ECLI:NL:TADRARL:2026:202 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-223/AL/GlD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:202 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-10-2026 |
| Datum publicatie: | 26-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-223/AL/GlD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Verweerder heeft onvoldoende met klaagster, zijn cliënte, gecommuniceerd en haar op een aantal momenten niet op de hoogte gebracht van belangrijke informatie en feiten. Gelet op de ernst van dit handelen en nalaten en omdat verweerder al eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, zal aan verweerder een berisping worden opgelegd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 26 oktober 2026
in de zaak 26-223/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. H.C. Egger-van Oppen
over
verweerder
gemachtigde: mr. R. Sanders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 30 mei 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 18 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24/62 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 juni 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder, beiden met hun gemachtigde, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster heeft het (voormalig) kantoor van verweerder benaderd met het verzoek om haar bij te staan in een kwestie met haar verhuurder, W (hierna: verhuurder), en een kwestie met haar overbuurvrouw.
2.2 De woning van klaagster zou volgens haar meerdere gebreken hebben. In verband met de klachten van klaagster over de woning is in 2022 namens de verhuurder een persoon van de organisatie D (een bouwbedrijf) bij klaagster thuis geweest. Volgens klaagster zijn er op dat moment foto’s gemaakt van onder andere het dak en is er een rapport opgesteld.
2.3 In e-mails van 21 en 29 april 2022 heeft mr. B (hierna: B), voormalig kantoorgenoot van verweerder, de opdracht voor bijstand aan klaagster bevestigd. Die opdrachtbevestiging luidt als volgt:
U wenst dat ik u bij sta in een kwestie met W. (…) U wenst dat er een inspectie moet plaatsvinden in de woning en dat het probleem wordt verholpen. Daarnaast wenst u schadevergoeding. (…) U wenst dat ik u bij sta in een kwestie met uw overbuurvrouw. (…) U wenst dat de overbuurvrouw de overlast staakt. Ook wenst u dat W optreedt tegen deze overlast.
2.4 Op enig moment heeft verweerder de bijstand aan klaagster overgenomen.
2.5 Op 25 mei 2022 heeft verweerder bij de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging aangevraagd voor de bijstand van klaagster.
2.6 Tot en met de maand februari 2024 had klaagster bij de verhuurder een huurachterstand van € 2.910,75. De verhuurder heeft klaagster naar aanleiding hiervan in een procedure betrokken. Op 4 maart 2024 heeft bij de rechtbank Gelderland, afdeling kanton, de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de kwestie met betrekking tot de huurachterstand tussen klaagster en de verhuurder. Klaagster werd tijdens de mondelinge behandeling bijgestaan door verweerder. Tijdens de mondelinge behandeling is mondeling uitspraak gedaan.
2.7 In e-mails van 8 en 28 mei 2024 heeft klaagster verweerder verzocht om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2024.
2.8 In een e-mail van 30 mei 2024 heeft verweerder het volgende aan klaagster geschreven:
Het beroep wordt zoals afgesproken tijdig ingesteld. De stukken zijn al naar de deurwaarder.
2.9 Op 30 mei 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend tegen verweerder.
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de belangen van klaagster als cliënt onvoldoende te behartigen;
b) juridisch ondermaats te presteren;
c) klaagster in strijd met de informatieplicht uit gedragsregel 16 niet te informeren over het ingediende hoger beroep;
d) niets voor klaagster te doen terwijl de toevoegingen waren toegewezen en verweerder uitbetaald heeft gekregen.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.4 In de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand daarover moet de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk vastleggen. Als de advocaat dit niet doet, komt het bewijsrisico daarvan op de advocaat te rusten.
5.5 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en c)
5.6 In de klachtonderdelen a) en c) maakt klaagster verweerder een aantal verwijten dat ziet op de (in de ogen van klaagster) gebrekkige communicatie door verweerder. De raad ziet daarom aanleiding om deze klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen.
5.7 Klaagster stelt dat een op de zitting gesloten betalingsregeling ten onrechte niet in het proces-verbaal van de zitting is opgenomen en zij verweerder heeft verzocht om hierover contact op te nemen met de rechtbank. De raad is van oordeel dat verweerder aan dit verzoek van klaagster had moeten voldoen, of – als verweerder van mening was dat dit geen zin had – klaagster op dit punt moeten informeren over wat wel en niet mogelijk was. Door dit na te laten heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
5.8 Uit het dossier blijkt verder dat klaagster verschillende e-mailberichten en stukken over de gebreken in haar woning, aan verweerder heeft gestuurd. Uit die stukken volgt dat klaagster wilde dat hij namens haar de verhuurder op die gebreken zou aanspreken. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat op het moment dat hij de zaak overnam, niet was gebleken van gebreken die een procedure rechtvaardigden. De raad is van oordeel dat uit het klachtdossier (onvoldoende) blijkt dat verweerder klaagster (schriftelijk) heeft geïnformeerd over zijn standpunt dat hij geen kans van slagen zag op dit punt en hij daarom – zo begrijpt de raad – niet aan dit verzoek van klaagster heeft voldaan. Verweerder had dat wel behoren te doen. Door dat na te laten heeft hij ook op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
5.9 Klaagster heeft verweerder meermaals verzocht om een bewijs te sturen dat hij namens haar hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2024 had ingesteld. Verweerder heeft haar wel laten weten dat hij hoger beroep had ingesteld maar een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep - waarmee hij kon laten zien dat hij daadwerkelijk hoger beroep had ingesteld - heeft hij niet aan klaagster verstrekt. Verweerder heeft niet kunnen uitleggen waarom hij dat niet heeft gedaan. De raad is van oordeel dat als een cliënt dit vraagt, een advocaat dit in beginsel behoort te verstrekken. Verweerder heeft dat nagelaten en dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.10 In dit klachtonderdeel heeft klaagster verweerder nog meer verwijten gemaakt. De raad is van oordeel dat die verwijten niet vast zijn komen te staan. Uit de inhoud van het klachtdossier is niet gebleken dat verweerder (structureel) niet of onvoldoende op berichten van klaagster heeft gereageerd. Ook is niet gebleken dat klaagster aan verweerder een opdracht heeft gegeven om een klacht over de wijkagent in te dienen. De omstandigheid dat verweerder dat niet heeft gedaan, is dan ook niet klachtwaardig. Verder is niet vast komen te staan dat klaagster meermaals aan verweerder heeft verzocht om het rapport van D op te vragen. Met betrekking tot deze verwijten is dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdelen b) en d)
5.11 Klaagster stelt dat verweerder juridisch ondermaats heeft gepresteerd (klachtonderdeel b) en niets voor haar heeft gedaan (klachtonderdeel d), in het bijzonder met betrekking tot de zitting van 4 maart 2024. Die verwijten zijn niet vast komen te staan. Uit de inhoud van het klachtdossier kan de raad niet vaststellen dat de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder op dit punt onjuist of ondermaats is geweest. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.
5.12 De raad is echter wel van oordeel dat verweerder ook op dit punt onvoldoende met klaagster heeft gecommuniceerd. Vóór de zitting heeft klaagster ter onderbouwing van haar standpunten een groot aantal stukken aan verweerder gestuurd. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat hij in die stukken geen aanknopingspunten zag om de standpunten van klaagster te onderbouwen. Verweerder heeft dat echter niet, althans onvoldoende, met klaagster besproken. Hij had met haar moeten bespreken (en vastleggen) welke stukken in zijn ogen relevant waren voor de zaak en welke stukken hij zou gaan indienen. Verweerder heeft dat echter niet gedaan. Van dat nalaten kan verweerder een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is in zoverre wel gegrond.
6 MAATREGEL
Verweerder heeft onvoldoende met klaagster, zijn cliënte, gecommuniceerd en haar op een aantal momenten niet op de hoogte gebracht van belangrijke informatie en feiten. Gelet op de ernst van dit handelen en nalaten en omdat verweerder al eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, zal aan verweerder een berisping worden opgelegd.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a), b) en c) - gedeeltelijk - gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. M. Lont en G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 26 oktober 2026