ECLI:NL:TADRSGR:2025:191 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-534/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:191 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-10-2025 |
| Datum publicatie: | 14-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-534/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat. Verweerder heeft gehandeld als een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat. Ook heeft verweerder het arrest tijdig met klager willen bespreken. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
8 oktober 2025
in de zaak 25-534/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 7 augustus 2025 met kenmerk K078 2025 en van de op
de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende
stukken van klager van 25 augustus 2025 en van verweerder van 29 augustus 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft een geschil gehad over verborgen gebreken in de door hem gekochte
woning. Aanvankelijk heeft klager zich hiervoor tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar
gewend. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft de zaak in behandeling genomen en inhoudelijk
met de wederpartij gecorrespondeerd. Vervolgens is de zaak overgedragen aan verweerder
voor het dagvaarden van de wederpartij.
1.2 Op 20 juni 2022 heeft verweerder aan klager zijn eerste bevindingen ten aanzien
van de geborgen gebreken kenbaar gemaakt. Op 27 juni 2022 hebben klager en verweerder
een overleg gehad.
1.3 Op 27 oktober 2022 heeft verweerder namens klager een dagvaarding laten betekenen.
Daarin is een schadebedrag opgenomen van € 662.812,97, waarvan € 565.400,- voor energiekosten
omdat deze jaarlijks € 28.270,- hoger zouden liggen dan door de verkopers zou zijn
aangegeven.
1.4 Op 17 mei 2023 heeft de rechtbank Gelderland de vorderingen van klager afgewezen.
1.5 Op 30 mei 2023 heeft verweerder een memorandum verstuurd aan klager met daarin
duiding van de kansen van een hoger beroep. Verweerder concludeert daarin dat ten
aanzien van een aantal gebreken een hoger beroep zinvol is, waarbij voor sommige gebreken
een nadere onderbouwing of nader bewijs nodig is. Ten aanzien van een aantal andere
gebreken verwacht verweerder in hoger beroep geen andersluidend oordeel. Na input
van klager op het memorandum, heeft verweerder het memorandum aangepast en voorgelegd
aan de rechtsbijstandsverzekeraar. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft ingestemd met
het instellen van hoger beroep onder verlening van dekking.
1.6 Verweerder heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. Daarin is het schadebedrag
verminderd tot € 88.480,- ter opheffing van ondervonden nadeel en € 21.591,67 voor
geleden schade.
1.7 Bij vervroegd arrest van 4 maart 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
het vonnis van de rechtbank Gelderland bekrachtigd. Daarin heeft ook het gerechtshof
geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat klager bij de koop van de woning heeft
gedwaald of dat de verkopers toerekenbaar te kort zijn geschoten.
1.8 Op 5 maart 2025 rond het middaguur is het arrest per post ontvangen op het
kantoor van verweerder. Verweerder moest op dat moment naar een afspraak en heeft
het arrest niet direct met klager kunnen bespreken. Diezelfde middag heeft verweerders
secretaresse het arrest aan klager toegezonden.
1.9 Op 6 maart 2025 om 13:25 uur heeft verweerder aan klager kenbaar gemaakt
het arrest met hem te willen bespreken en daarvoor een overleg te willen inplannen.
1.10 Bij e-mail van 6 maart 2025, 13:49 uur, heeft klager zijn teleurstelling
over het arrest uitgesproken en verweerder verzocht zijn e-mail als klacht aan te
merken.
1.11 De klachtenfunctionaris heeft de klacht op grond van de kantoorklachtregeling
in behandeling genomen.
1.12 Op 14 maart 2025 heeft verweerder richting de klachtenfunctionaris een toelichting
gegeven op de ingediende klacht.
1.13 Op 2 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.14 Op 9 april 2025 heeft de klachtenfunctionaris de klacht op grond van de
kantoorklachtregeling afgewezen.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder is een gerechtelijke procedure gestart, terwijl die procedure geen
redelijke kans van slagen had en verweerder daarvoor onvoldoende expertise had;
b) Verweerder heeft geen contact opgenomen met klager, noch na ontvangst van
het arrest noch na de door klager ingediende klacht.
2.2 Klager heeft in zijn aanvullende stukken toegelicht dat hij niet uit is op
een schorsing van verweerder, maar dat hem een tegemoetkoming in de kosten voor met
name het hoger beroep redelijk lijkt, waaronder een proceskostenvergoeding.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.2 De door verweerder namens klager ingestelde vorderingen zijn tweemaal geheel
afgewezen. Hoewel de voorzitter begrijpt dat deze uitkomst voor klager frustrerend
is, betekent dit echter niet dat verweerder alleen daarom al tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Dat is slechts het geval wanneer verweerder niet te werk zou zijn
gegaan als redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat. De voorzitter is van oordeel
dat daarvan geen sprake is. Uit de dagvaarding en de memorie van grieven kan niet
worden afgeleid dat verweerder evident onpleitbare standpunten heeft ingenomen. De
vorderingen zijn gemotiveerd en onderbouwd met verklaringen van (door klager ingeschakelde)
deskundigen. Nadat de vorderingen door de rechtbank zijn afgewezen, heeft verweerder
in zijn memorandum uitvoerig toegelicht bij welke vorderingen hij een hoger beroep
al dan niet kansrijk achtte, al dan niet na aanvulling van de motivering of het bewijs.
Verweerder is zodoende weloverwogen tot een advies gekomen, dat klager wel of niet
kon overnemen. Daar komt bij dat ook de rechtsbijstandsverzekeraar achter het instellen
van het hoger beroep stond, terwijl deze slechts dekking verleent als sprake is van
een redelijke kans van slagen. Dat de rechtbank en het gerechtshof anders hebben geoordeeld
dan gehoopt, maakt niet dat verweerder onredelijk heeft gehandeld. Het is nu eenmaal
een risico van een juridische procedure dat een partij in het ongelijk wordt gesteld.
Verweerder heeft die risico’s vooraf voldoende in kaart gebracht. Ook anderszins is
het de voorzitter niet gebleken dat verweerder onvoldoende expertise in huis had om
de belangen van klager in deze zaak te behartigen. Klachtonderdeel a) is kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.3 Uit de hiervoor genoemde feiten is gebleken dat verweerder weldegelijk op
korte termijn contact heeft gezocht met klager na ontvangst van het arrest. Daarbij
heeft verweerder toegelicht dat hij het arrest niet dezelfde dag met klager heeft
kunnen bespreken vanwege andere verplichtingen die hij al had. Verweerder heeft daarmee
niet klachtwaardig gehandeld.
4.4 Verweerder heeft vervolgens evenmin klachtwaardig gehandeld door niet met
klager in contact te treden nadat de klacht op grond van de kantoorklachtenregeling
was ingediend. Hij heeft de klacht tijdig doorgezonden aan de klachtenfunctionaris
en heeft ook op korte termijn een toelichting gegeven op de klacht. Daarmee heeft
verweerder gehandeld zoals van hem mag worden verwacht. Klachtonderdeel b) is kennelijk
ongegrond.
Conclusie
4.5 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j van de Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober
2025.