ECLI:NL:TADRARL:2026:179 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-498/AL/NN 26-521/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:179 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-08-2026 |
| Datum publicatie: | 25-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | voorzittersbeslissing. Volgens klager hebben verweerders, als advocaten van zijn wederpartij, zich schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend, onzorgvuldig en intimiderend gedrag richting klager. Daarvan is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Evenmin is daaruit gebleken dat verweerders de belangen van klager nodeloos of onevenredig hebben geschaad zoals verweten. Deels kennelijk ongegrond, deels kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een eigen belang bij die verwijten. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 24 augustus 2026
in de zaken 26-498/AL/NN en 26-521/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
samen ook: verweerders
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 15 juni 2026 met kenmerken 2025 KNN070/2507232 en 2025 KNN071 / 2507485. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 14 juli 2026 van klager.
1 FEITEN IN BEIDE ZAKEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft werkzaamheden verricht op zzp-basis voor I B.V.
1.2 Op 1 juli 2025 heeft klager in een e-mail aan de heer K. van I B.V. geschreven dat de samenwerking zich volgens hem kenmerkte als arbeidsrelatie. Hij heeft gemeld dat hij met een aanzienlijke belastingschuld is geconfronteerd. Klager heeft drie opties voorgesteld: I B.V. zou de schuld van klager betalen, hem een lening verstrekken voor betaling van zijn belastingschuld of niks doen.
1.3 Op 4 juli 2025 heeft de heer K namens I B.V. aan klager gemaild dat hij de opmerking over de arbeidsrelatie niet kon plaatsen. Ook heeft hij klager geschreven dat I B.V. de belastingschuld van klager niet zal betalen en geen lening zal worden verstrekt. Klager heeft hierop dezelfde dag onder meer als volgt gereageerd:
Ik constateer dat u op dit moment geen bereidheid toont om gezamenlijk tot een oplossing komen. Dat betreur ik, zeker gezien de langdurige samenwerking en het feit dat ik vanuit goed vertrouwen heb geopereerd. Uw afwijzing laat mij helaas weinig keus dan mijn situatie formeel te laten beoordelen. Ik zal daarom een verzoek tot herkwalificatie van mijn arbeidsrelatie indienen bij de Belastingdienst. Op basis van jurisprudentie en toetsingscriteria zijn er sterke aanwijzingen dat er feitelijk sprake was van een dienstbetrekking. Ik zal mijn rechtsbijstandsverzekeraar inschakelen om mij hierin bij te staan. Ook zal ik de situatie met betrekking tot andere opdrachtnemers (zzp’ers) binnen uw organisatie onder de aandacht brengen. Meerdere collega’s werkten onder vrijwel identieke omstandigheden, wat de structurele aard van de constructie onderstreept. (...)
Ik wil benadrukken dat ik getracht heb dit in goed overleg op te lossen. Uw reactie sluit die weg af. Mocht u desondanks alsnog willen overleggen over een passende regeling buiten juridische procedures om, dan verneem ik dat graag vóór vrijdag 11- 07-2025.
1.4 Op 7 juli 2025 heeft klager aan de heer K onder meer geschreven:
Ik verwijs naar mijn eerdere bericht van 4 juli 2025, waarin ik u tot 11 juli 2025 de gelegenheid gaf om onze arbeidsrelatie te bespreken. De situatie is inmiddels veranderd. De Belastingdienst heeft mijn openstaande schuld, voortkomend uit werkzaamheden exclusief voor uw onderneming, vastgesteld. Het tijdelijke uitstel van betaling is inmiddels verlopen; verdere vertraging is niet langer mogelijk. Eerder heb ik u een voorstel gedaan waarbij u de belastingschuld van € 30.000,- zou overnemen en ik afstand zou doen van overige rechten. Tevens stelde ik een terugbetalingsregeling voor van € 250,- per maand indien u de schuld voorschiet. Dit voorstel heeft u niet geaccepteerd. De risico’s voor uw onderneming.
Indien u niet reageert op mijn huidige schikkingsvoorstel, zal ik mijn dossier overdragen aan de Belastingdienst en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Dit kan leiden tot: (…)
Mijn voorstel
Ik bied u een laatste kans om deze kwestie af te wikkelen voor een bedrag van €75.000,-, inclusief (…)
Dit voorstel is definitief, niet onderhandelbaar en geldt als dit of niks. Ter finalisering stel ik voor een vaststellingsovereenkomst op te stellen waarin alle afspraken definitief worden vastgelegd en deze kwestie volledig wordt afgerond.
Deadline
Gelieve vóór 11 juli 2025 schriftelijk akkoord te geven. Bij uitblijven van reactie zal ik direct actie ondernemen. Deze unieke kans om escalatie en zware financiële en operationele risico’s te vermijden ligt bij u.
1.5 Op 10 juli 2025 heeft klager aan de heer K een door klager ondertekende vaststellingsovereenkomst (VSO) gemaild met daarin alle afspraken en volledige financiële afwikkeling met betrekking tot zijn werkzaamheden voor I B.V. Klager heeft de heer K verzocht om deze VSO uiterlijk 14 juli 2025 ondertekend te retourneren. Na die datum vervalt het voorstel en zal klager bepaalde escalatiestappen tegen I B.V. starten.
1.6 Op 11 juli 2025 heeft verweerder W namens I B.V. aan klager onder meer geschreven:
Eens en voor altijd dient duidelijk te zijn dat mijn cliënte niet zal zwichten voor dreigementen. Het afdwingen van betaling of een overeenkomst onder dreiging met nadeel, het toebrengen van schade, dan wel aangifte bij instanties is onrechtmatig en onacceptabel. Ik verzoek u dan ook uitdrukkelijk uw toon te matigen en uw onrechtmatig handelen te staken. (…)
Cliënte stelt u bij dezen op voorhand aansprakelijk voor alle schade, waaronder toekomstige schade, die uit uw handelen voortvloeit. U bent gewaarschuwd. (…)
Kort en goed; cliënte gaat niet in op uw dreigementen en betwist uw claim. Nadere correspondentie van u hierover is zinloos. Mocht u zich daadwerkelijk tot een rechtsbijstandverlener wenden dan kan hij/zij contact met mij opnemen.
1.7 In een e-mail van 11 juli 2025 heeft klager aan de heer K onder meer geschreven dat verdere escalatie structureel kan worden voorkomen als I B.V. uiterlijk op 14 juli 2025 de VSO ondertekent. Na het verstrijken van die termijn heeft klager alvast aangekondigd dat hij op 15 juli 2025 alle juridische procedures en meldingen zal starten en hij niet meer zal communiceren met de heer K.
1.8 Wegens afwezigheid van verweerder W heeft verweerder S op 14 juli 2025 aan klager gemaild:
Cliënte, nogmaals, zwicht niet voor de door u geuite dreigementen. U zet cliënte daarmee ongeoorloofd onder druk om haar tot het ondertekenen van de VSO te zetten, hetgeen onrechtmatig is.
Ik heb cliënte inmiddels geadviseerd aangifte te doen en herhaal de aansprakelijkstelling aan uw adres.
1.9 Op 15 juli 2025 heeft klager aan verweerder S gemaild dat de gebruikte kwalificaties ‘bedreigd’’ of ‘ongeoorloofd onder druk gezet’ feitelijk en juridisch onjuist zijn. Klager heeft aangegeven nog open te staan voor een redelijke oplossing met I B.V.
1.10 Op 19 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerders.
1.11 Op 21 juli 2025 heeft klager aan de heer K een aangepaste VSO gestuurd en 1 augustus 2025 als deadline gegeven.
1.12 Op 22 juli 2025 heeft mr. S onder meer aan klager gemaild dat zijn cliënte niet tot ondertekening van een VSO zal overgaan en er op verdere communicatie van klager over de VSO niet meer wordt gereageerd.
1.13 Op 25 juli 2025 heeft verweerder S klager dringend verzocht om te stoppen met het verspreiden van beschuldigende informatie over zijn cliënte via een WhatsAppgroep en (oud)medewerkers niet met het conflict te belasten. Dezelfde avond heeft klager hierop gereageerd en verweerder S onder meer laten weten dat juist klager meerdere keren heeft geprobeerd om een conflict met I B.V. te voorkomen. Ook heeft klager daarin geschreven dat hij zich niet laat intimideren door ongegronde beschuldigingen of suggestieve framing en dreigende toonzetting van verweerder S.
1.14 Op 18 augustus 2025 heeft klager I B.V. in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland.
1.15 Tijdens de kortgedingzitting op 21 augustus 2025 heeft klager zijn eigen pleitaantekeningen voorgedragen. Verweerder W heeft I B.V. bijgestaan en tijdens de zitting zijn pleitaantekeningen voorgedragen.
1.16 Bij vonnis van 4 september 2025 heeft de kantonrechter de vorderingen van klager afgewezen.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder W tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zich schuldig te maken aan grensoverschrijdend, onzorgvuldig en intimiderend gedrag richting klager;
b) in de procedure onjuiste, grievende en misleidende standpunten naar voren te brengen, misleidend/selectief en een onjuist beeld van klager en diens correspondentie neer te zetten en zijn proceservaring te misbruiken;
c) de eigen algemene voorwaarden te negeren, onvoldoende zorg te dragen voor zijn eigen cliënte;
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder S tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
d) zich schuldig te maken aan grensoverschrijdend, onzorgvuldig en intimiderend gedrag richting klager en communicatie van klager te negeren met een de-escalerend voorstel;
e) te handelen buiten zijn specialisme (arbeidsrecht);
3 VERWEER IN BEIDE ZAKEN
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer van verweerders ingaan.
4 BEOORDELING IN BEIDE ZAKEN
Maatstaf
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.3 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.4 De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a)
4.5 Verweerder W betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend, onzorgvuldig en intimiderend gedrag richting klager. De door klager genoemde termen ‘dreiging’ en ‘chantage’ heeft hij in zijn e-mail van 11 juli 2025 feitelijk niet gebruikt. Hij heeft klager in die mail geschreven dat zijn cliënte niet zwicht voor dreigementen en dat het onrechtmatig is om betaling van een geldsom of het aangaan van een overeenkomst af te dwingen onder dreiging met nadeel of het toebrengen van schade en dat klager daarmee moest stoppen. Gelet op de inhoud en toonzetting van de daarvoor door zijn cliënte van klager ontvangen e-mails vielen zowel de door hem gehanteerde bewoordingen als zijn juridische kwalificatie ruim binnen hetgeen een advocaat in dergelijke gevallen is toegestaan.
4.6 Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat verweerder W zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend, onzorgvuldig en intimiderend gedrag richting klager. Verweerder heeft als partijdige belangenbehartiger opgetreden voor zijn cliënte. Concrete feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat verweerder hierin onbetamelijk heeft gehandeld, zijn de voorzitter niet gebleken.
4.7 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder met zijn handelen niet de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij heeft overschreden. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.8 Volgens klager liet verweerder W in de procedure bij de weergave van zijn WhatsAppbericht bewust hele belangrijke context weg, onder andere een disclaimer waarin klager zijn handelen toelichtte. Verweerder W citeerde passages die dreigend leken, maar liet de intentie die erin beschreven stond achterwege. Alles waaruit klager zijn goede intenties en voorstellen tot een minnelijke oplossing bleek, is door verweerder W of niet genoemd of totaal uit zijn context getrokken. In zijn pleitaantekeningen heeft verweerder W dit misleidende frame over klager herhaald. Dat was een bewuste strategie van verweerder W om de rechter een vals beeld over klager te geven. Klager stelt ook dat hij herhaaldelijk coulante voorstellen aan I B.V. heeft gedaan. Verweerder W heeft die richting zijn cliënte gebagatelliseerd en geadviseerd om door te procederen.
4.9 Naar het oordeel van de voorzitter is de juistheid van de in dit klachtonderdeel door klager gemaakte verwijten, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder W, niet vast te stellen. Klager heeft ervoor gekozen om als zijn eigen gemachtigde op te treden in de kortgedingprocedure, terwijl hij feitelijk ook een advocaat met proceservaring had kunnen inschakelen. Hij heeft in die procedure zijn standpunt naar voren kunnen brengen. Voor zover verweerder W volgens klager onjuiste, grievende en misleidende standpunten naar voren heeft gebracht en een negatief framend beeld over klager heeft geschetst, dan lag het op de weg van klager om dat gemotiveerd te weerspreken. Het is uiteindelijk aan de civiele rechter voorbehouden om over het inhoudelijke geschil een oordeel te geven en dat is met het vonnis van 4 september 2025 gebeurd.
4.10 Bij het optreden voor de eigen cliënt mag een advocaat niet de belangen van de wederpartij nodeloos of onevenredig schaden. Dat daarvan sprake is geweest door de handelwijze van verweerder, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Het stond verweerder W vrij om zijn cliënte te adviseren zoals hij dat heeft gedaan. Concrete feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat verweerder hierin onbetamelijk heeft gehandeld, zijn de voorzitter niet gebleken. Dit betekent dat klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel c)
4.11 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager geen eigen rechtstreeks belang bij het verwijt dat mr. W zijn eigen algemene voorwaarden zou hebben overtreden, dan wel onvoldoende zorg voor zijn cliënte heeft gedragen. Alleen zijn cliënte kan hierover klagen. Klager is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel c).
Klachtonderdeel d)
4.12 Verweerder S betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend, onzorgvuldig en intimiderend gedrag richting klager of dat hij door zijn handelwijze het geschil heeft laten escaleren. Hij heeft in opdracht van zijn cliënte gehandeld en bestrijdt dat hij communicatie van klager met een de-escalerend voorstel heeft genegeerd. Dat klager het er niet mee eens was dat I B.V. niet tot een regeling wilde komen, kan verweerder S tuchtrechtelijk niet worden verweten.
4.13 Ook betwist verweerder S dat hij in zijn e-mail van 14 juli 2025 ten onrechte heeft gesuggereerd dat zijn cliënte aangifte tegen klager moest doen. Hij zag in het handelen van klager, namelijk in diens e-mailberichten, mogelijk strafrechtelijk handelen waarvan aangifte gedaan kan worden. Hij heeft zijn cliënte ook daadwerkelijk geadviseerd om aangifte te doen, en dat heeft hij klager meegedeeld. Daarmee heeft hij echter geen tuchtrechtelijke norm overschreden, aldus verweerder S.
4.14 Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat verweerder S zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend, onzorgvuldig en intimiderend gedrag richting klager. Verweerder heeft als partijdige belangenbehartiger opgetreden voor zijn cliënte en daarbij in opdracht van zijn cliënte gehandeld. De juistheid van het verdere verwijt van klager dat de opstelling van verweerder tot verdere escalatie heeft geleid kan de voorzitter, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen. Concrete feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat verweerder anderszins onbetamelijk heeft gehandeld, zijn de voorzitter uit de stukken niet gebleken.
4.15 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder S met zijn handelen niet de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij heeft overschreden. Klachtonderdeel d) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel e)
4.16 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager geen eigen rechtstreeks belang bij het verwijt dat verweerder S buiten zijn deskundigheidsgebied heeft gehandeld. Voor zover daarvan al sprake is geweest, dan is het aan de cliënte van verweerder S om daarover te klagen, niet aan klager. Klager is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel e).
BESLISSING IN BEIDE ZAKEN
De voorzitter verklaart:
- de klachtonderdelen c) en e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- de klachtonderdelen a), b) en d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 augustus 2026