) en d)
4.5    Deze klachtonderdelen zien op het door verweerster niet reageren op de e-mails van 16 juni 2025 en 14 juli 2025 en dat zij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar niet heeft ingeschakeld. 
4.6    De voorzitter overweegt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat verweerder op de twee e-mails heeft gereageerd. Verweerster heeft dit punt niet weersproken. De voorzitter houdt het er daarom voor dat verweerster inderdaad niet heeft gereageerd op de e-mails van 16 juni 2025 en 14 juli 2025. De voorzitter overweegt dat een advocaat niet per definitie verplicht is op een verzoek om uitleg te reageren. Hoewel een ontvangstbevestiging of reactie dat de advocaat zich niet gehouden acht inhoudelijk te reageren netjes is, handelt een advocaat niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar door niet op een dergelijk verzoek in te gaan. Het niet inschakelen van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar is in dit geval eveneens niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, nu de aansprakelijkstelling slechts een bedrag van € 528,- betreft. De beperkte omvang van het bedrag kan aanleiding zijn om af te zien van een beroep op die verzekering (onder meer vanwege de omvang van een eventueel eigen risico). Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de voorzitter niet gebleken. Deze klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    klachtonderdelen a) en b), met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk;
-    klachtonderdelen c) en d), met toepassing van artikel 46j, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 10 juni 2026