ECLI:NL:TADRARL:2026:183 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-109/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:183
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 08-09-2026
Zaaknummer(s): 26-109/AL/MN
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over klachtfunctionaris is door de raad ongegrond verklaard.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 7 september 2026

in de zaak 26-109/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

vertegenwoordiger:

over

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 16 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 10 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2487985 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 juni 2026. Daarbij waren de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces‑verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Verweerder heeft als klachtenfunctionaris een klacht van klaagster over zijn kantoorgenoot behandeld. Deze kantoorgenoot heeft klaagster bijgestaan in een civiele procedure over de betaling van achterstallige huur.

2.2 De klacht die klaagster over de kantoorgenoot van verweerder heeft ingediend, ging enerzijds over de gang van zaken in aanloop naar en tijdens de mondelinge behandeling bij het gerechtshof en anderzijds over de onderhandelingen tijdens de schorsing van de zitting.

2.3 Op 8 april 2025 heeft een klachtgesprek tussen de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder plaatsgevonden.

2.4 Verweerder heeft in een e-mail van 9 april 2025 aan de vertegenwoordiger van klaagster (gemotiveerd) medegedeeld dat de klacht ongegrond is. Verweerder heeft in die e-mail verder het volgende geschreven:

Bij het afronden van ons gesprek heb ik u gevraagd wat voor u een passende oplossing is om tegemoet te komen aan uw onvrede. U stelde daarop voor de helft van de nog openstaande facturen te willen voldoen. Er staat op dit moment een bedrag open van € 8.591,00, te vermeerderen met € 804,55 aan buitengerechtelijke kosten en € 368,40 aan wettelijke handelsrente. Het door u voorgestelde bedrag staat daarmee niet in verhouding. Ik gaf u gisteren te kennen dat ook ik dit dossier graag spoedig wil afsluiten. Uitsluitend uit coulance en zonder erkenning van enige fout of aansprakelijkheid ben ik bereid de zaak af te doen tegen betaling van € 7.000,-. Bij acceptatie zal het meerdere van uw facturen worden gecrediteerd en wordt geen aanspraak gemaakt op de betaling van rente of incassokosten. Met het bovenstaande aanbod meen ik u een passende oplossing te bieden om de zaak te sluiten. Dat zou ik dan wel snel willen doen. Bij acceptatie dient uw betaling dan ook uiterlijk op te zijn ontvangen. Het aanbod is niet verder onderhandelbaar en staat open voor acceptatie tot die datum. Daarna komt het te vervallen en kunnen er geen rechten meer aan worden ontleend. In dat geval zal ik de kwestie ter incasso uit handen geven en ook aanspraak maken op alle bijkomende (proces)kosten en rente.

2.4 In een e-mail van 11 april 2025 heeft klaagster gereageerd en aangegeven dat zij zich om een aantal redenen als cliënte niet serieus genomen voelt.

2.5 Verweerder heeft in zijn e-mail van 14 april 2025 deze punten beantwoord, klaagster gewezen op de mogelijkheid de klacht voor te leggen aan de rechter en aangekondigd de openstaande facturen ter incasso uit handen te geven.

2.6 De vertegenwoordiger van klaagster heeft in een e-mail van 15 april 2025 gereageerd en gevraagd om een constructieve oplossing en een eerder voorstel herhaald.

2.7 Verweerder heeft in een e-mail van 16 april 2025 aan klaagster laten weten dat de klachtenbehandeling is afgesloten.

3 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door haar klacht tegen zijn kantoorgenoot onzorgvuldig af te handelen.

4 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

5.1 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, zoals in dit geval als klachtfunctionaris, blijft voor de advocaat het advocatentuchtrecht gelden. Als de advocaat zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. 

5.2 Klaagster stelt dat verweerder haar klacht onzorgvuldig heeft afgehandeld. Klaagster verwijt verweerder in het bijzonder dat verweerder (ten onrechte) heeft gesuggereerd dat haar klacht alleen was bedoeld om financieel gewin te behalen. Volgens klaagster zei verweerder in het klachtgesprek dat hij had gehoord dat er met klaagster al eerder gedoe is geweest om geld. Dat was volgens klaagster op het moment dat er nog niet over een oplossing werd gesproken. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat hij uitvoerig en gestructureerd met de vertegenwoordiger van klaagster heeft gesproken en dat hij pas aan het einde van het gesprek – op het moment dat er over een oplossing werd gesproken – naar voren heeft gebracht dat hij van zijn oud-collega had begrepen dat er met klaagster al eerder gedoe was over geld.

5.3 De raad constateert dat klaagster en verweerder een andere lezing hebben over het klachtgesprek en wat er precies op welke moment is gezegd. In ieder geval kan worden vastgesteld dat verweerder op enig moment in het gesprek naar voren heeft gebracht dat hij had gehoord of gelezen dat er met klaagster eerder gedoe is geweest over geld. De raad is van oordeel dat deze enkele opmerking van onvoldoende gewicht is om de conclusie te trekken dat verweerder daarmee de klacht van klaagster onzorgvuldig heeft behandeld. Ook uit de rest van het klachtdossier en het verhandelde op de zitting zijn geen aanknopingspunten aanwezig dat verweerder - door de manier waarop hij deze klacht heeft behandeld - het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Dat betekent dat deze klacht ongegrond wordt verklaard.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. M. Lont en G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 7 september 2026