ECLI:NL:TADRARL:2026:201 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-110/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:201
Datum uitspraak: 26-10-2026
Datum publicatie: 26-10-2026
Zaaknummer(s): 26-110/AL/MN
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over eigen advocaat. Klaagster stelt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De raad verklaart deze klacht ongegrond.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 26 oktober 2026
in de zaak 26-110/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster 
vertegenwoordiger: [Z]

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 16 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 10 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2487988 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 juni 2026. Daarbij waren de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een civiele procedure ter zake een vordering tot betaling van achterstallige huur. 

2.2    In eerste aanleg heeft de kantonrechter te Amsterdam in een vonnis van 9 juni 2022 de vordering van de wederpartij afgewezen. De kantonrechter heeft in dat vonnis overwogen dat de wederpartij niet kan terugkomen op haar erkenning bij dagvaarding dat zij heeft meegewerkt aan de voortijdige beëindiging van de huur, waarmee de grondslag aan haar vorderingen ontvalt. 

2.3    De wederpartij heeft tegen het vonnis van 9 juni 2022 hoger beroep ingesteld. Na het indienen van de memorie van antwoord op 11 april 2023 is een zitting bepaald op 8 oktober 2024. 

2.4    Op 1 oktober 2024 heeft mr. V, de advocaat van de wederpartij, een aanvullende productie bij het gerechtshof ingediend. Deze bevat e-mails van de advocaat van de wederpartij aan klaagster van 11 juni en 1 juli 2020, waarin aanspraak werd gemaakt op schadevergoeding. 

2.5    Verweerder heeft dezelfde dag de aanvullende productie doorgestuurd en daarin aan klaagster verzocht om bewijs die de inhoud van de productie zou kunnen weerleggen.

2.6    Op 3 oktober 2024 heeft een digitale bespreking tussen verweerder en klaagster plaatsgevonden over de komende zitting. 

2.7    Verweerder heeft vervolgens op 7 oktober 2024 spreekaantekeningen gemaakt en aan klaagster gestuurd. 

2.8    Tijdens een schorsing van de zitting van 8 oktober 2024 hebben partijen geprobeerd de zaak te schikken. 

2.9    Op 25 oktober 2024 heeft klaagster aan verweerder laten weten rechtstreeks met de advocaat van de wederpartij in overleg te willen treden, waarmee deze advocaat akkoord is gegaan. Partijen hebben om die reden het gerechtshof verzocht de zaak op de parkeerrol te plaatsen. Dit overleg heeft geleid tot een schikking. Desondanks heeft het gerechtshof op 17 december 2024 arrest gewezen. 

2.10    Het gerechtshof heeft in haar arrest van 17 december 2024 het vonnis waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende klaagster veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 36.962,15 aan de wederpartij. Het gerechtshof heeft in dit arrest het volgende overwogen:

De door [wederpartij] ingenomen stelling is geen gerechtelijke erkentenis

5.1. Het eerste punt dat partijen verdeeld houdt is de vraag of de stelling die [wederpartij] in haar dagvaarding heeft ingenomen een gerechtelijke erkentenis is.

5.2. In de inleidende dagvaarding heeft [wederpartij] het volgende geschreven:
De huurovereenkomst liep officieel tot eind 2021, maar in maart 2020 heeft Huurder aangegeven niet meer te kunnen voldoen aan zijn betalingsverplichting op grond van de huurovereenkomst en verzocht de huurovereenkomst eerder te laten eindigen. Verhuurder heeft hieraan meegewerkt en op 1 juli 2020 is de huurovereenkomst tussen partijen beëindigd.

5.3. Een gerechtelijke erkentenis is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk of ondubbelzinnig erkennen van de waarheid van één of meer stellingen van de wederpartij (artikel 154 Rv).

5.4. Naar het oordeel van het hof staat de onder 5.2 bedoelde uitlating van [wederpartij]niet in de weg aan toewijzing van haar vorderingen. Weliswaar heeft [wederpartij] erkend dat de huurovereenkomst tussen partijen op 1 juli 2020 is geëindigd, maar dat brengt niet mee dat zij ook ondubbelzinnig heeft erkend dat [wederpartij] daarmee niets meer van [klaagster] in dit verband te vorderen heeft. Dit oordeel steunt onder meer op de inhoud van twee e-mails van de advocaat van [wederpartij], mr. V. Hij schreef eerst op 11 juni 2020 aan [klaagster]:

(…) Uw voorstel is niet akkoord. Ik heb cliënte inmiddels geadviseerd jegens u een gerechtelijke (incasso)procedure te starten nu partijen er kennelijk niet uitkomen. In die procedure zal de schade van cliënte worden gevorderd wegens het (door u gewenste) tussentijdse einde van de huurovereenkomst en voorts de kosten die tot op heden zijn gemaakt in dat verband. (…)

Vervolgens schreef mr. V op 1 juli 2020, de datum waarop [klaagster] het pand verliet en de sleutel aan [wederpartij]teruggaf, het volgende aan [klaagster]:

(…) U probeert nu op een andere manier een zogenaamde regeling erdoor te drukken. (…) partijen hebben geen regeling. U heeft alle schade van cliënte te vergoeden en cliënte maakt daar aanspraak op.

In het licht van de inhoud van deze correspondentie heeft [klaagster] de mededeling van [wederpartij] in de dagvaarding in ieder geval niet zo mogen opvatten dat [wederpartij] met die mededeling (ook) afstand deed van alle aanspraken in verband met de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst.

5.5. [klaagster] heeft aangevoerd dat de kantonrechter onder 1.3 van het bestreden vonnis heeft overwogen dat [wederpartij] heeft meegewerkt aan een voortijdige beëindiging van de huur per 1 juli 2020 en dat [klaagster] per die datum de ruimte aan [wederpartij] heeft opgeleverd, en dat tegen die vaststelling geen grief is gericht. Daarmee staat deze overweging tussen partijen vast, aldus [klaagster].

5.6. Echter geldt dat ook uit rechtsoverweging 1.3 van het bestreden vonnis niet voortvloeit dat [wederpartij] heeft meegewerkt aan een voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst zonder verdere aanspraken.

5.7. Op grond van het voorgaande slaagt grief 1. Dat leidt ertoe dat de grond waarop de kantonrechter de vorderingen van [wederpartij] in eerste aanleg heeft afgewezen, wegvalt. Het hof zal deze vorderingen hierna opnieuw behandelen.

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door haar zaak onzorgvuldig te behandelen.

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.2    De raad stelt op grond van de stukken in het klachtdossier en het verhandelde op de zitting het volgende vast. De kantonrechter heeft de vorderingen van de wederpartij van klaagster afgewezen. De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat de wederpartij niet kan terugkomen op haar erkenning bij dagvaarding dat zij heeft meegewerkt aan een voortijdige beëindiging van de huur waarmee de grondslag aan haar vordering ontvalt. De wederpartij is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Vóór de zitting heeft de wederpartij een stuk ingebracht om de gerechtelijke erkentenis te ontkrachten. Het hof heeft in haar arrest op dit punt – onder meer op grond van de in hoger beroep door de wederpartij overgelegde correspondentie - anders geoordeeld dan de kantonrechter, het vonnis van de kantonrechter vernietigd en klaagster veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 36.962,15 aan de wederpartij.  

5.3    Klaagster verwijt verweerder dat hij onvoldoende heeft gedaan om de in hoger beroep naar voren gebrachte (en met correspondentie onderbouwde) ontkrachting door de wederpartij van de gerechtelijke erkentenis, te weerleggen. 

5.4    De raad volgt klaagster niet in dit verwijt. Verweerder heeft klaagster direct na ontvangst van de door verweerder gestuurde correspondentie verzocht om aan te geven op welke wijze en met welk bewijs deze correspondentie zou kunnen worden weerlegd. Klaagster was bovendien bekend met deze correspondentie en klaagster en verweerder hebben in eerste aanleg er (weloverwogen) voor gekozen om deze niet te overleggen en om alleen een beroep te doen op een gerechtelijke erkentenis. De erkentenis en de ingebrachte correspondentie zijn vervolgens uitgebreid aan de orde geweest op de zitting in hoger beroep en verweerder heeft op dat moment de stelling van klaagster naar voren gebracht. Dat verweerder onvoldoende heeft gedaan om de stelling van de wederpartij te ontkrachten, is niet gebleken. Ook verder is niet vast komen te staan dat verweerder de zaak van klaagster onzorgvuldig heeft behandeld. 

5.5    De raad concludeert op grond van het voorgaande dat de klacht van klaagster ongegrond moet worden verklaard. 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. M. Lont en G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.
  

Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 26 oktober 2026