ECLI:NL:TADRARL:2026:200 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-765/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:200
Datum uitspraak: 08-06-2026
Datum publicatie: 19-10-2026
Zaaknummer(s): 25-765/AL/GLD
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie:  Tussenbeslissing van de raad met gegrond verzet met de overweging dat de klacht op een zitting wordt behandeld.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 8 juni 2026
in de zaak 25-765/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 12 januari 2026 op de klacht van:

klager
over
verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 20 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 6 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/35 van de deken ontvangen. Op 27 november 2025 heeft de raad een e-mail van klager gedateerd 26 november 2025 ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 12 januari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 11 februari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 
1.4    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 20 april 2026. Daarbij waren klager en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.5    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. 

2    VERZET
De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I)    de beslissing van de voorzitter berust op een onvolledige en onjuiste feitelijke grondslag;
II)    ten onrechte heeft de voorzitter in rechtsoverwegingen 4.3 en 4.5 overwogen dat zowel haar kantoorgenoot als verweerster meermaals schriftelijk duidelijk hebben duidelijk gemaakt dat het kantoor alleen zaken op betalende basis doet, klager daarmee heeft ingestemd en heeft afgezien van gefinancierde rechtsbijstand. De opdrachtbevestiging van 2 juni 2023 bevat geen expliciete uitsluiting van toevoegingsbijstand voor klager. Evenmin is daarin vastgelegd dat het kantoor van verweerster niet op toevoegingsbasis werkt. De voorzitter is uitgegaan van een onjuiste aannames, waaronder de aanname dat verweerster heeft onderzocht dat klager niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam;
III)    de voorzitter heeft in rechtsoverweging 4.5 miskend dat vanaf 22 juni 2023, na verlening van een toevoeging aan klager en zijn advocaat mr. Van H en toezending daarvan op 23 juni 2023 aan verweerster, sprake is geweest van gewijzigde situatie ten opzichte van de situatie bij aanvang van de opdracht op 2 juni 2023. In haar e-mail van 23 juni 2023 heeft verweerster daarna niet alsnog ondubbelzinnig aan klager kenbaar gemaakt dat haar kantoor niet op toevoegingsbasis werkt en zij uitsluitend op betalende basis voor hem verder wilde gaan. Op grond van gedragsregel 18 had tussentijds overleg tussen verweerster en klager over de tussentijdse mogelijkheid voor gefinancierde rechtsbijstand moeten plaatsvinden, temeer daar verweerster al voor 2 juni 2023 op de hoogte was van de beperkte liquiditeit van klager. Verweerster heeft dit ten onrechte nagelaten en de voorzitter heeft dit ten onrechte niet meegenomen in de beoordeling. 

3    BEOORDELING
3.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
3.2    De raad is van oordeel dat de voorzitter de zaak heeft beoordeeld vanuit een te beperkte klachtomschrijving en een deels onjuiste feitelijke grondslag, zodat het verzet gegrond is. 
3.3    De voorzitter heeft de klacht te beperkt opgevat door in de klachtomschrijving alleen te vermelden dat verweerster niet heeft onderzocht of haar werkzaamheden gedekt werden door zijn rechtsbijstandsverzekering. Uit de toelichting op de klacht had de voorzitter kunnen afleiden dat het klager ook ging om het ontbreken van een onderzoek naar de mogelijkheid voor klager om op basis van gefinancierde rechtshulp door verweerster te worden bijgestaan. 
3.4    In rechtsoverweging 4.3 heeft de voorzitter overwogen dat uit de opdrachtbevestiging van 2 juni 2023 volgt dat verweerster heeft onderzocht dat klager niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. Naar het oordeel van de raad blijkt niet uit de opdrachtbevestiging dat verweerster een deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid voor klager om eventueel gefinancierde rechtshulp te krijgen, dit terwijl zij bekend was met zijn liquiditeitsproblemen. Evenmin is de raad uit de stukken gebleken dat klager afstand heeft gedaan van zijn mogelijke recht op gefinancierde rechtshulp. 
3.5    In rechtsoverweging 4.5 heeft de voorzitter overwogen dat vast staat dat verweerster klager meermaals schriftelijk duidelijk heeft gemaakt dat haar kantoor alleen zaken op betalende basis doet. Dat dit (meermaals) is gebeurd, is de raad uit de overgelegde stukken niet gebleken. 
3.6    Tijdens de zitting van de raad heeft verweerster gesteld dat een maand na de opdrachtbevestiging op verzoek van klager, en later opnieuw, afwijkende betalingsafspraken zijn gemaakt. Dit standpunt van verweerster wordt niet door de stukken onderbouwd en vraagt om nader onderzoek.
3.7    Nu het verzet slaagt, moet de uitgebreide klacht alsnog door de raad inhoudelijk worden beoordeeld. Daartoe wordt een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk geacht. Klager en verweerster kunnen dan hun inhoudelijke standpunten over de klacht gemotiveerd toelichten. Klager en verweerster zullen hiertoe te zijner tijd een uitnodiging van de griffie van de raad ontvangen. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart het verzet gegrond.

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. A.E. Mulder en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
  


Griffier                            Voorzitter
 

Verzonden d.d. 8 juni 2026