ECLI:NL:TADRARL:2026:184 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-566/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:184 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 08-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-566/AL/NN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 7 september 2026
in de zaak 26-566/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 1 juli 2026 met kenmerk 2025 KNN172 / 2545503.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is eigenaar van een woning die is gefinancierd met een hypothecaire geldlening van de bank.
1.2 Op 12 maart 2024 heeft een deurwaarder executoriaal beslag gelegd op de woning van klager op verzoek van W S B.V. op basis van een vonnis van 1 november 2023.
1.3 In een brief van 16 maart 2024 heeft de bank klager bericht dat de bank het beslag heeft overgenomen van de deurwaarder.
1.4 Na correspondentie richting klager vanuit de bank, heeft de deurwaarder de op 27 mei 2025 te houden veiling aangezegd.
1.5 Klager heeft in kort geding onder meer een verbod van de executieveilig gevorderd. Klager heeft aangevoerd dat hij niet in verzuim verkeerde ten opzichte van de bank en dat er bovendien geen executoriaal beslag op zijn woning lag, omdat de schuld jegens W S B.V. reeds was voldaan.
1.6 De bank is in deze procedure bijgestaan door verweerder.
1.7 De bank heeft zich op het standpunt gesteld dat klager structureel één maand achterstand had in de aflossing c.q. rentebetaling van zijn hypotheek. Klager heeft gesteld dat er geen sprake was van een achterstand.
1.8 Tijdens de zitting werd duidelijk dat klager de schuld waarvoor door W S BV destijds beslag was gelegd, had voldaan. De bank was hiervan niet eerder op de hoogte.
1.9 In het vonnis van 26 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:
Nu niet vaststaat dat er een betalingsachterstand is en in kort geding geen plaats
is voor een onderzoek daarnaar, is een executieveiling op deze grond niet gerechtvaardigd.
Mocht blijken dat er wel sprake is van een achterstand van een maand, dan zou een
executieveiling enkel op deze grond buitenproportioneel zijn.
1.10 Op 25 november 2025 is klager door de bank gedagvaard. In randnummers 6, 7,
8, 9 en 28 van de dagvaarding heeft verweerder het volgende geschreven:
6. Met verwijzing naar productie 5 heeft W S BV beslag gelegd ten laste van D op de
woning. De bank heeft D daarvan met verwijzing naar productie 6 in kennis gesteld.
De bank heeft D dringend - en bij herhaling - geadviseerd (betalings)afspraken te
maken met de beslaglegger, bij gebreke waarvan de bank genoodzaakt is om de onroerende
zaak te executeren.
7. Los van het beslag van W S B.V. was sprake van een betalingsachterstand. De bank
verwijst in deze naar de correspondentie van productie 7 tot en met 11. Het ging om
een achterstand in de reguliere termijnen en kosten die de bank heeft gemaakt en die
D niet heeft willen betalen.
8. Ten aanzien van de reguliere termijnen stelt D dat er geen sprake zou zijn van
een achterstand in dezen. Het tegendeel was het geval. D moest namelijk met verwijzing
naar pagina 4 van de overeenkomst van productie 1 op de laatste dag van de maand betalen,
oftewel vóór de eerste dag van de volgende maand. D betaalt evenwel structureel te
laat; nimmer vóór de eerste dag van de maand, altijd later. Ter zake van de maandtermijnen
vanaf juni 2024 betaalt hij zelfs structureel bijna een maand te laat. Er was dan
ook structureel sprake van een maand achterstand in de reguliere betaaltermijnen.
9. Het is de bank niet duidelijk waarom D niet op tijd betaalde - hij kon kennelijk
wel betalen - en dus de betalingsachterstand niet voldeed. Ook dit lijkt hij tegen
beter weten in te betwisten. Het is in ieder geval duidelijk dat de bank D herhaaldelijk
op de betalingsachterstand en de gevolgen daarvan heeft gewezen. Met verwijzing naar
productie 11 heeft D ook niet om hulp van de bank gevraagd, in tegendeel.
10. Mede gelet op het gelegde beslag van W S B.V. en de betalingsachterstand - en
de wijze waarop D daarmee is omgegaan - heeft de bank contact gezocht met D en zijn
verkoopafspraken gemaakt met betrekking tot de onroerende zaak; afgesproken is dat
D de woning onderhands gaat verkopen. De bank verwijst in deze naar productie 12 en
13. Feitelijk hebben de bank en D derhalve afgesproken om uit elkaar te gaan. Tot
onderhandse verkoop van de woning is het evenwel niet gekomen. D hanteerde allerhande
irreële vraagprijzen. D heeft vraagprijzen van € 1.000.000,- en daarboven gehanteerd,
D is zelfs van mening dat de woning € 2.000.000,- waard zou zijn. Een dergelijke vraagprijs
is met verwijzing naar het taxatierapport van productie 14 irreëel. D schendt dan
ook moedwillig de afspraak met de bank om de woning te verkopen
....
28. Eerst ná de opzegging en opeising door de bank, heeft D kennelijk, met de nadruk
op kennelijk, de bank staat daar buiten en weet dat ook verder niet, een regeling
getroffen met W S B.v. De bank is niet bekend met de inhoud daarvan. De bank heeft
alleen begrepen dat het door W S B.V. gelegde beslag inmiddels zou zijn opgeheven.
Dit alles dus als gezegd ná de opzegging en opeising door de bank en in zoverre is
dat dus voor het geschil irrelevant.
1.11 Op 31 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door onjuiste informatie te verspreiden en een bodemprocedure te starten terwijl de voorzieningenrechter al korte metten had gemaakt met het standpunt van de bank.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Klager verwijt verweerder dat hij onjuiste informatie heeft verspreid. Klager stelt dat in de dagvaarding wederom is gewezen op het beslag van W, terwijl op de behandeling van het kort geding van 26 mei 2025 aan de orde is geweest dat dit beslag was doorgehaald. De voorzitter is van oordeel dat uit de door klager genoemde passage in de dagvaarding niet blijkt dat verweerder zich namens zijn cliënt op het standpunt heeft gesteld dat W S B.V. het beslag nog niet had opgeheven, sterker nog in randnummer 28 wordt door verweerder op de opheffing van het beslag gewezen. Van het verschaffen van onjuiste informatie door verweerder is dan ook geen sprake. Verder geldt dat het al dan niet bestaan van een betalingsachterstand onderdeel is van het onderliggende geschil. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven onder 4.1 genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is echter niet gebleken. Feiten of omstandigheden die dat standpunt onderbouwen, ontbreken.
4.3 Ten aanzien van het verwijt dat er een bodemprocedure is gestart na een eerder oordeel van de voorzieningenrechter, geldt dat het (de cliënt van) verweerder vrijstond om dezelfde onderwerpen die in kort geding voorlagen (voor zover het al dezelfde onderwerpen betreffen), in een bodemzaak aan een rechter voor te leggen. Verweerder kan daarvan niet een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
4.4 Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de klacht van klager kennelijk ongegrond is.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 8 september 2026