ECLI:NL:TADRARL:2026:187 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-529/AL/OV

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:187
Datum uitspraak: 21-09-2026
Datum publicatie: 21-09-2026
Zaaknummer(s): 26-529/AL/OV
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 21 september 2026
in de zaak 26-529/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 25 juni 2026 met kenmerk 2539347. 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager heeft verweerder overeenkomstig een notitie van 11 september 2025 opdracht gegeven om een opdracht neer te leggen bij een deurwaarder (Van H & Partners, dan wel een andere deurwaarder) om een herstelexploot uit te brengen.

1.2    Verweerder heeft klager in een brief van 18 september 2025 onder andere bericht dat hij een voorschot ter hoogte van het griffierecht verlangt, als klager wil dat verweerder overgaat tot het sturen van het herstelexploot aan het gerechtshof om de zaak aan te brengen. Verweerder heeft voor het bepalen van de hoogte van het griffierecht klager gevraagd om de processtukken in eerste aanleg aan te leveren.

1.3    Het herstelexploot is op 19 september 2025 door gerechtsdeurwaarder H van Van H gerechtsdeurwaarders uitgebracht.

1.4    Verweerder heeft het uitgebrachte herstelexploot niet naar het gerechtshof gestuurd en de zaak is daarom niet door verweerder bij het gerechtshof aangebracht.

1.5    Op 10 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij zijn zaak heeft aangenomen en daartoe een voorschotnota heeft gezonden, maar de zaak vervolgens niet heeft aangebracht bij het Gerechtshof te Amsterdam. Ook geeft klager aan dat hij verweerder op 17 september 2025 een expliciete opdracht heeft gegeven om de zaak te stoppen, gezien de vele e-mailberichten en telefoontjes. 

3    VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

4.2    Klager en verweerder verschillen van mening over de omvang van de door klager aan verweerder verstrekte opdracht. Volgens klager omvat de opdracht niet alleen het (laten) uitbrengen van een herstelexploot, maar ook het aanbrengen daarvan bij het gerechtshof. Verweerder is echter van oordeel dat de expliciete opdracht het (laten) uitbrengen van een herstelexploot betrof, waarbij verweerder, althans zijn kantoorgenoot, bereid was de zaak aan te brengen bij het gerechtshof en klager in hoger beroep bij te staan. Zover is het echter volgens verweerder niet gekomen, omdat klager geen openheid van zaken gaf en niet de gevraagde stukken aanleverde. Ook bleek klager volgens verweerder niet bereid het vereiste griffierecht bij wijze van voorschot te voldoen. 

4.3    De voorzitter concludeert uit de (summiere) opdrachtbevestiging dat de oorspronkelijke opdracht van klager aan verweerder beperkt is tot het uitbrengen van het exploot. Dit is wat verweerder heeft gedaan. Vervolgens heeft verweerder klager de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van zijn bijstand, althans die van zijn collega, voor de rest van deze procedure. De voorzitter is van oordeel dat verweerder duidelijk is geweest in de door hem te verrichten taken en werkzaamheden, zodat duidelijk was wat hij wel en niet zou doen voor klager. De voorzitter is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder een deel van de opdracht niet heeft uitgevoerd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is daarom geen sprake. 

4.4    Verder klaagt – zo begrijpt de voorzitter – klager er over dat verweerder, nadat klager aan verweerder had laten weten dat hij met de zaak moest stoppen, toch nog aan aantal e mailberichten heeft gestuurd. De voorzitter volgt klager niet in dit verwijt. In de door klager bedoelde e-mail vraagt klager slechts om een eindnota. Bovendien – voor zover al sprake zou zijn van beëindiging van de opdracht door klager – staat het een advocaat vrij om ook na een beëindiging van de opdracht contact op te nemen met een (voormalige) cliënt, om de zaak op een correcte manier af te sluiten.

4.5    Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.


Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.
  


Griffier         Voorzitter 

Verzonden op : 21 september 2026