ECLI:NL:TADRSGR:2025:223 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-167/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:223 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-167/DH/RO |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: De advocaat privé |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verweerder heeft gehandeld als privépersoon bij de aankoop van en procedure over een auto. Geen schending van het vertrouwen in de advocatuur door zich te laten bijstaan door zijn kantoorgenoot. Het was voor klager redelijkerwijs duidelijk in welke hoedanigheid verweerder handelde. Ook kon verweerder als privépersoon aankondigen conservatoir beslag te willen leggen onder klager. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 10 november 2025
in de zaak 25-167/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: S.S.G. ter Haar
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 13 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/031 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 september 2025. Daarbij
waren de gemachtigde van klager en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 20. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de aanvullende stukken van verweerder van 1 april 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft op 1 juni 2021, samen met zijn kantoorgenoot mr. H, een
proefrit gemaakt met een Porsche Carrera 4S bij [een autobedrijf]. Diezelfde dag heeft
verweerder de auto gekocht, waarna de auto op zijn naam is gezet. Het bedrag (na verrekening
met een ingeleverde auto) heeft verweerder vanaf het bankrekeningnummer van zijn advocatenkantoor
overgeboekt aan klager (op een bankrekening die blijkens het rekeningafschrift op
naam van klager staat).
2.3 Op 9 september 2021 heeft verweerder [het autobedrijf] aangeschreven dat
de motor van de auto serieuze problemen heeft en dat er mogelijk sprake is van een
schadeauto. Op 22 en 23 september 2021 heeft verweerder op die grond de koopovereenkomst
willen ontbinden, waarop namens [het autobedrijf] is aangegeven dat zij geen partij
bij de koopovereenkomst is en dat verweerder zich tot klager moet wenden.
2.4 Op 29 september 2021 heeft mr. H namens verweerder [het autobedrijf] gedagvaard.
2.5 Bij vonnis van 21 januari 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:1125) heeft de kantonrechter
geoordeeld dat klager als contractuele wederpartij moet worden aangemerkt en de vorderingen
jegens [het autobedrijf] afgewezen.
2.6 Bij tussenarrest van 13 december 2022 heeft het Gerechtshof Den Haag bij
verstek van [het autobedrijf] geoordeeld dat verweerder er gerechtvaardigd op mocht
vertrouwen dat [het autobedrijf] zijn contractspartij was en dat verweerder de koopovereenkomst
terecht heeft ontbonden en aanspraak kon maken op (terug)betaling van de koopprijs
van de auto. [Het autobedrijf] heeft verzet ingesteld tegen dit arrest, waarbij [het
autobedrijf] onder meer heeft aangevoerd dat niet zij, maar klager, de verkoper van
de auto zou zijn.
2.7 Op 17 januari 2023 heeft verweerder de autoverkoper vanaf zijn zakelijke
e-mailadres aangeschreven:
“Ik schrijf u hierbij aan als uw wederpartij en niet als advocaat. Ik kan nog altijd
[klager] niet traceren. Wel weet ik sinds de inmenging van uw advocaat, aan wie een
cc dezes, dat hij [naam] zou heten. Ik weet echter dus nog altijd (ook) niet hoe ik
hem per e-mail of zo kan bereiken. U en uw advocaat kunnen dat kennelijk wel. Wilt
u onderstaand bericht namens mij aan hem doorzenden of uw advocaat dat laten doen
met een cc aan mij? (…)”
In het bericht dat is bedoeld voor klager heeft verweerder vermeld dat hij de ontbindingsverklaring
die hij eerder aan [het autobedrijf] heeft gericht, nu ook richt tot klager voor het
geval een rechter in de toekomst tot het oordeel zou komen dat het verweerder duidelijk
was dat hij zaken deed met klager.
2.8 Op 16 maart 2023 heeft verweerder klager aangeschreven op briefpapier van
zijn advocatenkantoor:
“Het bijgaande e-mailbericht zond ik op 17 januari 2023 naar [het autobedrijf] en
haar advocaat, u beide welbekend, met het verzoek u overeenkomstig de inhoud daarvan
op de hoogte te stellen. Ik kreeg daarom geen enkele reactie, anders dan ontvangstbevestigingen
(die ik eveneens hierbij insluit). Het is mijn belang dat u deugdelijk kennis krijgt
van die inhoud, weshalve ik uitgeprinte versies van de berichten maar hierbij per
aangetekende post aan u doe toekomen, met het verzoek daarvan goede nota te nemen.
(…)
Met deze brief beoog ik enige lopende verjaring te stuiten en ik wens mij uitdrukkelijk
het recht voor te behouden u (al dan niet in rechte) in een latere fase te gaan aanspreken.
Daarenboven bericht ik u dat indien [het autobedrijf] overgaat tot conservatoire
maatregelen jegens mij wegens het inmiddels tenuitvoergelegde arrest van 13 december
2022, ik desnodig jegens u tot het laten leggen van conservatoir beslag zal indienen
over te gaan op uw woonhuis met toebehoren aan [plaats].”
2.9 Op 26 april 2024 heeft mr. H de deurwaarder verzocht om ten behoeve van zijn
cliënt, verweerder, de brief van 16 maart 2023 aan klager te betekenen. In deze brief
wordt aangezegd dat verweerder klager aansprakelijk houdt voor alle kosten en schade
en alle rechten voorbehoudt, waaronder het vernietigen van de koopovereenkomst en
het doen van aangifte van onder andere oplichting en fraude.
2.10 Op 29 april 2024 heeft de deurwaarder de brief betekend. In de brief is
verweerder als contactpersoon opgenomen.
2.11 Bij arrest van 3 september 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2340) heeft het Gerechtshof
Den Haag het verstekarrest vernietigd en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling, omdat zijn
advocaat ook zijn kantoorgenoot was;
b) Verweerder heeft misbruik gemaakt van zijn beroepstitel en machtspositie.
Ook is verweerder onduidelijk geweest of hij als privépersoon of als advocaat optrad
en heeft hij hiertoe een verkeerde voorstelling van de feiten aangewend;
c) Verweerder heeft ten onrechte en op intimiderende wijze geprobeerd een vordering
bij een niet-procespartij te innen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Handelde verweerder als privépersoon of in zijn hoedanigheid van advocaat?
5.1 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk
uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat.
Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn van verband tussen het beroep
van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht
volledig van toepassing. Als aanknopingspunten voor dit verband er niet zijn, dan
beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen
in de advocatuur heeft geschaad.
5.2 Voor het toepasselijke toetsingskader moet de raad allereerst vaststellen
of verweerder heeft gehandeld als privépersoon of als advocaat. Dit is namelijk relevant
voor de vraag hoe indringend de tuchtrechter de klacht kan beoordelen.
5.3 De raad is van oordeel dat verweerder in deze kwestie enkel als privépersoon
heeft gehandeld. Verweerder heeft verklaard dat hij de auto als privépersoon heeft
gekocht en dat hij deze ook op zijn eigen naam heeft laten registreren. Ter ondersteuning
hiervan wijst de raad op het bericht van 17 januari 2023, waarin verweerder expliciet
heeft aangegeven niet als advocaat te handelen. Bovendien trad zijn kantoorgenoot,
mr. H, op als advocaat namens verweerder en deed verweerder dat dus niet zelf.
5.4 De omstandigheden dat verweerder de proefrit in de auto samen met zijn kantoorgenoot
heeft gemaakt, de betaling via de bankrekening van het kantoor is verlopen, de brief
van 16 maart 2023 op het briefpapier van het kantoor is verzonden en de deurwaarder
verweerder als contactpersoon heeft opgenomen zijn onvoldoende om het tegenovergestelde
aannemelijk te maken. Verweerder heeft in dat verband toegelicht dat zijn kantoor
de kosten heeft voorgeschoten en in rekening-courant heeft geboekt. Art. 6:30 lid
1 BW maakt mogelijk dat een ander (hier: het advocatenkantoor) een verplichting van
de schuldenaar nakomt. Voldoende duidelijk is geworden dat de brief van 16 maart 2023
abusievelijk door zijn secretaresse op het briefpapier van het kantoor is verzonden
en dat de deurwaarder per abuis zijn naam en niet die van mr. H had genoteerd. Uit
de inhoud van deze berichten moest voor klager echter redelijkerwijs duidelijk zijn
dat zijn kantoorgenoot, en niet verweerder, als advocaat in deze zaak optrad en dat
verweerder als de cliënt/koper van de auto bij deze kwestie betrokken was.
5.5 Omdat verweerder enkel als privépersoon heeft opgetreden, is het advocatentuchtrecht
niet volledig van toepassing. De raad beperkt zijn oordeel hierna daarom tot de vraag
of verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
5.6 Bij de beoordeling of er voldoende verband bestaat tussen het gewraakte gedrag
en het feit dat verweerder advocaat is, komt onder meer betekenis toe aan gedragsregel
9, die luidt:
1. De advocaat dient tegenover zijn cliënt en in zijn contacten met derden ervoor
zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in
een gegeven situatie optreedt.
2. Ook wanneer hij niet in de hoedanigheid van advocaat optreedt dient hij zich
zodanig te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur niet wordt geschaad.
Klachtonderdeel a)
5.7 Het eerste verwijt is dat verweerder zich heeft laten bijstaan door zijn
kantoorgenoot. Volgens klager levert dit belangenverstrengeling op. Zoals hiervoor
is aangegeven, heeft verweerder gehandeld als privépersoon bij de aankoop van, en
de procedures over, de auto. Als privépersoon mag verweerder de keuze maken welke
advocaat hem bijstaat. Het is aan de betreffende advocaat, in dit geval mr. H, om
te beoordelen of dat hem vrijstaat mede gelet op de kernwaarde onafhankelijkheid;
dat is niet aan de rechtszoekende. Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur
dan ook niet geschaad door zich te laten bijstaan door zijn kantoorgenoot. Daarnaast
valt niet in te zien welk eigen belang klager bij dit verwijt heeft. Klachtonderdeel
a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.8 Uit gedragsregel 9 volgt dat een advocaat in zijn contacten met derden ervoor
moet zorgdragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij optreedt.
Daarbij geldt dat als een advocaat zijn zakelijke e-mailadres gebruikt voor privéaangelegenheden,
dit ertoe kan leiden dat onduidelijkheid kan ontstaan in welke hoedanigheid een bericht
is verzonden. Het risico ligt in dat geval bij de advocaat (zie RvD Den Haag 11 augustus
2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:163).
5.9 De raad acht het ongelukkig dat verweerders brief van 16 maart 2023 op het
briefpapier van het kantoor is verstuurd. Verweerder heeft ook erkend dat dit niet
goed is gegaan en heeft toegelicht passende maatregelen te hebben getroffen zodat
dit in de toekomst niet meer kan gebeuren. In de brief wordt echter expliciet verwezen
naar de e-mail van 17 januari 2023, waarin verweerder in de eerste zin helder heeft
gemaakt niet als advocaat, maar als de wederpartij van klager, te schrijven. Hoewel
het e-mailbericht van 17 januari 2023 door verweerder is verzonden vanaf zijn zakelijke
e mailadres – omdat hij naar eigen zeggen zijn privé-e-mailadres nooit gebruikt –
was het voor klager bij het lezen van dat bericht redelijkerwijs ook duidelijk in
welke hoedanigheid verweerder hem aanschreef. Gelet daarop ziet de raad onvoldoende
om tot een tuchtrechtelijk verwijt te komen.
5.10 Verweerder heeft verder toegelicht dat de deurwaarder per abuis zijn naam
heeft vermeld bij het betekenen van de brief op 29 april 2024. Hij heeft erop gewezen
dat mr. H de deurwaarder op 26 april 2024 heeft verzocht om tot betekening over te
gaan en niet hijzelf. Een vergissing van de deurwaarder kan verweerder niet worden
toegerekend. Daarnaast had het klager gezien de inhoud van de communicatie redelijkerwijs
duidelijk moeten zijn dat niet verweerder, maar zijn kantoorgenoot, in deze kwestie
als de advocaat (en dus contactpersoon van de deurwaarder) optrad.
5.11 De raad is gelet hierop van oordeel dat verweerder het vertrouwen in de
advocatuur niet heeft geschaad. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.12 Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad door op 17
januari 2023 aan klager de wens kenbaar te maken de koopovereenkomst te willen ontbinden.
Dat mag verweerder als privépersoon en partij bij het juridische geschil over de auto
doen. Verweerder heeft daarbij ook uitgelegd dit te doen voor het geval door een rechter
wordt vastgesteld dat de koopovereenkomst was aangegaan met klager en niet met [het
autobedrijf]. Dat laatste is uiteindelijk ook door het gerechtshof zo geoordeeld.
Anders dan door klager wordt gesuggereerd, was hij niet zomaar een ‘derde’, maar een
mogelijke partij bij de koopovereenkomst. In dat verband heeft verweerder, als privépersoon,
ook mogen aankondigen conservatoir beslag te willen leggen onder klager.
5.13 Voor zover verweerder op 29 april 2024 het recht heeft voorbehouden om aangifte
te doen, geldt dat dit recht eenieder – en dus ook verweerder – toekomt op grond van
artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering. Als verweerder meende dat volgens
hem sprake was van oplichting of fraude, kon hij daarvan dus aangifte doen en dan
was het aan het openbaar ministerie om aan de hand daarvan verder onderzoek te doen.
Voor de tuchtrechter is daarin geen taak weggelegd (zie ook RvD Den Haag 5 augustus
2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:137, onder 5.9). Daarbij is het de raad niet gebleken dat
verweerder dit voorbehoud heeft gemaakt als ongeoorloofd pressiemiddel richting klager.
Verweerder was namelijk van mening dat hij de koop juíst niet met klager was aangegaan,
maar met [het autobedrijf], en wilde van dit bedrijf zijn geld terug hebben. Van een
schending van het vertrouwen in de advocatuur is geen sprake. Klachtonderdeel c) is
ongegrond.
Conclusie
5.14 De klacht is in het geheel ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. W.R. Arema, M.M. van Wijk, A.T. Bol en E.A.L. van Emden, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 10 november 2025