ECLI:NL:TADRSGR:2025:220 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-594/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:220 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-594/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiezaak. Deels kennelijk niet-ontvankelijk, vanwege een gebrek aan rechtstreeks belang. Voor het overige kennelijk ongegrond. Niet gebleken dat de mededelingen die verweerster gedaan heeft betrekking hebben op schikkingsonderhandelingen. Evenmin gebleken dat zij de rechter onjuist heeft geïnformeerd. Van het overleggen van vertrouwelijke confaternele correspondentie is geen sprake. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 5 november 2025 in de zaak 25-594/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) van 1 september 2025 met kenmerk R 2025/080 en van de
op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 2.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn (inmiddels ex-)partner hebben hun affectieve relatie verbroken.
Zij hebben samen twee minderjarige kinderen.
1.2 Verweerster staat de ex-partner sinds 2021, op toevoegingsbasis, bij in diverse
procedures naar aanleiding van het verbreken van de relatie.
1.3 Op 19 april 2024 heeft verweerster een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank,
strekkende tot het verkrijgen van vervangende toestemming van de rechter voor de verhuizing
van haar cliënte met de kinderen.
1.4 Op 19 juli 2024 vond er een zitting bij het gerechtshof plaats in een procedure
over het vaststellen van kinderalimentatie.
1.5 Op 7 januari 2025 heeft verweerster bij de rechtbank in de procedure aangaande
de vervangende toestemming voor de verhuizing een F8-formulier ‘opgeven verhinderdata’
ingediend. Daarin heeft zij opgenomen:
“Ik merk op, dat vader op 19 juli 2024 in de gang van het gerechtshof Den Haag in
het bijzijn van zijn advocaat ten overstaan van mij heeft aangegeven zich bij de verhuizing
van cliënte/moeder neer te zullen leggen. Op 31 oktober 2024 heeft vader per email
via zijn advocaat dit standpunt herhaald. Vader wenst zich evenwel niet te refereren
aan de door cliënte verzochte verhuizing en cliënte wenst op haar beurt, om toekomstige
discussies te vermijden, haar verzoek niet in te trekken. Wat cliënte betreft is er
daarom geen behoefte aan een mondelinge behandeling op zeer korte termijn.”
1.6 Op 29 januari 2025 heeft verweerster een F9-formulier ingediend bij de rechtbank,
eveneens in de procedure aangaande de vervangende toestemming. Daarbij is een brief
van verweerster met producties gevoegd. In de brief staat onder meer:
“Op 19 juli 2024 vond er op het Gerechtshof in Den Haag een mondelinge behandeling
plaats voor wat betreft de verdeling van de kosten van de kinderen van partijen. Vader
heeft daarbij op de gang van het gerechtshof in het bijzijn van zijn advocaat aangegeven
zich bij de verhuizing door cliënte/moeder neer te zullen leggen. Op 31 oktober 2024
heeft vader per email via zijn advocaat dit standpunt herhaald. (…) De emailwisseling
hierover wordt hierbij als productie 5 overgelegd.”
Productie 5 betreft een e-mailwisseling (drie berichten) tussen verweerster en klagers
advocaat van 31 oktober 2024. Deze e-mailwisseling is onderdeel van het klachtdossier.
1.7 Op 3 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
1.8 Op 4 februari 2025 was de mondelinge behandeling in de procedure over de
verhuizing.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft mededelingen gedaan aan de rechter over de inhoud van tussen
haar en klagers advocaat gevoerde schikkingsonderhandelingen.
b) Verweerster heeft mededelingen gedaan waarvan zij weet dat die onjuist zijn.
c) Verweerster heeft confraternele correspondentie in een procedure overgelegd.
d) Verweerster heeft op toevoeging geprocedeerd, terwijl haar cliënte geen recht
had op gefinancierde rechtsbijstand.
2.2 Klager stelt dat sprake is van schending van onder meer gedragsregel 1, 8,
16, 18, 21 en 27. Ook is de kernwaarde integriteit geschonden.
2.3 Klager heeft toegelicht dat hij op 19 juli 2024 op de gang een geclausuleerd
aanbod heeft gedaan om de procedures over en weer in te trekken. Hieruit mag niet
worden afgeleid dat hij zich neerlegt bij de onrechtmatige verhuizing van de ex-partner.
Het voorstel is door de ex-partner afgewezen en daarmee ook de voorwaardelijke bereidheid
van klager om zich neer te leggen bij de onrechtmatige verhuizing. Klagers advocaat
heeft verweerster bij brief van 13 januari 2025 laten weten dat het haar niet vrijstond
het vertrouwelijk gegeven standpunt van klager – ook nog verkeerd geparafraseerd –
aan de rechtbank door te geven. Verweerster heeft er vervolgens op 29 januari 2025
nog een schepje bovenop gedaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
3.2 Ten aanzien van de klachtonderdelen a) b) en c): Verweerster heeft de rechtbank
inderdaad geïnformeerd zoals opgenomen in de (bijlage bij de) formulieren van 7 en
29 januari 2025. Zij stelt dat die uitlatingen niet zien op schikkingsonderhandelingen.
Op het moment dat klager deze uitlating voor het eerst deed, waren partijen aanwezig
bij het gerechtshof voor een tussen hen lopende procedure voer kinderalimentatie.
De advocaten van partijen hebben op dat moment op de gang geprobeerd tot overeenstemming
te komen over de kinderalimentatie. De verhuizing van de ex-partner was in het geheel
geen onderdeel van die onderhandelingen en is er geen ‘algeheel schikkingsvoorstel’
gedaan. Klager heeft wel ten overstaan van verweerster en zijn eigen advocaat zijn
frustratie geuit over de duur van de procedure bij de rechtbank en zich uitgelaten
zoals door verweerster opgenomen. Het betrof echter geen voorstel en verweerster heeft
het dan ook niet opgevat als schikkingsvoorstel of -onderhandelingen. Verweerster
heeft naar de e-mail van 31 oktober 2024 verwezen in haar bericht aan de rechtbank
op 7 januari 2025. Zij heeft de e-mail op 29 januari 2025 ook overgelegd. Er is door
klagers advocaat nimmer aangegeven dat de mededelingen in de e-mail van 31 oktober
2024 confraterneel waren.
3.3 Ten aanzien van klachtonderdeel d): Verweerster heeft diverse procedures
voor haar cliënt op toevoeging gedaan. Zij heeft de gang van zaken rondom de toevoegingen
gemotiveerd toegelicht.
3.4 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Klachtonderdeel d)
4.1 Alleen de (rechts)persoon die door het handelen of nalaten van een advocaat
direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een
klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang
is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 De vraag of verweerster terecht voor het cliënt op toevoegingsbasis procedeert,
is geen onderwerp waarbij klager een eigen, rechtstreeks belang heeft. Dat rechtstreeks
belang is er alleen voor degene namens wie de toevoeging wordt aangevraagd of voor
de Raad voor Rechtsbijstand als verlener van de toevoeging. Ook kan de deken daarover
zo nodig in het algemeen belang klagen (zie onder meer RvD Amsterdam 3 maart 2025,
ECLI:NL:TADRAMS:2025:44 en RvD 2 juli 2025, ECL:NL:TADRSGR:2025:125). Klager heeft
hierbij slechts een afgeleid belang. De klacht is daarom op dit punt kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdelen a), b) en c)
4.3 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.4 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
4.5 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden
gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter
toetst aan de norm van artikel 46 Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij
de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij die toets. In deze zaak
zijn met name de volgende gedragsregels relevant.
4.6 Gedragsregel 21:
1. Het is de advocaat niet geoorloofd zich in een aanhangig geding anders dan
tezamen met de advocaat van de wederpartij tot de rechter aan wiens oordeel of de
instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen te wenden, tenzij schriftelijk en
met gelijktijdige toezending van een afschrift van de mededeling aan de advocaat van
de wederpartij en voorts zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid heeft om
op de mededeling te reageren.
2. Geen afzonderlijke mededeling aan de advocaat van de wederpartij is vereist,
indien de mededeling aan de rechter via een technische voorziening gelijktijdig voor
de advocaat van de wederpartij beschikbaar wordt.
4.7 Gedragsregel 26:
1. Onverminderd het bepaalde in regel 27 dient een advocaat die aan een andere
advocaat mededelingen wenst te doen die hij vertrouwelijk behandeld wil zien, dit
verlangen duidelijk kenbaar te maken vóór de verzending van de eerste van deze mededelingen.
4.8 Gedragsregel 27:
Omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen mag aan
de rechter aan wiens oordeel of instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen,
niets worden medegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij.
Klachtonderdeel a)
4.9 Klager verwijt verweerster dat zij aan de rechter (meermaals) mededeling
heeft gedaan over de inhoud van gevoerde schikkingsonderhandelingen. Klager en verweerster
zijn het erover eens dat de mededelingen die verweerster heeft gedaan betrekking hebben
op uitlatingen die op 19 juli 2024 zijn gedaan op de gang van het gerechtshof in een
procedure over de vaststelling van kinderalimentatie. De voorzitter kan niet vaststellen
dat het punt van de verhuizing al een rol speelde bij de onderhandelingen over de
alimentatie. Dat wordt door klager gesteld, maar door hem niet verder onderbouwd.
Het vaststellen van (kinder)alimentatie en vervangende toestemming voor een verhuizing
zijn wezenlijk andere procedures. Verweerster mocht er daarom vanuit gaan dat de betreffende
opmerking van klager destijds een zijdelingse opmerking was, die geen onderdeel uitmaakte
van de schikkingsonderhandelingen. Zij mocht daarover later dan ook mededeling doen
aan de rechter. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Dit klachtonderdeel
is daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.10 Klager verwijt verweerster dat zij de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd
over wat klager op de gang bij het gerechtshof zou hebben gezegd. Wat er destijds
op de gang bij het gerechtshof precies is gezegd, kan de voorzitter op grond van het
klachtdossier niet vaststellen. Dat verweerster daarover (bewust) een onjuiste mededeling
heeft gedaan, kan de voorzitter dan ook niet vaststellen. Dit klachtonderdeel is daarom
kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.11 Klager verwijt verweerster dat zij confraternele correspondentie heeft overgelegd.
Hij doelt daarmee op de e-mailwisseling van 31 oktober 2024 tussen verweerster en
klagers advocaat die door verweerster op 29 januari 2025 aan de rechtbank is overgelegd.
Anders dan klager stelt, is geen sprake van confraternele correspondentie. Correspondentie
tussen advocaten is namelijk niet altijd vertrouwelijk, maar alleen nadat de advocaat
dat vooraf heeft kenbaar gemaakt (zie gedragsregel 26). Daarvan is in dit geval geen
sprake. Verweerster mocht de correspondentie dan ook overleggen aan de rechtbank.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdeel d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk
- klachtonderdelen a), b) en c), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 november 2025