ECLI:NL:TADRARL:2026:181 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-322/AL/NN/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:181 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 07-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-322/AL/NN/D |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken |
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. De raad is van oordeel dat verweerder serieus is tekortgeschoten als advocaat. Niet alleen in zijn taakopvatting als advocaat, die juist kritisch en pro-actief moet zijn in het belang van de cliënten, maar ook omdat sprake is van juist zeer kwetsbare en ook vaak niet-mondige cliënten in de Wvggz- en Wzd-zaken die verweerder doet. Verweerder lijkt niet in te zien dat zijn jarenlange werkwijze niet altijd (meer) het beste is voor de belangen van zijn cliënten. Zij hebben er recht op door hun advocaat gehoord en gezien te worden. Het is de taak van de advocaat om tijdig voor een zitting contact met cliënten te zoeken en hun wensen bij de rechter aan de orde te stellen, in plaats van zich (te) snel te refereren op basis van eigen aannames. Dat verweerder zijn eigen financiële belangen meeweegt bij de keuze of hij als advocaat gaat stoppen of niet, is zorgelijk. Dat mag nooit de drijfveer van een advocaat zijn. De raad legt een onvoorwaardelijke schorsing op voor de duur van 12 weken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 7 september 2026
in de zaak 26-322/AL/NN/D
naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
mr. E.A.C. van de Wiel
in haar hoedanigheid van deken van de orde van advocaten
in het arrondissement Noord-Nederland
deken
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 april 2026 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026 in
aanwezigheid van de deken, bijgestaan door mr. [H], en verweerder. Van de behandeling
is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde dekendossier. Ook heeft
de raad kennisgenomen van de drie e-mails met bijlagen van verweerder van 29 april
2026, de twee e-mails met bijlagen van verweerder van 1 mei 2026, het verweerschrift
van verweerder van 16 mei 2026 en de e-mail van verweerder van 17 mei 2026.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dekendossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Op 5 november 2025 heeft de deken een signaal ontvangen van de rechtbank
[arrondissement] over verweerder.
2.2 Op 15 december 2025 heeft de deken op het ordebureau met verweerder het van
de sectievoorzitter van de rechtbank ontvangen signaal besproken. De deken heeft hiervan
dezelfde dag aan verweerder het volgende verslag gestuurd:
Zoals wij vanmorgen met elkaar besproken heb ik onlangs een serieus signaal ontvangen van de rechtbank [arrondissement] dat de kwaliteit van uw dienstverlening in de verplichte zorg tekortschiet.
Het signaal was afkomstig van de teamvoorzitter en zij heeft hier concrete signalen van vijf (ik meldde u vanmorgen ten onrechte dat het er drie waren) verschillende rechters aan ten grondslag gelegd. Volgens de rechtbank komt u geregeld te laat, bezoekt u de cliënt niet (altijd) voorafgaand aan de zitting heeft bezocht, refereert u zich (te) vaak aan het oordeel van de rechter en maakt u daarenboven een onverzorgde, niet professionele indruk.
Concreet betrof het de volgende zaken:
1. De zaak behandeld op 19 maart 2025 [zaaknummer; hierna: zaak 1]: uw cliënte en haar man hadden niet voorafgaand aan de zitting met u kennis gemaakt. U refereerde zich aan het oordeel van de rechtbank terwijl uw cliënte thuis wilde blijven en vond dat de zorgen over haar geestelijke toestand niet terecht waren althans geen opname in een verpleeghuis rechtvaardigden.
2. Ook op 19 maart 2025 werd de zaak [zaaknummer; hierna: zaak 2] behandeld. Hier speelde hetzelfde: u kende uw cliënte niet, refereerde zonder enige verdere toelichting aan het oordeel van de rechter tegen haar zin.
3. Op 16 oktober 2025 werden een paar zaken behandeld. U verscheen in een afgezakte spijkerbroek, achter een rollator. De behandelend rechter meldt daarover: “Het is jammer dat hij last heeft met lopen, maar de hele verschijning was erg onprofessioneel, dit verwacht je niet van een advocaat.” Bij [L] kwam u vijf minuten te laat, in [W] 10 minuten.
4. Op 20 oktober 2025 verscheen u te laat op zitting, u droeg niet-representatieve kleding, vol vlekken, u liep met een rollator. De behandelend rechter schreef: “Als zijn cliënt geagiteerd zou raken, denk ik niet dat hij in staat zou zijn adequaat te interveniëren. Ik zou menen dat we ons moeten afvragen of we het nog gewenst en verantwoord vinden om hem toe te voegen aan nieuwe (Vz-)zaken.”
5. Op de zaak van 26 november 2025 gepland in het UMCG kwam u te laat, en pas nadat u door de griffie was gebeld. Dit betrof een kwetsbare cliënt die zelf niet in staat was de volledige zitting bij te wonen. Daarom werd na een kort verhoor de zitting verplaatst naar de vergaderruimte om de overige betrokkenen te horen buiten aanwezigheid van uw cliënt. Het kostte moeite om u daarbij te betrekken, want u was al op weg naar de uitgang in de veronderstelling dat de zitting zou zijn afgelopen. Uw enige bijdrage bestond er verder uit dat u meedeelde dat uw cliënt wel vrijwillig zou willen blijven en u refereerde zich weer aan het oordeel van de rechter.
Ik stel er prijs op om uw schriftelijke reactie op dit signaal te ontvangen zodat ik gefundeerd een mening kan vormen. Ik zou in dat kader graag ook de beschikking krijgen over de volledige dossiers van de betreffende zaken.
2.3 Verweerder heeft hierop op 16 januari 2026 uitvoerig gereageerd en aan onder meer de deken geschreven:
Ad 1-2: Voorafgaand bezoek aan demente cliënt kan soms (te) weinig zijn hebben als uit doorslaggevende feiten vooraf al blijkt dat bij gebrek aan enig argument geen enkel gemotiveerd verweer mogelijk is.
Ad 3-4: 5-10 minuten te laat komen en Representativiteitstekort, dat ik goed zal verbeteren, is een gevolg van okt. ’25 plotselinge overvallen worden door de combinetie van tijdelijke forse tijdrovende heup- en loopproblemen en 2e helft okt. ’25 met de dag verergerende kaakgewrichtblokkade-, daardoor extra tijd vergende eetproblemen en hectisch van medische huisarts-, radioloog-, orthopeed- fysio-, tandarts-, kaakchirurg- en orofaciale fysio onderzoeken en behandelingen, tijdverslindend zoeken van verantwoorde heupprotheseoperatie- en nazorg- revalidatieklinieken en medische indikatie daarvoor in het mij vrijwel onbekende zorgoerwoud. Ik moest leren hanteren dat ik voor doodgewone dingen als eten en lopen veel méér tijd moest uittrekken. Mijn verontschuldigingen daarvoor.
Ad 5: Het te laat komen ter zitting 26 nov.’25 kwam door voornoemde problemen, vergeefse tandartsbehandeling ook op 26 nov. ’25 en samenloop met mijn week vergeefse verhelpingspogingen van uitgevallen verwarming thuis voor ook mijn vrouw met haar 7 kwalen en medische beperkingen, en regelen van een traplift. Slechts referte was mogelijk bij momentaan geen verzet van evident ontredderde cliënt, wel in zorg willen blijven maar evident standvastige samenwerking onmogelijk.
2.4 Op 28 januari 2026 heeft de deken aan verweerder bericht dat zijn reactie haar
zorgen niet heeft weggenomen en zij aanleiding ziet om zijn kantoor te bezoeken om
nog meer dossiers te onderzoeken.
2.5 Op 6 maart 2026:
- om 11:55 uur: heeft verweerder onder meer aan de deken geschreven
dat hij in de week voor 19 maart 2025 veel afspraken en zittingen had en het heel
druk had met de verkoop en bezichtigingen in die periode van zijn kantoorpand. En
verder:
Uit de stukken van de twee mij aangewreven dementie-kliënten bleek zo’n verpletterend evidente noodzaak van spoedopname, dat verweer tegen RM bij voorbaat onmogelijk was. (…) Deze 2 dementie-kliënten zijn door mijn niet-vooraf (kunnen) bezoeken niet geschaad; er was evident geen andere uitkomst mogelijk dan RM en spoedopname. (…)
- om 15:12 uur: heeft verweerder verder nog aan de deken geschreven:
Bijgaand: nog wat mails ivm erge bezetheid vóór 19-3-’25 en zelf rondleiden ivm pand verkoop en met kliënten tbv voorbereiding vóór rb-zittingen en soms nazorg via fam. tbv mentor/bewind-regeling.
2.6 Op 9 maart 2026 heeft verweerder aan de deken geschreven:
Bijgaand: nog wat mails inz. Kontakten vóór zitting: 3 jaar referteverklaring.
2.7 Op 13 maart 2026 heeft de deken, samen met de in verplichte zorg gespecialiseerde
deken Den Haag, een kantoorbezoek aan verweerder gebracht. Een aantal dossiers is
onderzocht en met verweerder zijn afspraken gemaakt.
2.8 In zijn e-mail van 16 maart 2026 heeft verweerder aan de deken voorgesteld
dat hij doorgaat als stamadvocaat van bestaande cliënten in de Wvggz-zaken. Met die
paar kortlopende zaken kan hij zijn vaste kosten dekken. Sinds oktober 2025 heeft
hij zich al uitgeroosterd voor het piket en hij neemt geen nieuwe zaken ingevolge
de Wet Zorg en Dwang (Wzd) aan. In de lopende Wzd-zaken zal verweerder een week voor
de zitting contact met zijn cliënten opnemen en de zaak bespreken, zoals hij dat al
standaard doet in de Wvggz-zaken. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat een gesprek
een week voor de zitting in de door de Haagse deken onderzochte zaak van zijn demente
cliënt K geen andere uitkomst had opgeleverd. Op de zitting heeft hij bepleit dat
wellicht niet alle alternatieve mogelijkheden via extra hulp al waren uitgeput. Dat
was echter wel het geval zodat cliënte K niet werkelijk is geschaad.
3 DEKENBEZWAAR
3.1 Het dekenbezwaar houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:
de wijze waarop verweerder de belangen van zijn cliënten behartigt niet voldoet
aan de professionele standaarden die worden gesteld in de specifieke zaken die verweerder
doet.
3.2 Volgens de deken schiet verweerder structureel tekort in zijn zorgplicht
voor zijn cliënten. Een deel daarvan kan weliswaar worden verklaard door zijn persoonlijke
omstandigheden in het najaar van 2025, maar die leveren daarvoor geen rechtvaardiging
op. Verweerder had ervoor moeten zorgen dat een vervanger voor hem in die urgente
situaties had kunnen waarnemen.
3.3 Het tekortschietend optreden van verweerder in de eerste twee zaken is het
gevolg geweest van een te beperkte opvatting van zijn rol en taak als advocaat van
die cliënten. Hij lijkt onvoldoende gemotiveerd om zich 100% in te zetten voor de
in zijn ogen hopeloze gevallen. Ook al biedt de medische verklaring in het algemeen
voldoende reden om de gevraagde verplichte zorg toe te kennen, is het juist de taak
van de advocaat om dat te controleren en waar mogelijk te betwisten zodat de rechter
niet méér verplichte zorg toekent dan wat strikt noodzakelijk is. De rechtbank [arrondissement]
heeft zich daarin onvoldoende gesteund gevoeld door verweerder. Het is ook de taak
van de advocaat om zijn (uiterst kwetsbare) cliënt te begeleiden en te steunen. Een
expliciete referte is in het algemeen alleen al om die reden geen optie.
3.4 Tijdens het kantoorbezoek op 13 maart 2026 hebben de dekens extra dossiers
bekeken. Als reden voor het niet bezoeken van de zwakbegaafde cliënt A in een instelling
gaf verweerder aan dat dat geen zin had. Verweerder had echter niet gesproken met
de mentor en/of persoonlijk begeleider zodat daarmee de mogelijkheid van begeleid
wonen of een ander toekomstperspectief voor cliënt A door verweerder niet ter sprake
is gebracht. Voor de volgens verweerder humeurige cliënt S heeft verweerder geen verweer
gevoerd tegen de verzochte insluiting en toezicht omdat hij zich de wens van de behandelaren
wel kon indenken. Niet zijn gevoel maar het criterium of de verzochte modaliteit van
verplichte zorg noodzakelijk was, had voor cliënt S door verweerder gehanteerd moeten
worden. Verweerder heeft cliënt S (in een Wzd-zaak) een half uur voorafgaand aan de
zitting bezocht. Dat was te kort dag omdat dergelijke cliënten door de spanning voorafgaand
aan een zitting niet goed in staat zijn aan te geven wat zij willen. Zo blijft de
vraag onbeantwoord of met andere zorg, zoals uitbreiding van de dagbesteding of van
thuiszorg, de opname kan worden voorkomen.
3.5 Tijdens dit kantoorbezoek heeft verweerder toegezegd dat hij met rechtsbijstand
in de verplichte zorg zal stoppen, dat hij zich al van de piketlijst had laten afhalen
en alleen nog bijstand zou verlenen aan zijn vaste cliënten voor wij hij de stamadvocaat
was. In zijn e mail van 16 maart 2026 is verweerder daarop echter teruggekomen.
4 VERWEER
4.1 Volgens verweerder is sprake van procedurele onjuistheden doordat de rechtbank
heeft nagelaten om hem te horen voordat zij een signaal aan de deken hebben gegeven.
4.2 De deken heeft gehandeld in strijd met artikel 46d Advocatenwet en daarmee
verweerder het recht op een eerlijk proces ontnomen. De deken heeft desgevraagd geweigerd
om een afschrift aan hem te verstrekken van de in het dossier genoemde eerdere relevante
belastende stukken, zoals van 5 november 2025 van de president van de rechtbank. Daarnaast
heeft de deken door haar ontvangen ontlastende informatie, onderbouwd met bewijsbijlagen
van verweerder van 6 maart 2026, in haar dekenbezwaar weggelaten of afzwakkend geparafraseerd.
4.3 Deze procedurele onzorgvuldigheid moet tot niet-ontvankelijkheid van het
bezwaar leiden.
4.4 Verweerder verwijst voor zijn verweer naar zijn e-mails aan de deken, zoals
zijn opgenomen in de feiten hiervoor.
4.5 Daarnaast stelt verweerder dat hij zich met motivatie en volledig inzet voor
cliënten, ook in hopeloze gevallen. Hij weerspreekt de generaliserende opvatting van
de deken dat hij structureel cliënten niet vooraf spreekt. De incidentele minimale
vertragingen bij aanvang van de zittingen en minder representatieve noodzakelijke
fysio-kleding waren niet goed, maar in de omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om
verweerder dat aan te rekenen.
4.6 In de zaken 1 en 2 is geen sprake geweest van een beperkte taakopvatting
van verweerder maar een toevallige samenloop van persoonlijke omstandigheden waardoor
sprake was van tijdnood. Door veel geregel rondom de verkoop van zijn pand tot kort
voor de zittingsdag op 19 maart 2025 kon hij die cliënten niet meer bezoeken en ook
geen vervanger meer inschakelen. Dat heeft hij fout gedaan. De beide cliënten waren
in hun thuissituatie zo verpletterend direct in gevaar, dat evident geen enkel argument
tegen de verzochte rechterlijke machtiging kon helpen. De opname ambulance stond ook
al klaar, zo evident noodzakelijk was de opname na de zittingen.
4.7 Wat betreft de zaken 3 en 4 op 16 en 20 oktober 2025 is sprake geweest van
een stapeling van aansluitende piketzaak-zittingen en twee medisch noodzakelijke behandelingen
van verweerder vooraf en tussendoor op dezelfde dag. Doordat hij door plotselinge
pijn een rollator heeft moeten lenen, is hij samen met de cliënt in een rolstoel 10
minuten later dan gepland de zitting ingelopen. Hij was daarna op tijd bij de zitting
in het UMCG.
4.8 Zijn vertraging in zaak 5 bij de zitting van 26 november 2025 was het gevolg
van een opeenstapeling van persoonlijke factoren. Daardoor heeft hij verzuimd een
wekker te zetten voor de zitting van 14.15 uur en belde hij de rechtbank rond die
tijd dat hij vertraagd kwam. Een menselijke vergissing. Die verward ontredderde autistische
cliënt kende hij al 3,5 jaar en sprak weinig. Bij de voorbespreking heeft deze cliënt
desgevraagd ingestemd met de verzochte zorgmachtiging. Verweerder heeft dit kort vermeld
op die zitting. Elke advocaat kon zich in zo’n geval alleen maar refereren. Zijn cliënt
is niet geschaad.
4.9 De deken heeft op basis van het ondeugdelijk onderzoek en vooringenomen lichtvaardige
oordeelsvorming van de Haagse deken dit bezwaar ingediend. Dit bezwaar moet dan ook
worden afgewezen om de volgende redenen.
4.10 De behandelend rechter in zaak 4 op 20 oktober 2025 heeft verweerder alleen
verweten dat hij mogelijk tijdens de zitting niet zou kunnen interveniëren door zijn
niet representatieve kleding met vlekken. Zaak 4 ging over een zwakbegaafde verslaafde
schizofrene cliënt die zich al gedurende de minstens drie jaar van de rechtsbijstand
door verweerder nooit geagiteerd had getoond omdat hij maar één ding wilde: ‘naar
mama’. Zijn cliënt wilde niet zelfstandig of begeleid wonen. Verweerder was overvallen
met vlekken op de kleding door zijn niet goed sluitende mond door plotselinge kaakgewrichtsproblemen
vanaf 16 oktober 2025. Het had volstrekt geen zin gehad om zijn mentor te bellen,
of cliënt naar een beschermd wonen instelling kon. Als verweerder dat had gedaan,
had hij in strijd met de uitdrukkelijke jarenlange wens van zijn cliënt in strijd
met de gedragsregels gehandeld.
4.11 Zijn forsgebouwde verstandelijk beperkte cliënt, met heel wisselvallig onvoorspelbaar
gedrag, heeft verweerder duidelijk gemaakt dat hij het eens was met insluiting voor
zijn eigen veiligheid. Verweerder is het niet eens met de insteek van de Haagse deken
dat hij de zorgmodaliteit insluiting en toezicht beter had moeten toetsen aan de voorzienbaarheid.
Dat was in strijd geweest met de uitdrukkelijke wens van zijn cliënt geweest, die
in maart 2026 verweerder spontaan een referteverklaring stuurde. Het was meer dan
voorzienbaar dat deze cliënt een gevaar vormde voor zichzelf en anderen. De rechtbank
heeft verweerder in zijn standpunt gevolgd.
4.12 In de zaak van de demente vrouw heeft de Haagse deken gesteld dat verweerder
een week voor de zitting cliënte had moeten bezoeken. Verweerder is het daar volstrekt
mee oneens. De man van deze demente vrouw was kort ervoor overleden, terwijl de dochters
in hun klemmende overbelasting geen volle 24-uurszorg aan hun moeder konden bieden.
Deze starre weeknorm van de Haagse deken is in het arrondissement van verweerder bovendien
ter vrije beoordeling. Gelet op de specifieke omstandigheden heeft verweerder op de
zitting kort gepleit met de argument-vraag of het uiterste in de maximale zorg voor
cliënt was geprobeerd. Dat kon, blijkens de feiten, niet méér dan het al verleende
zorgmaximum.
4.13 Verweerder is van plan om alleen nog met oude cliënten voorlopig door te
gaan, totdat hij die moeilijk overdraagbare civiele vrijwaringszaken kan afsluiten
eind 2026 of mogelijk in 2027. Daarna wil hij met de advocatuur stoppen. Hij laat
zich al niet meer inroosteren in piketzaken.
5 BEOORDELING
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het dekenbezwaar
5.1 Voor het verwijt van verweerder dat sprake is geweest van procedurele onzorgvuldigheid
bij de rechtbank moet verweerder niet bij de raad, maar bij de rechtbank zijn.
5.2 Voor zover al sprake is van procedurele onzorgvuldigheid door de deken, is
dat geen reden om de deken niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder heeft immers
bij de raad de gelegenheid gekregen om een verweerschrift en aanvullende stukken in
te dienen, en heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. De raad mag erop vertrouwen
dat het dossier, waarover moet worden geoordeeld, compleet is zodat verweerder een
eerlijk proces krijgt.
5.3 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat de deken ontvankelijk
is in het dekenbezwaar.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling
5.4 Het is vaste rechtspraak van het Hof van Discipline dat een advocaat zich
dient te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig
wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten
dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met
de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat
moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend
beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden
aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de
wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en
wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.5 Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad aangevoerd dat hij met zijn
handelwijze de belangen van zijn cliënten niet heeft geschaad. Of dat zo is, is een
toetsing die is voorbehouden aan de rechter. Een advocaat moet zich de belangen van
zijn cliënten aantrekken en die ook ten volle behartigen. Juist bij de kwetsbare cliënten,
waarvoor verweerder optreedt, wordt nog meer van de advocaat verwacht omdat die cliënten
vaak niet in staat zijn om hun eigen wensen naar voren te brengen. Alhoewel de raad
wil geloven dat verweerder het beste met zijn cliënten voorheeft, kan de raad op basis
van de stukken niet vaststellen dat de werkwijze van verweerder voldoet aan de huidige
professionele standaarden die als advocaat in deze verplichte zorgzaken aan hem worden
gesteld.
5.6 Naar het oordeel van de raad is verweerder tekortgeschoten in zijn zorgplicht
voor zijn cliënten. Uit de dossiers blijkt onvoldoende dat verweerder zijn cliënten
tijdig heeft gesproken, hun standpunten heeft geïnventariseerd en hun belangen actief
heeft behartigd. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 46 Advocatenwet
en gedragsregel 16. De door verweerder aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn
daarbij niet als rechtvaardiging aan te merken. Verweerder had ervoor moeten zorgen,
juist ook omdat hij alleen kantoor houdt, dat hij voor dergelijke situaties een waarnemer
achter de hand heeft.
5.7 De raad stelt vast dat verweerder in het kader van zijn verweer in dit dekenbezwaar
diverse vertrouwelijke medische stukken van zijn cliënten heeft overgelegd. Dat was
naar het oordeel van de raad onnodig en bevestigt de raad in haar zorgen over hoe
verweerder met zijn cliënten omgaat.
5.8 Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad verder nog verklaard dat
hij nog wil doorgaan met de Wvggz-zaken voor zijn bestaande cliënten in verband met
de financiële belangen voor zijn praktijk. Dat is naar het oordeel van de raad echter
niet een te respecteren situatie waarmee rekening moet worden gehouden.
5.9 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld en oordeelt het dekenbezwaar gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 De raad is van oordeel dat verweerder serieus is tekortgeschoten als advocaat.
Niet alleen in zijn taakopvatting als advocaat, die juist kritisch en pro-actief moet
zijn in het belang van de cliënten, maar ook omdat sprake is van juist zeer kwetsbare
en ook vaak niet-mondige cliënten in de Wvggz- en Wzd-zaken die verweerder doet. Verweerder
lijkt niet in te zien dat zijn jarenlange werkwijze niet altijd (meer) het beste is
voor de belangen van zijn cliënten. Zij hebben er recht op door hun advocaat gehoord
en gezien te worden. Het is de taak van de advocaat om tijdig voor een zitting contact
met cliënten te zoeken en hun wensen bij de rechter aan de orde te stellen, in plaats
van zich (te) snel te refereren op basis van eigen aannames. Dat verweerder zijn eigen
financiële belangen meeweegt bij de keuze of hij als advocaat gaat stoppen of niet,
is zorgelijk. Dat mag nooit de drijfveer van een advocaat zijn.
6.2 Dit alles baart de raad ernstige zorgen. De raad constateert dat de deken
tijdens de zitting duidelijk heeft gemaakt dat zij zich nu en voor de toekomst grote
zorgen maakt over verweerder als advocaat. Die zorgen hadden aanleiding kunnen vormen
voor het indienen van een verzoek op grond van artikel 60b Advocatenwet. Gezien de
mate van zorgen bij de deken over verweerder was een dergelijk verzoek mogelijk in
het belang geweest van de bescherming op korte termijn van de clientèle van verweerder.
De deken heeft echter gekozen voor het indienen van een dekenbezwaar over verweerder
zodat daarover door de raad is geoordeeld.
6.3 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat aan verweerder de
maatregel van onvoorwaardelijke schorsing van 12 weken in de praktijkuitoefening moet
worden opgelegd als na te melden.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel
48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder
a) en b) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor
de duur van twaalf (12) weken op;
- bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van
deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk
geworden schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet
tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende
de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.2.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. M.M. Kuyp en G.N. Paanakker, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 7 september 2026