ECLI:NL:TADRSGR:2025:236 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-623/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:236 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-623/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht namens klaagster niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan een machtiging. Klacht van klager deels niet-ontvankelijk vanwege het verstrijken van de driejaarstermijn en deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan belang. Klacht over onnodig kwetsende uitlatingen wel ontvankelijk, omdat dit raakt aan klagers recht op bescherming van zijn eer en goede naam. Die klacht is echter kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 19 november 2025 in de zaak 25-623/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
en
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 11 september 2025 met kenmerk K159 2024 en van de
op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende
stukken van klager van 7 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
Procedure op Curaçao
1.1 Klager is eigenaar van het bedrijf [S]. Vanaf 2013 heeft een procedure plaatsgevonden
tussen [S] en [RI]. Verweerder heeft [RI] daarin bijgestaan. Bij vonnis van 14 mei
2018 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao geoordeeld dat [RI] in strijd
heeft gehandeld met haar verplichting van artikel 18c Rv om de feiten naar waarheid
aan te voeren.
Procedure in Den Haag
1.2 Klaagster is bij de rechtbank Den Haag een civiele procedure gestart tegen
[curator], de curator van [B] (hierna: [B]). Verweerder heeft [de curator], zijn kantoorgenoot,
in deze procedure bijgestaan als advocaat. Klager heeft daarin, naar eigen zeggen,
opgetreden als gevolmachtigde van klaagster.
1.3 Op 12 juni 2024 heeft verweerder een incidentele conclusie ex artikel 224
Rv ingediend. Daaruit volgt, voor zover van belang:
“(…) 2.2 Conform art. 224 lid 3 Rv stelt de Curator (zowel q.q. als pro se) de vordering
in vóór alle weren.
2.3 [Klaagster] heeft geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland. Zij
is naar eigen zeggen gevestigd op de Seychellen en haar UBO, [klager] (die voorheen
door het leven ging onder de naam [voormalige naam klager]), woont in Dubai. Daarmee
is voldaan aan de vereisten van art. 224 lid 1 Rv.”
Daarbij is als voetnoot 1 opgenomen:
“1 Waarschijnlijk heeft hij zich een andere naam aangemeten vanwege (publiciteit
rondom) zijn betrokkenheid bij een groot milieuschandaal in Texas en de strafrechtelijke
vervolging die daaruit resulteerde, waar hij aanvankelijk vervolging ontliep door
de Verenigde Staten te verlaten (zie [website]). Uiteindelijk is vervolging afgekocht
middels een regeling waarbij [klager] USD 3 miljoen boete accepteerde en een levenslang
beroepsverbod in Texas (zie [website]).”
Ook is in de conclusie opgenomen:
“3.1 (…) Gelet op het belang van de zaak en de te verwachten proceshandelingen is
een bedrag van EUR 43.570,- op zijn plaats. Daarbij speelt mee dat het hier gaat om
een eisende partij met een tamelijk kleurrijk verleden, die de afgelopen 2 jaar in
deze kwestie al 7 keer in het ongelijk is gesteld door de bevoegde rechters in Caribisch
Nederland.”
1.4 Op 18 december 2024 heeft verweerder een incidentele conclusie houdende exceptie
van onbevoegdheid ingediend. Daaruit volgt, voor zover van belang:
“2.3. De Curator trof bij zijn aantreden een vrijwel lege bankrekening aan. (…)
Om de olie af te voeren, moesten eerst substantiële reparaties worden verricht (…).
De boedel had daarvoor aanvankelijk geen geld. (…)
2.5. De Curator was echter niet de enige crediteur die verhaal zocht. GMC had ook
een executoriale titel en zij wist een deel van de resterende olie (de Olie) uit te
winnen. [Klaagster] kocht die Olie op 2 december 2021. Zij deed dat, terwijl zij op
basis van de veilingcondities en contacten vóór de veilig wist (a) dat de Curator
Retentierecht 1 op de Olie uitoefende, (b) dat een koper van de Olie net als PPSA
opslagkosten zou moeten blijven betalen (USD 260.000,- per maand) en (c) dat afvoer
van de Olie op dat moment zowel technisch als juridisch onmogelijk was vanwege het
ontbreken van een functionerend leidingtracé van en naar de betreffende opslagtank
(1907) én het laad- en losverbod. Die beperkingen – in combinatie met de Amerikaanse
sancties tegen Venezuela en de PDVSA-groep – maakten dat de Olie niet aantrekkelijk
was voor reguliere kopers en dat [klaagster] die kon kopen voor ANG 200.000 (ca. EUR
100.000, een paar procent van de marktwaarde).
(…)
2.7. Gelet op al deze procedures – waarbij de Staat en [naam] nooit betrokken zijn
geweest – is wel duidelijk waarom [klaagster] niet meer bij de bevoegde rechters in
Caribisch Nederland wil procederen. Die hebben de stellingen van [klaagster] over
de Vorderingen, de Retentierechten en de mogelijkheid de Olie af te voeren keer op
keer verworpen. Ook hebben zij geoordeeld dat [klaagster] de uitwinning van de Olie
moest gehengen en gedogen, waarbij werd overwogen dat [klaagster] een onbetrouwbare
partij was die zelfs persoonlijke bedreigingen uitte. Dat gaat overigens tot op de
dag van vandaag door. [Klaagster] hanteert onder leiding van [klager] – een man met
een gekleurd verleden13 – een intimidatietactiek. Hij stuurt de Curator en diens kantoorgenoten
dreigbrieven en -mails, hij verschijnt onaangekondigd op kantoor en hij dient allerlei
(tucht-)klachten in (ook tegen de rechter-commissaris). De Curator heeft recent besloten
de e-mailadressen van [klager] te blokkeren om dit enigszins een halt toe te roepen.
Ook heeft de Curator melding gedaan bij het Openbaar Ministerie, met het oog op een
aangifte als [klager] het nog bonter maakt.”
Daarbij is als voetnoot 13 opgenomen:
“[Klager] ging voorheen door het leven onder de naam [voormalige naam klager]. Onder
die naam stond hij als voortvluchtig gesignaleerd bij Interpol in verband met ernstige
milieudelicten, die uiteindelijk hebben geleid tot een forse boete en een levenslang
beroepsverbod ([websites]).”
Klachten bij de Bonairiaanse tuchtrechter
1.5 Op 29 juli 2024 heeft klager bij de Raad van Toezicht Advocatuur Bonaire
een klacht ingediend over verweerder op grond van de Advocatenwet BES. Ook heeft klager
een klacht ingediend tegen de curator en een andere kantoorgenoot van verweerder.
1.6 Op 12 augustus 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder
op grond van de Advocatenwet.
1.7 Op 31 januari 2025 heeft de Raad van Toezicht Advocatuur Bonaire de klacht
over de [RI]/[S]-procedure niet-ontvankelijk verklaard omdat de termijn van drie jaar
als bedoeld in artikel 46 van de (Nederlandse) Advocatenwet is verstreken. De Raad
van Toezicht heeft zich ten aanzien van de klacht over de civiele procedure bij de
rechtbank Den Haag onbevoegd verklaard.
Ook heeft de Raad van Toezicht Advocatuur Bonaire diezelfde dag beslist op de klacht
tegen de curator en verweerders kantoorgenoot. Daarin is onder meer overwogen:
“5.5.1. [De curator] en [kantoorgenoot] hebben in de civiele kortgedingprocedure
over de door klager verschuldigde opslagkosten aangevoerd dat de bestuurder van klager
op gewetenloze wijze zijn zaken drijft. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben
zij artikelen uit openbare bronnen in de procedure gebracht. Daaruit is op te maken
dat de bestuurder van klager in 2011 een bedrag van 3 miljoen USD heeft betaald in
verband met een schikking voor een milieudelict in de staat Texas in de VS. Een van
de bedrijven van de bestuurder van klager uit die tijd had dit milieudelict gepleegd.
In deze artikelen is ook te lezen dat de gemachtigde van klager na het milieuschandaal
zijn naam heeft veranderd en is gevlucht in verband met te verwachten claims in de
VS.
5.5.2. Binnen de gegeven context acht de Raad de uitlatingen over de bestuurder
van klager niet onnodig grievend of onwaar. Evenmin hebben [de curator] en [kantoorgenoot]
de belangen van klager zonder redelijk doel of onevenredig geschaad. Hierbij houdt
de Raad voor ogen dat klager geen uitvoering had gegeven aan de rechterlijke uitspraak,
waarbij klager was veroordeeld tot betaling van de opslagkosten van zijn olie. Gelet
hierop stond het [de curator] en [kantoorgenoot] vrij om het verzoek tot betaling
kracht bij te zetten door de bestuurder van klager als een onbetrouwbare zakenman
te bestempelen en daarvoor te wijzen op zijn betrokkenheid bij het milieuschandaal
in de VS. De Raad begrijpt dat de uitlatingen klager raken, maar dat maakt nog niet
dat V[de curator] en [kantoorgenoot] hierover een tuchtrechtelijk verwijt kan worden
gemaakt.”
Klager heeft tegen beide beslissingen hoger beroep ingesteld.
1.8 Op 17 februari 2025 heeft klager zijn klacht bij de deken aangevuld en mede
namens klaagster ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft cruciale informatie achtergehouden voor de rechtbank;
b) Verweerder heeft zich onnodig kwetsend uitgelaten over klager;
c) Verweerder heeft feiten vermeld waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten
dat zij in strijd waren met de waarheid;
d) Verweerder heeft de belangen van klager onnodig en onevenredig geschaad;
e) Verweerder heeft vanaf het begin het [B]-faillissement gemanaged en zijn ondergeschikten
aangestuurd welke acties moesten worden ondernomen om de [B]-boedel te exploiteren
en hoe de rechtszaken van klaagster moesten worden afgehandeld, onder meer met misleidende
foto’s van de [B]-terminal.
2.2 Klagers hebben in repliek hun klachten ook gericht tot de (voormalige) kantoorgenoot
van verweerder, mr. [B]. Omdat deze klacht met zaaknummer 25-623/DH/DH enkel ziet
op verweerder, zal de voorzitter zich daartoe beperken.
2.3 In de aanvullende stukken van 7 oktober 2025 is een brief van klagers bijgevoegd
van 11 maart 2025, gericht aan de deken. Daarin wordt een ‘tweede aanvulling klacht’
gedaan. Deze brief behoort niet tot het klachtdossier zoals de raad dat van de deken
heeft ontvangen. De voorzitter concludeert dan ook dat deze brief door de deken niet
is toegelaten. Op het moment dat een klacht is doorgezonden aan de raad, is het gelet
op artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet niet meer mogelijk om een klacht aan te vullen.
De voorzitter gaat dan ook niet in op de ‘tweede aanvulling klacht’.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
4.1 Over de ontvankelijkheid van de klacht heeft verweerder aangevoerd geen volmacht
te hebben gezien dat klager de klacht namens klaagster heeft mogen indienen. Daarnaast
wijst hij erop dat klager geen belang heeft bij de civiele procedure in Den Haag omdat
hij daar geen partij bij is en het gaat om een niet-openbaar processtuk. Ook klaagster
heeft geen belang bij de klachten over de gestelde onnodig grievende opmerkingen,
omdat deze niet over haar gaan.
4.2 Verweerder wijst er daarnaast op dat klachtonderdeel a) is ingediend buiten
de driejaarstermijn van artikel 46g van de Advocatenwet. Ook wijst hij erop dat al
eerder is geklaagd bij de Raad van Toezicht Advocatuur Bonaire en dat sprake is van
het ne bis in idem-beginsel.
Ontbreken van een machtiging
4.3 Klager heeft zijn klacht op 17 februari 2025 aangevuld en mede ingediend
namens klaagster. Daarbij heeft hij geen machtiging overgelegd of een uittreksel van
een Handelsregister waaruit volgt dat hij namens klaagster mag optreden. Nadat verweerder
daarover een opmerking heeft gemaakt in zijn dupliek, is noch een machtiging noch
een uittreksel overgelegd door klager. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen
dat klager gemachtigd was om de klacht mede namens klaagster in te dienen. Dat betekent
dat de klacht, voor zover die mede namens klaagster is ingediend, kennelijk niet-ontvankelijk
wordt verklaard.
Klachtonderdeel a) is te laat ingediend
4.4 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte
van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het
verleden.
4.5 Klachtonderdeel a) gaat over de procedure die verweerder vanaf 2013 tot aan
de uitspraak van het Gerecht in 2018 heeft gevoerd. Klager wijst in dat verband op
het oordeel van het Gerecht dat verweerder niet heeft voldaan aan artikel 18c Rv.
De voorzitter stelt vast dat klager reeds door het vonnis bekend is geraakt met het
feit waarover hij klaagt. Dat betekent dat hij zijn klacht uiterlijk in 2021 had moeten
indienen. Dat heeft hij pas in 2024 gedaan. Dat is te laat op grond van artikel 46g
lid 1 onder van de Advocatenwet, zoals ook de Raad van Toezicht Advocatuur Bonaire
al heeft geoordeeld. De voorzitter ziet geen aanknopingspunten om toepassing te geven
aan het tweede lid. Klachtonderdeel a) is daarom niet-ontvankelijk.
Gebrek aan een eigen, direct betrokken belang
4.6 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen.
4.7 De voorzitter is van oordeel dat klager geen eigen, rechtstreeks betrokken
belang heeft bij klachtonderdelen c) en e). Deze klachtonderdelen gaan om de kwestie
tussen [klaagster] en (de curator van) [B]. Klager is daarin geen partij. Klager treedt
voor [klaagster], in zijn eigen woorden, niet op als ‘manager of directeur maar slechts
met volmacht’. Klager heeft persoonlijk dan ook geen eigen, rechtstreeks betrokken
belang bij deze twee klachtonderdelen. Volledigheidshalve merkt de voorzitter nog
op dat klager in zijn aanvullende stukken van 7 oktober 2025 heeft opgemerkt dat hij
de eigenaar is van [klaagster]. Dit staat echter haaks op zijn eerdere verklaring
dat hij slechts een volmacht had en is ook niet onderbouwd met een uittreksel van
een (buitenlands) Handelsregister. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat
klager wél eigenaar is van [klaagster]. Overigens geldt ook dan dat klager slechts
een afgeleid (financieel), en dus geen direct belang zou hebben gehad bij deze klachtonderdelen.
4.8 Volgens verweerder heeft klager geen belang bij klachtonderdelen b) en d),
omdat het ging om een niet-openbaar processtuk dat is ingediend in een zaak waarin
klager geen partij is. Hij heeft daarbij verwezen naar RvD Arnhem-Leeuwarden 29 januari
2024, ECLI:NL:TADRARL:2024:42. Die vergelijking gaat niet op. In die beslissing zag
het slechts op het noemen van een naam. Deze twee klachtonderdelen raken echter aan
klagers recht op bescherming van zijn eer en goede naam. Onder verwijzing naar vuistregel
3 van de conclusie van A-G Widdershoven van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3474)
wordt klager daarin wel als belanghebbende gezien.
Tussenconclusie
4.9 De voorzitter zal:
- klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaren;
- klager niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van klachtonderdeel a);
- klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van klachtonderdelen
c) en e);
- overgaan tot inhoudelijk beoordeling van klachtonderdelen b) en d) van klager.
Inhoudelijke beoordeling
Toetsingskader
4.10 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.11 Gedragsregel 7 luidt: De advocaat dient zich niet onnodig grievend uit te
laten.
Beoordeling klachtonderdelen b) en d)
4.12 Deze klachtonderdelen gaan over de uitlatingen van verweerder in zijn processtukken
in de civiele procedure bij de rechtbank Den Haag. Verweerder heeft daarover toegelicht
dat zijn cliënten een redelijk belang hadden om deze informatie te delen, omdat klaagster
in die procedure onder meer stelde dat de olie afgevoerd had kunnen worden zonder
milieu- en veiligheidsrisico’s. Verweerder heeft namens zijn cliënten de geloofwaardigheid
van die stellingen willen ondergraven, door erop te wijzen dat klager, die namens
klaagster handelde, verantwoordelijk was voor een groot milieuschandaal. Daarbij heeft
verweerder de uitlating van ondersteunend bewijs voorzien door te wijzen op publieke
bronnen.
4.13 Mede gelet op deze toelichting acht de voorzitter de gewraakte uitlatingen
niet onnodig kwetsend. Verweerder heeft zich mogen baseren op de nieuwsberichten over
klager. Daarbij waren de uitlatingen functioneel voor het standpunt dat verweerder
namens zijn cliënten innam, namelijk dat [klaagster] de olie niet zonder milieu- en
veiligheidsrisico’s had kunnen afvoeren onder verwijzing naar klagers betrokkenheid
daarbij en zijn eerdere verleden. De uitlatingen kunnen dus kwetsend zijn voor klager,
maar dit was niet onnodig.
4.14 Klager heeft er in zijn aanvullende stukken op gewezen dat het Duitse Bundeskriminalamt
heeft bevestigd dat hij per 10 februari 2020 niet langer meer gezocht werd door Interpol
en dat hij zijn naam heeft veranderd wegens reputatieschade op internet. Daarin ziet
de voorzitter geen grond voor de conclusie dat verweerder zich voor wat betreft de
milieuaspecten niet had mogen baseren op de nieuwsberichten of dat deze onjuist waren.
4.15 In zijn klacht heeft klager ook aangegeven dat dit gepaard ging met het
geven van een verkeerde voorstelling van zaken wie de eisende partij is in de civiele
zaak bij de rechtbank Den Haag. Dat is de voorzitter niet gebleken. In zijn processtukken
heeft verweerder [klaagster] aangemerkt als wederpartij en niet klager. Als klager
met zijn klacht bedoeld heeft dat verweerder hem ten onrechte als UBO van [klaagster]
heeft aangemerkt terwijl hij slechts als gevolmachtigde zou handelen, ziet de voorzitter
ook daarin geen klachtwaardig handelen. Als deze stelling van verweerder niet zou
kloppen, wat de voorzitter op basis van het dossier niet kan beoordelen, dan heeft
dit geen gevolgen voor klagers daadwerkelijke rechtspositie. Hij was immers geen partij
bij die procedure en dit raakt hem dus ook verder niet. Ook ziet de voorzitter hierin
niets kwetsends, laat staan onnodig kwetsends.
4.16 Klachtonderdelen b) en d) zijn kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klaagster, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk;
- verklaart klager, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet,
niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a);
- verklaart klager, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk in klachtonderdelen c) en e);
- verklaart klachtonderdelen b) en d), met toepassing van artikel 46j van de
Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november
2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 november 2025