ECLI:NL:TADRSGR:2025:195 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-479/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:195 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-09-2025 |
| Datum publicatie: | 29-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-479/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht van een advocaat over een (oud) deken. Verweerder heeft klager aan de hand van de ontvangen signalen en zijn eigen ervaringen mogen aanspreken op zijn gedrag. Dat klager daarop niet zat te wachten en zich er ook niet mee kon verenigen, maakt niet dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Het voormalig lidmaatschap van klager bij de Raad van de Orde maakt niet dat verweerder hem niet had mogen aanspreken. Nog steeds is klager als advocaat onderworpen aan het toezicht van de deken. Evenmin gebleken waarom het vertrouwen in de advocatuur zou zijn geschaad doordat verweerder aan klager vrijblijvend heeft aangeboden om zijn berichten door te zenden aan de Antwerpse stafhouder. Het stond klager vrij dat aanbod af te slaan. Klacht deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
17 september 2025
in de zaak 25-479/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
[naam]
oud deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de brief van 18 juli 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K253 2024 en van de op de inventaris genoemde
bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is advocaat in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. In de periode
2009 tot 2017 is klager lid geweest van de Raad van de Orde, met als portefeuille
insolventiezaken en kleine kantoren.
1.2 Klager heeft eerder een klacht ingediend tegen een oud deken, mr. L, nadat
deze klager een ‘moraalridder’ zou hebben genoemd. Dit heeft geleid tot bemiddeling
door de Rotterdamse deken, waarin deze oud deken zijn excuses heeft aan klager aangeboden.
1.3 Verweerder is van 1 oktober 2021 tot 1 oktober 2024 deken geweest in het
arrondissement Zeeland-West-Brabant. Verweerder heeft zich daarna laten uitschrijven
van het Tableau.
1.4 Op 1 december 2021 heeft een senior raadsheer/teamvoorzitter van het Gerechtshof
’s Hertogenbosch aan verweerder geschreven:
“Ik mail jou in je hoedanigheid van deken. Ik ben aangesproken door een raadsheer
van mijn team over ervaringen met [klager], advocaat te [plaats]. De raadsheer heeft
eerst met collega’s besproken of de zorgen over [klager] bij mij moesten worden neergelegd,
maar uiteindelijk is dit gebeurd. De zorgen zijn veroorzaakt door het gedrag van [klager]
tijdens zitting in oktober. De raadsheer beschrijft het gedrag als welhaast manisch,
niet te stoppen uitingen op emotionele wijze, waarbij [klager] niet aanspreekbaar
was op zijn gedrag. Het gedrag bestond niet uit een gepassioneerd pleidooi voor het
standpunt van zijn cliënt. Ook de cliënt keek bedenkelijk, even als de advocaat van
de wederpartij. Een pauze werd moeizaam aanvaard door [klager]. Een toezegging om
na de zitting het hof te berichten over schikkingsbesprekingen is niet nagekomen.
De website van [klager] blijkt niet in de lucht te zijn. Dit bericht is slechts gericht
op het delen van onze zorg om het welzijn van [klager], hoewel zijn gedrag door de
raadsheer wel als grensoverschrijdend werd ervaren. Zie jij mogelijkheden na te gaan
of het wel goed gaat met [klager]?”
1.5 Diezelfde dag heeft de adjunct-secretaris van verweerder aan klager geschreven:
“Onderstaand stuur ik je namens de deken een bericht van [de raadsheer] toe. Omdat
de nieuwe deken, [verweerder], je niet kent, wil hij graag even met je spreken over
het door het Hof afgegeven signaal. Ik zal zelf ook bij het gesprek aanwezig zijn.
Schikt donderdag 9 december om 15:00 uur jou? Het gesprek zal plaatsvinden in de dekenkamer
op de rechtbank te Breda. Graag hoor ik van je.”
1.6 Diezelfde dag heeft verweerder aan klager geschreven:
“Vandaag hadden wij telefonisch contact over een signaal dat mij gestuurd werd door
team-voorzitter bij het Hof [raadsheer]. Het signaal betrof uw gedrag tijdens een
zitting bij het Hof in oktober. U gaf aan dit uitgezocht te willen hebben, maar nu
u even later aangaf maar één zitting in oktober bij het Hof in Den Bosch gehad te
hebben en het hier een vrouwelijke Raadsheer betrof lijkt me dat niet meer nodig.
U was zeer boos over de bewoordingen van het signaal en ook over het feit dat de
teamvoorzitter en ik elkaar bij de voornaam nemen.
Ik heb u laten weten dat ik met u een kort persoonlijk gesprek over deze kwestie
wilde hebben en het daar bij te willen laten. Dit wilde ik op 9 december doen, waarbij
we elkaar dan persoonlijk zouden ontmoeten. Ik heb dit ook aan de teamvoorzitter laten
weten.
Gezien uw uitgebreide telefonische reactie en uw aankondiging van brieven naar de
president van het Hof en naar de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, vanmiddag
nog, acht ik het gesprek dat ik voor ogen had, niet langer zinvol. Ik doe verder niets
met het signaal, anders dan de gebruikelijke registratie daarvan.
Hopelijk komt u rechtstreeks in gesprek met betrokkenen en wordt de kwestie uitgesproken.”
1.7 Op 2 december 2021 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Langs deze weg kom ik bij u nog terug op ons telefonisch onderhoud van gisteren.
Wij bespraken het emailbericht van 1 december 2021 te 8.55 uur van vice-president
[raadsheer] welke hij aan u heeft gezonden.
Ik heb u aangegeven dat ik het genoemde emailbericht van [de raadsheer] als zeer
intimiderend heb opgevat en ook als een ernstige aantasting van en inbreuk op mijn
reputatie/goede naam opvat. Ik heb u uitdrukkelijk gevraagd om mij in uw hoedanigheid
van Deken hierin serieus te nemen en ook als collega in bescherming te nemen. [De
raadsheer] heeft aangegeven dat mijn gedrag door een dienstdoende raadsheer tijdens
een zitting is beschreven als wel haast manisch. Ik heb u voorgehouden dat deze aanduiding
door mij is opgevat als een strikt medische verwijzing naar de DSM classificatie zoals
deze in de psychiatrie wordt gehanteerd. De verwijzing naar manisch gedrag (ook wel
bipolaire stoornis) past niet in het normale vocabulaire van bejegening en al zeker
niet in een zaak als de onderhavige waar een rechter die kennelijk op basis van artikel
13 RO een signaal over mijn handelen wil afgeven aan u in uw hoedanigheid van Deken.
Voorts valt op dat [de raadsheer] niet uw beveiligde (vertrouwelijke) emailadres
[van het Ordebureau] heeft gebruikt maar zich heeft bediend van uw emailadres van
[naam advocatenkantoor], alwaar u werkzaam bent in uw hoedanigheid van advocaat. De
vraag is dus of [de raadsheer] de door artikel 13 RO voorgeschreven vertrouwelijkheid
niet heeft geschonden.
Uit het emailbericht van 1 december jl. van uw adjunct-secretaris [naam] kan ik
niet opmaken dat u in deze een dossier heeft aangelegd krachtens artikel 45a Advocatenwet.
Mag ik u vragen mij te bevestigen of er in deze sprake is van een onderzoek van u
als Deken krachtens artikel 45a Advocatenwet?
Graag zou ik van u nog vernemen of [de raadsheer] nog voor het verzenden van zijn
mail van 1 december jl. te 8.55 uur enig ander telefonisch/schriftelijk contact met
u, uw kantoor dan wel medewerkers van het Bureau van de Orde te Breda heeft gehad.
Bent u overigens van mening dat [de raadsheer] zijn signaal voldoende heeft gemotiveerd/geconcretiseerd
gezien het bepaalde daaromtrent in de jurisprudentie? Ik vroeg u dit ook al tijdens
ons telefonisch onderhoud van gisteren.
Bij het opstellen van dit emailbericht nam ik kennis van uw email van 1 december
jl. te 17.24 uur aan mij. Ik ga daar nog even puntsgewijs op in.
1. U stelt dat ik graag uitgezocht zou willen hebben naar welke zitting [de raadsheer]
heeft verwezen. Dat is juist, temeer omdat [de raadsheer] slechts spreekt over een
zitting in oktober, zonder een jaartal te noemen. Ik gaf u aan dit uitgezocht te hebben
en wil dat nog steeds. Ik heb u ook het belang daarvan aangegeven. Alhoewel ik in
oktober 2021 slechts één zitting bij het Gerechtshof in Den Bosch heb gehad en ik
dus een vermoeden heb dat deze zaak wordt bedoeld, dien ik uiterst zorgvuldig te zijn.
Nu de dienstdoende raadsheer mij voor manisch heeft uitgemaakt valt een wrakingsverzoek
te overwegen en mogelijk zelfs aan mijn cliënt te adviseren. Daarnaast – zo deelde
ik met u mijn zorg – dien ik mij af te vragen of het mij nog wel vrijstaat om voor
mijn cliënt in de betrokken procedure op te treden. Zoals de regels voorschrijven
dien ik daarin voortvarend te handelen en de zaak niet op zijn beloop te laten. In
dit verband dien ik dus absolute zekerheid te hebben om welke zaak het gaat. Uw opmerking
dat verder onderzoek in deze niet meer nodig is dien ik dus te weerspreken. Ik meende
in ons gesprek nu juist van u te begrijpen dat u dit wilde gaan uitzoeken.
2. U stelt dat ik zeer boos was over de bewoording van het emailbericht van [de
raadsheer] en dat ik ook moeite had met het feit dat [de raadsheer] en u elkaar bij
de voornaam noemen. Uw weergave van ons gesprek op dit onderdeel is niet juist. Ik
heb mij vanwege de door mij ervaren ernstige intimidatie zeer gekrenkt gevoeld en
was tijdens mijn gesprek met u (dat plaats vond enkele tientallen minuten na het ontvangen
van uw email) zeer aangedaan en aangeslagen. Dat lijkt mij ook begrijpelijk. Uw kwalificatie
dat ik boos was doet geen recht aan de door mij ervaren emoties, sterker nog hiermee
lijkt u mij negatief te willen kwalificeren, terwijl een advocaat bij een dergelijke
ernstige schending van reputatie zich juist door de Deken beschermt mag weten.
In dit verband wil ik benadrukken dat ik mij niet heb uitgesproken over de wijze
waarop u en [de raadsheer] elkaar adresseren. Wat ik u wel heb voorgehouden is de
vraag of u [de raadsheer] eerder heeft gesproken, maar daar antwoordde u ontkennend
op. Tevens verbaasde ik mij jegens u over het feit dat [de raadsheer] u adresseert
als “beste [voornaam]”, in plaats van “geachte Deken”. Juist in gevoelige zaken als
de onderhavige waarin objectiviteit en onpartijdigheid cruciaal zijn is een dergelijke
tutoyering niet passend en mogelijk zelfs schadelijk. Ik begrijp nu uit uw email dat
u [de raadsheer] goed kent omdat u hem kennelijk ook tutoyeert. Graag ontvang ik hier
een nadere toelichting op.
3. U heeft mij inderdaad laten weten dat u niet zwaar aan de zaak tilt en mij
adviseert het ook niet persoonlijk op te vatten. Ik heb u daarop geantwoord de zaak
juist als zeer persoonlijk op te vatten omdat mijn reputatie in het geding is. Ik
heb u uitdrukkelijk aangegeven bereid te zijn om bij u op gesprek te komen, zij het
dan dat 9 december a.s. voor mij niet passend is omdat ik dan zittingen heb en dus
verhinderd ben. U besprak met mij een alternatieve datum, waarop wij nog zouden terugkomen
bij elkaar.
4. Het lijkt erop dat u de aard van mijn aankondiging om de zaak bij de President
van het Gerechtshof neer te leggen en ook aan te kaarten bij mr. H. Naves niet goed
heeft begrepen. Mijn bijgevoegde brief van 1 december jl. aan de President dient u
te beschouwen als een klacht in het kader van een AWB klachtprocedure die los staat
van de hierboven genoemde 45a procedure op grond van de Advocatenwet. De zaken hebben
natuurlijk samenhang maar staan in procedurele zin strikt los van elkaar. Ik ga ervan
uit dat u dat met mij eens bent.
5. U stelt de zaak te sluiten. Om in uw woorden te blijven, u doet verder niets
met het signaal. Dat is niet akkoord. Zeker nu u stelt de zaak te registreren (wat
bedoelt u daar precies mee?), is van groot belang dat de feiten en achtergronden ook
in het dossier beschikbaar komen en zo nodig in de toekomst raadpleegbaar zijn. Ik
stel daar belang in. Daarnaast ben ik van mening dat het in het takenpakket van de
Deken valt om advocaten in het arrondissement desgevraagd in bescherming te nemen.
Als een dergelijke bescherming uitblijft, althans ongemotiveerd wordt weersproken,
ervaar ik dat als extra pijnlijk nu ik 8 jaar lang de Raad van de Orde onvoorwaardelijk
en loyaal als lid heb gediend.
6. Ik begrijp dat u [de raadsheer] naar aanleiding van zijn email van 1 december
jl. nog een schriftelijke reactie heeft gezonden. Mag ik een afschrift daarvan ontvangen?
Mocht u met [de raadsheer] hebben gebeld dan ontvang ik graag een beknopte weergave
van hetgeen u met hem hebt besproken.
Mag ik u gezien bovenstaande dringend verzoeken om omgaand met mij een bespreking
bij u op kantoor in te plannen? Ik ben graag bereid mij daarin zo flexibel mogelijk
op te stellen.”
1.8 In het najaar van 2021 heeft verweerder een signaal ontvangen van de toenmalige
voorzitter van de raad van discipline in het ressort Den Haag dat klager zich respectloos
zou hebben gedragen op een zitting.
1.9 Op 14 april 2022 heeft de president van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
aan klager bevestigd dat de klacht in der minne is afgedaan, nadat twee goede, waardevolle
en constructieve gesprekken hebben plaatsgevonden. Ook heeft de president kenbaar
gemaakt afspraken te gaan maken over de wijze waarop zorgen over het welzijn van advocaten
aan de orde worden gesteld.
1.10 Op 8 november 2022 heeft klager de stafhouder van Antwerpen verzocht om
bemiddeling met een Antwerpse advocaat inzake een nalatenschapsprocedure waarin klager
optreedt als executeur-testamentair van zijn overleden tante. Klager heeft daarbij
diverse bezwaren over de Antwerpse advocaat naar voren gebracht.
1.11 Op 17 november 2022 heeft de stafhouder op klager gereageerd:
“In goede orde nam ik kennis van uw brief met bijlagen dd. 8 november 2022 met uw
verzoek tot bemiddeling met [de Antwerpse advocaat] van mijn balie.
Ik lees dat u als advocaat verbonden bent aan de Orde van advocaten Zeeland-West-Brabant,
reden waarom ik kopie van uw brief en mijn antwoord overmaak aan uw deken. Ik verzoek
u tevens vriendelijk de toekomstige correspondentie via uw deken te laten geworden.
(…)”
1.12 Op 24 november 2022 heeft klager aan de stafhouder geschreven:
“Hartelijk dank voor uw emailbericht van 17 november jl. met bijlage.
Ik begrijp dat u onze correspondentie heeft doorgeleid aan mijn Deken in het arrondissement
Zeeland-West-Brabant. Mag ik u vriendelijk verzoeken mij te duiden op grond van welke
regel en/of protocol u daartoe heeft besloten. Tevens wil ik u vriendelijk verzoeken
in uw antwoord te begrijpen op grond waarvan in de verdere afwikkeling van deze zaak
geboden is dat ik mijn correspondentie via eigen Deken laat verlopen.
Gezien de Gedragscode voor Europese Advocaten (laatstelijk gewijzigd 31 januari
2008) meer in het bijzonder artikel 5.9 e.v. wordt juist gehamerd op een minnelijke
afdoening en niet een protocollaire. In mijn correspondentie had ik u ook om die minnelijke
(lees: bemiddeling) afwikkeling gevraagd.
Tenslotte hecht ik eraan dat ik het van groot belang vind dat ik kopieën van uw
correspondentie aan [de Antwerpse advocaat] ook mag ontvangen. Is er een bijzondere
reden dat u mij die kopieën nog niet heeft toegezonden? Het lijkt mij voor een transparante
afwikkeling van zaken als de onderhavige van belang dat correspondentie wordt gedeeld.”
1.13 Diezelfde dag heeft klager aan verweerder geschreven:
“Bijgaand zend ik u een afschrift van het emailbericht van 17 november jl. met bijlage
van stafhouder [naam] te Antwerpen. Ik begrijp uit zijn bericht dat hij – overigens
ongevraagd – u heeft ingeschakeld in een door mij aangebrachte zaak. Kort gezegd komt
het erop neer dat ik als executeur een nalatenschap (boedelbelang ± 15 miljoen euro)
afwikkel en wegens een beroepsfout dien te gaan procederen tegen een accountant die
wordt bijgestaan door een confrère in Antwerpen. Deze confrère weigert – onder meer
– transparant te maken of hij nu al dan niet optreedt voor één of meer van de in de
kwestie betrokken partijen.
Gezien uw drukke agenda lijkt het mij zeer ongewenst hetgeen de stafhouder in Antwerpen
nu voorstelt namelijk dat wij alle correspondentie in deze zaak via u laten verlopen.
Mij is overigens ook geen regel en/of protocol bekend op grond waarvan de stafhouder
daartoe heeft kunnen besluiten. Bijgaand zend ik u een afschrift van mijn brief van
heden aan de stafhouder naar de inhoud waarvan ik u verwijs.
Kunnen wij een kort overleg hebben om te bezien of het daadwerkelijk nodig is dat
u in deze zaak wordt betrokken? Bij voorbaat hartelijk dank.”
1.14 Op 28 november 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Uw berichten aan de stafhouder van Antwerpen worden door [de stafhouder] op een
bepaalde wijze aangepakt, waar ik mij niet mee wil bemoeien. Wel bied ik aan om als
“doorgeefluik” te fungeren, hetgeen mijn bureau nauwelijks moeite zal kosten.”
1.15 Daarop heeft klager diezelfde dag gereageerd:
“Dank voor uw reactie. Ik begrijp dat u zich liever niet met de kwestie wil bemoeien.
Daar zijn wij het over eens.
Ik stel voor dat u de stafhouder even (evt telefonisch) benadert en om opheldering
vraagt. Ook goed voor de collegiale verhoudingen. Het is wat mij betreft zeer ongewenst
als we het door u voorgestelde arrangement volgen, waarbij u post ontvangt op uw naam
van stafhouder en deze niet laat weten dat u die post niet leest maar ongeopend aan
mij doorstuurt. Zeker als er geen wettelijke of reglementaire basis is voor het zijn
van doorgeefluik kunt u denk ik als deken ook beter verre blijven van post schijnconstructies.
Ik zeg dat even voor uw eigen belang in deze. Gaarne vernemend.”
1.16 Op 2 december 2022 om 13.28 uur heeft klager aan de deken geschreven:
“SPOED SPOED
Zie onderstaand bericht. Ik heb op korte termijn namens cliënte voor een miljoen
euro beslag te leggen en het belang bij het kennen van mijn wederpartij en meer in
het bijzonder of deze wordt bijgestaan door een advocaat. Heeft u al actie genomen
zoals onderstaand gevraagd? Gaarne omgaand vernemend. Dank voor uw inspanningen.”
En om 13.44 uur:
“Spoed Spoed
Zojuist sprak ik het secretariaat van de Stafhouder. Men verwees naar een brief
van 29 november jl. in deze zaak aan u. Mag ik u vragen mij die brief heden door te
mailen? Bij voorbaat dank. Ik hoop dat de Stafhouder zich ook heeft uitgesproken over
de wettelijke grondslag van zijn actie om aan u te schrijven. Mijn cliënte is daar
allerminst over te spreken en wil dat ik zo nodig maatregelen tref.”
1.17 Op 5 december 2022 om 11.56 uur heeft de stafjurist van Orde aan klager
geschreven:
“Op verzoek van de deken zend ik u hierbij de reactie toe van [de Antwerpse advocaat],
welke hij ontving van de Stafhouder Antwerpen. De Stafhouder heeft aangegeven hiermee
de zaak als afgedaan te beschouwen. De deken heeft met deze kwestie geen inhoudelijke
bemoeienis en neemt dan ook geen standpunt in. Ook mr. [verweerder] beschouwt de kwestie
als afgedaan.”
En om 12.45 uur:
“Zojuist heb ik het telefoongesprek met u beëindigd. Ik deed dit vanwege de onaangename
toon waarop u met mij meende te moeten communiceren. U belde mij 5 minuten na mijn
e-mail aan u van hedenochtend. U gaf mij aan dat u niet alleen de reactie van [de
Antwerpse advocaat] wenste te ontvangen, maar ook de begeleidende brief van de stafhouder
aan de deken. Ik heb u medegedeeld dat ik geen opdracht had om meer dan de reactie
van [de Antwerpse advocaat] aan u door te zenden. U was het daar overduidelijk niet
mee eens. U hebt uiteraard recht op uw eigen mening, maar de wijze waarop u deze mening
meent aan mij duidelijk te moeten maken, vind ik ongepast voor een advocaat. Vanwege
de wijze waarop u meent mij terecht te moeten wijzen, heb ik het gesprek beëindigd.”
1.18 Op 7 december 2022 heeft klager aan verweerder geschreven:
“S P O E D
(…) Bijgaand treft u uw emailbericht van maandag 28 november jl. te 13.30 uur aan
ondergetekende, waarin u mij met betrekking tot een recent bemiddelingsverzoek dat
ik aan de stafhouder in Antwerpen heb gedaan en waarbij een Antwerpse advocaat betrokken
is, laat weten dat u als “doorgeefluik” wil fungeren. Het fungeren als “doorgeefluik”
is u gevraagd door de stafhouder te Antwerpen, hetgeen ook mag blijken uit de bijgevoegde
brief van 17 november 2022 van de stafhouder aan ondergetekende. De stafhouder spreekt
over het aan u toezenden van mijn brief van 8 november 2022 met bijlagen aan hem,
alsook zijn antwoord op het bemiddelingsverzoek. Ik heb van de secretaresse van de
stafhouder begrepen dat op 29 november 2022 door de stafhouder in deze zaak een brief
aan u is gezonden. Per email van 5 december jl. liet u mij evenwel slechts – ter informatie
– een brief van 17 november 2022 van [de Antwerpse advocaat] toekomen. Daarbij spreekt
u over een brief van de stafhouder waarin de stafhouder zou hebben aangegeven de zaak
als afgedaan te beschouwen. Ik weet niet of de stafhouder hiermee heeft bedoelen te
zeggen het bemiddelingsverzoek af te wijzen, althans daaraan niet verder te willen/kunnen
meewerken, althans mogelijk nog nadere voorwaarden heeft gesteld. Ik stel er belang
in om zelf te beschikken over de brief van de stafhouder (kennelijk gedateerd 29 november
2022) zodat ik ook aan diens bedoelingen niet hoef te twijfelen. Aangezien u heeft
aangegeven met mijn bemiddelingsverzoek aan de stafhouder geen enkele inhoudelijke
bemoeienis te willen hebben, spreekt het ook voor zich dat u deze brief van de stafhouder
zo spoedig mogelijk aan mij doet toekomen.
Ten overvloede wil ik u er ook op wijzen – ik benoemde dat al eerder aan u – dat
ik geen voorkeur heb voor een “doorgeefluik” als schijnconstructie. Bij mijn weten
is er geen wettelijk of reglementaire basis voor het zijn van een “doorgeefluik” zoals
door de stafhouder in zijn brief van 17 november jl. beschreven. De stafhouder heeft
mij ondanks herhaald verzoek aan hem niet kunnen zeggen welke wettelijke en/of reglementaire
basis/bevoegdheid hij heeft gehad om met u in deze bemiddelingszaak te gaan corresponderen.
Indien blijkt dat die wettelijke basis er niet is en ook nooit is geweest betekent
dat vrees ik dat strikt genomen de privacy is geschonden. Zeker indien de bedoelde
brief van de stafhouder waarin hij zich uitspreekt over mijn bemiddelingsverzoek ontbreekt
in mijn dossier maar zich wel in uw dossier bevindt, maakt dit de privacy-problematiek
nog klemmender.
Verder dringt zich in dit verband de vraag op hoe u deze correspondentie met de
stafhouder zal archiveren. Immers, het zijn van “doorgeefluik” zonder inhoudelijke
bemoeienis impliceert dat u mijn correspondentie d.d. 8 november 2022 met bijlagen
aan de stafhouder, de reactie van [de Antwerpse advocaat] d.d. 17 november 2022, de
brief d.d. 29 november 2022 van de stafhouder aan u, alsook mogelijk overig nog bestaande
inhoudelijke correspondentie mogelijk niet mag archiveren in uw hoedanigheid van Deken.
Het archiveren van stukken is alleen toegestaan indien u als Deken inhoudelijk – vanuit
uw ambt – betrokken bent bij een zaak. Kunt u mij bevestigen dat u nadat de bedoelde
brief van 29 november 2022 van de stafhouder aan mij heeft doorgeleid en ik de goede
ontvangst daarvan heb bevestigd, het dossier (met dossiernummer [nummer]) zal worden
vernietigd? Gaarne vernemend.”
1.19 Op 9 december 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:
“U heeft mij en het bureau nu een aantal brieven gestuurd, steeds met de vermelding
Spoed of zelfs SpoedSpoed. Ik zie niet in waarom hetgeen u schrijft en vraagt nu allemaal
zo spoedeisend is. Het werkt ook enigszins verstorend.
De brief die de stafhouder aan mij heeft geschreven (de dato 29 november) was echt
voor mij bedoeld en niet om aan u door te sturen. Hij had daarin ook een tekstsuggestie
gedaan die ik niet zal opvolgen. Ik heb dat laten weten en de Stafhouder gevraagd
of hij in dit geval toch rechtstreeks aan u wil berichten hoe hij tegen uw bemiddelingsverzoek/klacht
aankijkt. Dan hoef ik ook niet als “go between” te fungeren, iets wat ik bij wijze
van serviceverlening had aangeboden en wat u nu in uw brieven veel spannender maakt
dan het bedoeld is.
Het valt mij ook in deze kwestie weer op dat u met iedereen moeilijkheden maakt,
mede doordat u meent één ieder de les te moeten lezen. Ik vind dat jammer en wil aan
de onderhavige kwestie niet veel aandacht meer besteden.
Nu het in case om een kwestie in België gaat ben ik best bereid alle correspondentie
die er inmiddels is hier niet op te slaan maar te vernietigen. Verdere correspondentie
met mij is ook niet wenselijk.
Ik hoop dat u binnenkort rechtstreeks van de Stafhouder hoort.”
1.20 Op 14 december 2022 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Uw emailbericht d.d. 9 december jl. heb ik in goede orde ontvangen. Ik reageer
daarop in deze brief in mijn hoedanigheid van advocaat van onze Balie Zeeland-West-Brabant.
In het onderwerp van uw emailbericht spreekt u over “diverse problemen”. In het
emailbericht zelf stelt u: “Het valt mij ook in deze weer op dat u met iedereen moeilijkheden
maakt, mede doordat u meent één ieder de les te moeten lezen.” Deze uitlatingen van
uw hand baren mij zeer grote zorgen. Ik zal u proberen uit te leggen waarom.
Diverse problemen/de les lezen
U wil mij wel vergeven dat ik uw email van 9 december jl. enkele dagen heb laten
bezinken alvorens met een reactie te komen. Ik heb over uw uitlatingen en handelwijze
grondig gereflecteerd. Dat is niet alleen een deugd van een professioneel handelend
advocaat, maar ook een voorwaarde om integer te kunnen handelen. Vanuit die reflectieperiode
kom ik telkens terug op de vraag over welke “diverse problemen” u spreekt, wat u bedoelt
met de krasse stelling “dat ik met iedereen moeilijkheden maak” en verder “één ieder
de les meen te moeten lezen”. Dit zijn heftige beschuldigingen, waarvan ik mij ten
zeerste afvraag waarop u deze baseert.
Het spreekt voor zich dat het ertoe doet uit wiens mond dergelijke beschuldigingen
komen. Is het uit de mond van een vage kennis, een derde of oud-advocaat, dan zal
het in de regel de meest verstandige reactie zijn om dergelijke uitingen gewoonweg
te negeren. In dit geval ligt dat anders. U spreekt de woorden in uw hoedanigheid
van Deken van de Orde. Uw bevoegdheid in dit verband ontleent u – onder meer – aan
de Advocatenwet. Omdat uw bevoegdheid is gebaseerd op een wettelijke regeling bent
u ook gehouden om uw bevoegdheid op professionele basis in te zetten en daar ook desgevraagd
– soms zelfs ambtshalve – rekening en verantwoording achteraf over te doen.
Het decor van uw uitlatingen
Ik heb mij afgevraagd tegen welk decor u deze uitlatingen aan mij doet. Uit de inhoud
van uw emailbericht meen ik te mogen afleiden dat u impliciet verwijst naar uw dossier
met kenmerk [nummer]. De vraag dingt zich bij mij op waarom u dan dat kenmerk heeft
menen te moeten vervangen door een nieuw kenmerk “diverse problemen”. Dit klemt des
temeer omdat u in het slot van uw emailbericht lijkt in te stemmen met het vernietigen
van dossier [nummer]. Dat wekt bij mij de indruk dat u een nieuw dossier heeft geopend
met daarin uw email van 9 december jl. welke dan niet behoeft te worden vernietigd.
Over dossier [nummer] sprekende: in dat dossier heb ik u in uw hoedanigheid van
Deken in mijn emailbericht van 24 november jl. expliciet gewezen op het vermoedelijk
ontbreken van uw competentie in deze die slechts de stafhouder in Antwerpen aangaat.
In uw emailbericht van 28 november jl. gaat u daar niet in juridische zin op in. U
spreekt slechts over een Antwerpse stafhouder die een “bepaalde aanpak” heeft. In
mijn emailbericht van 28 november jl. aan u hamer ik ten overvloede nogmaals op het
vermoedelijke ontbreken van een wettelijke of reglementaire basis voor uw competentie
in dossier [nummer]. In uw emailbericht van 5 december jl. aan mij gaat u wederom
niet in op deze competentievraag, slaat mijn verzoeken om de stafhouder in Antwerpen
de zaak te laten afdoen in de wind en deelt mede de zaak als afgedaan te beschouwen
met toezending van een gedeelte van de correspondentie die u met de stafhouder in
dossier [nummer] heeft gevoerd. Anders dan u heeft betoogd, te weten geen enkele inhoudelijke
bemoeienis met de Belgische kwestie te willen hebben, heeft u weldegelijk op eigen
initiatief een selectie gemaakt van de door u van de stafhouder ontvangen correspondentie
met bijlagen, na daar eerst inhoudelijk op te hebben gestuurd. Al met al een buitengewoon
ongelukkige en niet transparante wijze van de uitoefening van uw bevoegdheden als
Deken.
Ik heb mij oprecht afgevraagd of uw vingerwijzing dat ik de anderen “de les wil
lezen” met dit decor zoals hierboven geschetst van doen heeft. Ik kan mij dat nauwelijks
voorstellen want het spreekt voor zich dat iedere bestuurder op eerste verzoek zijn
of haar competenties onderbouwt en daarover op transparante wijze wil communiceren.
Het bij herhaling negeren van redelijke verzoeken van mijn kant om transparantie omtrent
uw bevoegdheden en dat dan ook nog afdoen met uw email van 9 december jl. dat ik iedereen
de les probeer te lezen is niet alleen pijnlijk voor mij als oud-lid van de Raad van
de Orde, maar vooral onverdraaglijk als advocaat met bijna 30 jaar ervaring. Immers
weet een ieder dat het nu juist de rol is van een advocaat om waar nodig en uiteraard
op gepaste wijze te mogen twijfelen aan bevoegdheden, standpunten en omstandigheden.
Op het moment dat ambtsdragers een dergelijke rol van een advocaat miskennen, negeren
en zelfs op hoge toon afdoen als “probleemgeval” kan moeilijk worden ontkomen aan
de gedachte dat een dergelijke ambtsdrager door andere motieven dan ingegeven door
zijn ambt wordt gedragen. Ik wil in dit verband een duidelijk onderscheid maken tussen
een bepaalde mate van vooringenomenheid waar waarschijnlijk wij allemaal wel enige
hinder van ondervinden. Sorry kunnen zeggen voor fouten in het verleden is wezenlijk
voor het goed functioneren van de moderne rechtsstaat. Hoezeer ik deze vooringenomenheid
bij u ook helaas meen te moeten signaleren, wil ik daar wel overheen stappen. Dat
geldt evenwel niet voor de zo fundamentele wijze waarop u mijn integriteit en functioneren
als advocaat in uw bericht van 9 december jl. in twijfel heeft getrokken.
Hoe nu verder?
Het spreekt voor zich dat ik uit uw bericht niet anders kan dan begrijpen dat u
geen vertrouwen in mij als advocaat en mijn functioneren heeft. Ik neem uw uitlatingen
zeer serieus, hoe verdrietig mij dit ook stemt. Ik hecht eraan dat ik in de gelegenheid
word gesteld om uw beschuldigingen te onderzoeken, meer in het bijzonder door de specifieke
onderbouwing daarvan te bestuderen, zodat ik voor mijn functioneren in de toekomst
kan beoordelen of ik mijn handelswijze moet aanpassen.
Ik wil u verzoeken en voor zover nodig sommeer ik u in uw hoedanigheid van Deken
van de Orde om mij binnen 14 dagen na heden in het bezit te stellen van:
- Een opsomming van de diverse problemen/kwesties waarop u in uw email van 9
december 2022 doelt, met inbegrip van een materiële beschrijving daarvan;
- De wettelijke onderbouwing van de door u in dossier [nummer] gehanteerde competentie
inzake de (gedeeltelijke) doorzending van correspondentie van de stafhouder in Antwerpen;
- De reden dat u ondanks mijn herhaalde verzoeken om die competentie te duiden,
heeft gemeend mijn verzoeken dienaangaande te moeten negeren;
- Uw stelling te onderbouwen – met verwijzing naar (wettelijke) regelingen en/of
jurisprudentie/literatuur – dat gezien dossier [nummer] om een kwestie in België gaat
u bevoegdheid heeft om vanwege die nationale component een dossier niet op te slaan
maar te vernietigen.
Mij is in mijn jonge jaren door een CEO van een multinational voorgehouden hoe belangrijk
het voor een advocaat is dat hij gevoel voor verhoudingen heeft. Daarmee werd bedoeld
dat een advocaat niet alleen goed op de hoogte is van alle regelgeving en gebruiken
maar – bovenal – bewust van diens rol in de rechtstaat, integriteit en risico’s van
macht/manipulatie van buitenaf. Met die gedachte en beseffende dat die wijsheid ook
op mij en mijn functioneren betrekking heeft, vraag ik u zich daardoor te laten inspireren.
Mocht ik binnen de gestelde termijn van 14 dagen – die ik overigens gezien de feestdagen
bereid ben op uw eerste verzoek te verruimen – niet vernemen, dan zal ik mij beraden
over de vraag welke hulp ik zal moeten inroepen om de door u genoemde problemen opgelost
te krijgen.”
1.21 Op 31 januari 2023 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Op mijn brief van 14 december jl. aan u, waarvan ik volledigheidshalve een afschrift
bijvoeg, ontving ik van u helaas geen reactie meer. Dat betreur ik zeer omdat ik de
onderhavige kwestie rondom mijn functioneren opgelost wil hebben en geen belang heb
om een situatie te laten voortbestaan waarbij een Deken mij harde persoonlijke verwijten
maakt, vervolgens een inhoudelijke gemotiveerde weerlegging daarvan negeert en de
zaal laat door sudderen. Dat is niet alleen in collegiale termen zeer onwenselijk
doch ook schadelijk voor reputaties.
Ik stel voor dat u mij binnen 7 dagen na heden inhoudelijk heeft bericht, bij gebreke
waarvan ik het er voor houd dat u ook niet meer op mijn brief zal gaan reageren.”
1.22 Op 7 februari 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Omdat ik het onbeleefd vind om niet te reageren op uw brieven, antwoord ik even
kort.
Inderdaad ga ik niet meer inhoudelijk in op uw lange brief van 14 december.
Ik wil best een keer met u afspreken in de dekenkamer op de rechtbank om alsnog
de lucht te klaren, maar herinner u eraan dat u een dergelijke eerder gemaakte afspraak
tot twee keer toe hebt afgezegd. Zo’n gesprek heeft alleen zin als u ervoor open staat
dat iemand (in dit geval ikzelf) kritiek heeft op bepaalde gedragingen. Mijn ervaringen
met u tot nu toe, is dat de signalen van anderen die aan u kenbaar gemaakt zijn, leiden
tot zeer uitgebreide en formele standpunten waaruit zou moeten blijken dat u het gelijk
volledig aan uw zijde heeft. En dat de ander (een voorzitter van de raad van discipline,
een rechter uit Den Bosch, een stafhouder uit Antwerpen, de vorige deken (…)) zich
uiteindelijk moet verdedigen omdat hij u bekritiseerd heeft.
Denk er even over na. Aan mijn kant is de bereidheid er.”
1.23 Daarop heeft klager in een brief gedateerd 6 februari 2024 gereageerd:
“Bijgaand zend ik u een afschrift van uw emailbericht d.d. 7 februari jl. naar de
inhoud waarvan ik u verwijs.
In het slot van dat emailbericht heeft u aangegeven dat ik goed na moet denken over
uw aanbod om een persoonlijk onderhoud met u te hebben over al uw harde en persoonlijke
verwijten aan mijn adres en mijn reactie daarop.
Ik heb besloten om van uw aanbod geen gebruik te maken omdat ik van mening ben dat
uw opstelling niet onafhankelijk en onpartijdig genoeg is, om deze kwestie te bespreken.
Sterker nog, u bent er persoonlijk in betrokken geraakt en daarbij buiten de toepasselijke
regels/regelgeving getreden.
Ik ben derhalve doende om een klachtzaak tegen u voor te bereiden. Daartoe dien
ik te beschikking over mijn volledige persoonlijke dossier (Advocatenwet) dat door
de Orde (zowel landelijk als in ieder geval lokaal) gedurende de afgelopen 10 jaar
is aangelegd. Ik heb daar belang bij omdat u zich daar in uw email van 7 februari
jl. – zelfs met verwijzing naar de vorige Deken – expliciet op heeft beroepen.
Ik wijs u er uitdrukkelijk op dat het van het grootste belang is dat u mij alle
dossierstukken verstrekt uit mijn dossier die u mij gezien de geldende regelgeving
mag verstrekken. Indien de regelgeving op dat onderdeel tekort schiet of mogelijk
zelfs onduidelijk en/of tegenstrijdig is (zie onder meer AVG), dan wil ik voorstellen
dat u zulks expliciteert en schriftelijk vastlegt onder beschrijving van dossierstukken
waarover het dan zou gaan. Het is dan aan de rechter om te oordelen in hoeverre u
kan worden gehouden dergelijke stukken alsnog in het geding te brengen.
Mag ik u vriendelijk verzoeken mij binnen 14 dagen na heden van de gevraagde dossierstukken
te voorzien? Mocht u behoeft hebben aan een langere termijn dan verneem ik dat graag
gemotiveerd van u. Ik heb geen bezwaar om de termijn nog wat te verlengen indien nodig.”
1.24 Op 13 november 2024 heeft klager bij de (huidige) deken van de Orde van
Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant een klacht ingediend over verweerder.
Bij beslissing van 28 november 2024 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline
de Haagse deken aangewezen voor onderzoek en afhandeling van de klacht.
1.25 Op 1 januari 2025 heeft verweerder zich op eigen verzoek laten schrappen
van het Tableau. Na het uitschrijven heeft verweerder gereageerd op de klacht, dat
door het Ordebureau is verzonden aan de Rotterdamse deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1, door zich niet te
hebben laten leiden door de in acht te nemen wettelijke bepalingen en verordeningen,
met inbegrip van de Europese regelgeving, en heeft zich gedragen op een wijze die
het vertrouwen in de advocaat alsook in zijn uitoefening van dekenale toezichthoudende
taken is geschaad.
b) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 7, door zich bij herhaling
onnodig grievend te hebben uitgelaten jegens klager, zelfs nadat klager daarover bij
herhaling zijn ongenoegen heeft geuit.
c) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door onjuiste informatie
te verstrekken door jegens klager verwijten te maken dat klager met iedereen moeilijkheden
maakt, iedereen meent de les te moeten lezen, geen inzicht/reflectie heeft in het
eigen handelen en zich verschuilend achter uitgebreide en formele standpunten zijn
ongelijk niet wil toegeven. Verweerder heeft niet aangetoond dat deze als feitelijke
waarheden gepresenteerde stellingen juist zijn.
d) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 11, door Europese regelgeving/gedragsregels
voor Europese advocaten niet te hebben nageleefd. Verweerder heeft een eigen niet
bestaande “service”procedure bedacht en uitgevoerd. De competentie van verweerder
is door de Antwerpse stafhouder niet procesmatig benoemd en vastgelegd, terwijl dat
wel was voorgeschreven.
e) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 12, door zich bij herhaling
op onzorgvuldige wijze te hebben uitgedrukt, onderzoek te hebben verricht, procedurele
regelgeving en protocollen te hebben genegeerd, zich onvoldoende in de feiten te hebben
verdiept en zich te laten leiden door een eigen persoonlijke agenda en vooringenomenheid.
Dit laatste houdt ook misbruik van bevoegdheid in. De ongefundeerde uitlatingen en
kritiek van verweerder op klager houden ook een schending van het gelijkheidsbeginsel
in.
f) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 24, door voortdurend
in zijn contacten met klager zich niet te hebben laten leiden door welwillendheid
en onderling vertrouwen. De correspondentie van verweerder ademt een polariserende
toezichthouder die niet is gericht op een welwillende benadering, terwijl het vertrouwen
in klager mede gezien zijn reputatie als oud-lid van de Raad van de Orde juist groot
is. Verweerder heeft dat miskend en had zich een passende opstelling moeten aanmeten
die aansluit bij de functie die klager heeft vervuld. Verweerder heeft klager een
zeer onveilig gevoel gegeven. Door goed gemotiveerde brieven van klager openlijk slechts
zeer summier te willen beantwoorden kan evenmin van een welwillende bandering sprake
zijn.
g) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 15, door zijn correspondentie
en procedurele contacten via het Ordebureau van de huidige deken Zeeland-West-Brabant
te laten verlopen. Verweerder mag geen juridische en/of ondersteunende bijstand ontvangen
van het Ordebureau van de huidige deken Zeeland-West-Brabant.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht
heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een
behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in
een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, dan blijft voor
hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere
functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur
wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd
met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt
kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid
niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in
de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd
met de norm van artikel 46 Advocatenwet.
Beoordeling
4.2 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder in zijn hoedanigheid van
deken het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Het behoort juist tot de taak
van de deken om, aan de hand van signalen en klachten, misstanden binnen de advocatuur
in diens arrondissement te onderzoeken en uit de wereld te helpen. Daartoe kan een
deken niet alleen de ‘harde’ handhavingsmogelijkheden gebruiken zoals bijvoorbeeld
een dekenbezwaar, maar juist ook het ‘zachtere’ instrumentarium zoals een normoverdragend
gesprek zodat een advocaat kan reflecteren op zijn handelen. De deken heeft daarin
een ruime vrijheid. Verweerder heeft klager aan de hand van de ontvangen signalen
en zijn eigen ervaringen mogen aanspreken op zijn gedrag. Dat klager daarop niet zat
te wachten en zich er ook niet mee kon verenigen, maakt niet dat het vertrouwen in
de advocatuur is geschaad. Het voormalig lidmaatschap van klager bij de Raad van de
Orde maakt niet dat verweerder hem niet had mogen aanspreken. Nog steeds is klager
als advocaat onderworpen aan het toezicht van de deken.
4.3 Het is de voorzitter evenmin gebleken waarom het vertrouwen in de advocatuur
zou zijn geschaad doordat verweerder aan klager vrijblijvend heeft aangeboden om zijn
berichten door te zenden aan de Antwerpse stafhouder. Verweerder heeft daarbij bovendien
ondubbelzinnig te kennen gegeven zich verder niet met die kwestie te bemoeien. Als
klager daar geen gebruik van wilde maken omdat hij daar grote problemen in zag, dan
stond het hem vrij om dat aanbod af te slaan.
4.4 Klachtonderdelen a) tot en met f) zijn kennelijk ongegrond.
4.5 Klachtonderdeel g) gaat over het versturen van correspondentie via het Ordebureau.
Dat is voor het eerst gebeurd op 16 januari 2025. Verweerder was op dat moment geen
advocaat meer, zodat de tuchtrechter niet kan oordelen over dit handelen. Dit klachtonderdeel
is kennelijk niet-ontvankelijk.
Conclusie
4.6 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdelen a) tot en
met f), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond
verklaren. Klachtonderdeel g) is, met toepassing van voornoemd artikel, kennelijk
niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdelen a) tot en met f), met toepassing van artikel 46j van
de Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel g), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 september 2025