ECLI:NL:TADRARL:2026:199 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-732/AL/NN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:199
Datum uitspraak: 13-07-2026
Datum publicatie: 19-10-2026
Zaaknummer(s): 25-732/AL/NN
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Klacht over een deken. Gegrond verzet.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 13 juli 2026
in de zaak 25-732/AL/NN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 8 januari 2026 op de klacht van:

klaagster 
over
voormalig deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant
verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 27 maart 2025 heeft klaagster bij het hof van discipline een klacht ingediend over verweerder. In een beslissing van 10 april 2025 heeft de voorzitter van het hof van discipline deze klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken in het arrondissement Noord-Nederland.
1.2    Op 23 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN033/2486557 van de deken ontvangen. 
1.3    In een beslissing van 8 januari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 
1.4    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. 
1.5    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. 

2    VERZET
De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.
I)    Het oordeel van de voorzitter dat niet is gebleken dat verweerder in deze zaak niet onafhankelijk was, is onjuist.  
II)    De voorzitter heeft ten onrechte geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder ondeugdelijk onderzoek naar de klacht heeft verricht en dat niet is gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. 

3    BEOORDELING
3.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
Met betrekking tot verzetgrond II
3.2    De raad stelt op grond van het klachtdossier en het verhandelde op de zitting het volgende vast. Klaagster was tot 12 mei 2022 in dienst van een advocatenkantoor. Haar partner heeft verweerder op 28 juni 2023 telefonisch een signaal gegeven van grensoverschrijdend gedrag van een van de advocaten van dat kantoor. Hij vertelde nog niet om wie het ging. Op 12 juli 2023 maakte klaagster zich bij verweerder bekend en schreef meteen ook dat zij geen vervolg wilde geven aan het signaal. Verweerder heeft desalniettemin de kwestie opgepakt, ook omdat een partner van het betreffende advocatenkantoor hem inmiddels zelf ook op de hoogte had gesteld van de beschuldiging. Het advocatenkantoor heeft een extern bureau de opdracht gegeven om de situatie te onderzoeken. Verweerder heeft klaagster geadviseerd om aan dat onderzoek mee te werken. Dat heeft ze in eerste instantie ook gedaan. Klaagster heeft op 28 augustus 2023 een klacht tegen de betreffende advocaat ingediend. Klaagster en verweerder hebben afgesproken om de klacht te parkeren in afwachting van de onderzoeksresultaten. Klaagster heeft op enig moment niet meer aan het onderzoek meegewerkt en heeft verweerder op 22 november 2023 verzocht om de geparkeerde klacht op te pakken. Verweerder heeft klaagster uitgenodigd voor een gesprek op 21 december 2023. Op 10 januari 2024 is het definitieve rapport van het externe bureau opgeleverd. Verweerder heeft op 26 januari 2024 een normoverdragend gesprek gevoerd met de betreffende advocaat, dit was in aanwezigheid van de partner van het kantoor van de advocaat die zich bij verweerder had gemeld met de onderliggende kwestie. Op 14 maart 2024 heeft verweerder zijn standpunt in de klachtzaak tegen de betreffende advocaat gegeven. Zijn visie kwam er op neer dat er onvoldoende aanleiding was om een dekenbezwaar in te dienen.
3.3    Uit deze gang van zaken blijkt dat klaagster het op enig moment niet (meer) eens was met het - in opdracht van het kantoor van de beklaagde advocaat - uitgevoerde onderzoek. Dat heeft zij ook duidelijk aan verweerder kenbaar gemaakt. Gelet op dit standpunt van klaagster, is de beslissing van verweerder om (nadat het definitieve rapport was opgeleverd) geen zelfstandig onderzoek naar de klacht te doen en klaagster op dat moment niet in de gelegenheid te stellen om haar klacht nader toe te lichten, niet zonder meer begrijpelijk. De raad is van oordeel dat de juistheid van het andersluidende oordeel van de voorzitter op dit punt - (onder meer) inhoudende dat er voor verweerder geen reden was om het onderzoek van het onderzoeksbureau over te doen - in redelijkheid moet worden betwijfeld. Dat betekent dat het verzet gegrond is.
3.4    Nu het verzet slaagt, moet de klacht alsnog door de raad inhoudelijk worden beoordeeld. De behandeling van de klacht zal op een nadere zitting plaatsvinden. Klaagster en verweerder kunnen dan hun inhoudelijke standpunten over de klacht gemotiveerd toelichten. Klaagster en verweerder zullen hiertoe te zijner tijd een uitnodiging van de griffie van de raad ontvangen. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart het verzet gegrond.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. A.W. Siebenga en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
  


Griffier                                                              Voorzitter

Verzonden d.d. 13 juli 2026