ECLI:NL:TADRARL:2026:177 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-240/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:177 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 25-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-240/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat is in alle onderdelen ongegrond. Niet is komen vast te staan dat de advocaat niet tijdig stukken van klager heeft gedownload waardoor de zaak van klager vertraging heeft opgelopen. Evenmin is onaannemelijk of ongeloofwaardig dat berichten van klager in de spambox van de advocaat terecht zijn gekomen. Het is de raad niet gebleken dat de bijstand van de advocaat aan klager tegenover de belastingdienst niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en kwaliteit die de professionele standaard veronderstelt. Het klachtdossier bevat geen aanknopingspunten voor de stelling van klager dat daarbij essentiële zaken onbesproken zijn gebleven. Uit niets blijkt dat de advocaat is afgeweken van instructies van klager. Voor klager moest duidelijk zijn dat de het bij het in de opdrachtbevestiging opgenomen uurtarief van € 20,- om een typefout gaat. Niet alleen omdat het wel een erg laag uurtarief is, maar ook omdat klager al meer dan tien jaar is verbonden aan het kantoor van de advocaat en klager wist dat een marktconform uurtarief tussen de € 250,- en € 350, - ligt. De advocaat heeft zich op zorgvuldige wijze onttrokken aan de hem verstrekte opdracht. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 17 augustus 2026
in de zaak 26-240/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. M.P. Dol
over
verweerder
gemachtigde: mr. N.A.M.E. Fanoy
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 25 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 23 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2448045 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 juni 2026. Daarbij waren de gemachtigde van klager en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Op 4 april 2023 heeft klager bij de belastingdienst een bezwaarschrift ingediend tegen meerdere belastingaanslagen. Klager heeft ook op 29 november 2023 stukken bij de belastingdienst ingediend.
2.2 Op 6 december 2023 heeft klager zich via een e-mail tot verweerder gewend met een verzoek om juridische bijstand. Klager heeft verweerder geschreven dat hij een beslissing op zijn bezwaar verwacht in januari 2024 en dat hij een advocaat zoekt die een beroepschrift kan indienen bij de rechtbank en die hem bij kan staan in een eventuele strafzaak. In die e-mail heeft klager uiteengezet dat de belastingdienst hem eind 2022 naheffingen heeft opgelegd voor ruim een miljoen euro in verband met buitenlands vermogen/bedrijfsstructuren. Klager heeft verder laten weten dat hij in Thailand woont en dat een voormalig kantoorgenoot van verweerder hem naar verweerder heeft doorverwezen.
2.3 In de daarop volgende periode hebben klager en verweerder via de mail contact gehad. Op 17 januari 2024 heeft klager aan verweerder geschreven dat hij nog niets had gehoord over de behandeling van zijn bezwaar.
2.4 Op 15 februari 2024 hebben klager en verweerder telefonisch contact gehad. In dat telefoongesprek heeft verweerder onder opgave van redenen aangegeven dat het hem weinig kansrijk leek om verweer te voeren tegen de enkelvoudige belasting in de aan klager opgelegde aanslagen, dat het hem wel zinvol leek verweer te voeren tegen de opgelegde fiscale boetes en dat het hem vanwege de procesrisico’s in zijn zaak raadzaam leek om te proberen tot een compromis met de belastingdienst te komen.
2.5 In aansluiting op dat telefoongesprek heeft klager die dag via WeTransfer zijn dossier naar verweerder gestuurd.
2.6 Op 18 april 2024 heeft klager buiten verweerder om een e-mail gestuurd naar de belastingdienst waarin hij (ook) laat weten bereid te zijn om in gesprek te gaan om tot een oplossing te komen. Verweerder heeft deze e-mail van klager gekregen van een kantoorgenoot.
2.7 Op 19 april 2024 heeft klager een e-mail gestuurd naar die kantoorgenoot van verweerder waarin hij onder meer meldt dat het contact met verweerder moeizaam verloopt.
2.8 Op 29 april 2024 heeft klager aan verweerder een e-mailbericht gestuurd waarin hij schrijft dat hij inmiddels heeft begrepen dat verweerder met zijn dossier aan de gang is en verder: “Dank daarvoor. Wellicht had ik wat duidelijker moeten maken hoe hoog alles zit. Mijn excuses hiervoor.”
2.9 Op 30 april 2024 heeft verweerder in een e-mail aan klager bericht: “Uw excuses zijn geheel overbodig. Eerder meen ik mijn excuses te moeten aanbieden omdat ik onvoldoende duidelijk met u heb gecommuniceerd.” Verder heeft verweerder in die e-mail aan klager voorgesteld om met de belastingdienst in contact te treden over een hoorzitting en eventuele aanvulling van de gronden van bezwaar.
2.10 Op 30 april 2024 heeft verweerder zich bij de belastingdienst gemeld als advocaat van klager.
2.11 Op 1 mei 2024 heeft verweerder aan klager via de mail een opdrachtbevestiging gestuurd. Daarin bevestigt verweerder dat klager hem opdracht heeft verstrekt om zijn fiscale belangen te behartigen in de door klager bij de belastingdienst ingestelde bezwaarprocedure. In de opdrachtbevestiging staat verder dat verweerder zijn werkzaamheden voor klager zal verrichten tegen een (gematigd) uurtarief van € 20,-. Ook heeft verweerder klager op 1 mei 2024 een voorschotdeclaratie gestuurd van € 1.815,- (inclusief btw), die klager heeft betaald.
2.12 Op 23 en op 28 mei 2024 heeft verweerder van klager nieuwe informatie ontvangen. Op 29 mei 2024 heeft verweerder aan de belastingdienst laten weten gelet daarop en zijn agenda een afspraak te willen maken na 8 juli 2024. Daarop heeft de belastingdienst die dag laten weten geen bezwaar te hebben tegen het uitstellen van het hoorgesprek en nadere berichten over een nieuwe afspraak af te wachten. Op 21 augustus 2024 heeft de belastingdienst verweerder gevraagd een aantal datavoorstellen te doen voor het hoorgesprek.
2.13 In een telefoongesprek van 11 september 2024 heeft verweerder aan klager laten weten dat in de opdrachtbevestiging een typefout staat, dat het gaat om een uurtarief van € 200,- en niet van € 20,-. Op 11 september 2024 heeft klager verweerder via WeTransfer nog een keer zijn dossier toegestuurd.
2.14 Op 12 september 2024 heeft verweerder het dossier van klager opgevraagd bij de belastingdienst.
2.15 Uiteindelijk is een afspraak gemaakt voor een hoorgesprek op 25 oktober 2024.
2.16 Op 24 oktober 2024 heeft verweerder aan klager een (tweede) voorschotdeclaratie van € 3.025, - inclusief btw gestuurd. Klager heeft die dag verweerder gevraagd of diensten aan particulieren buiten de EU niet vrijgesteld zijn van btw. Klager heeft het door verweerder aan hem in rekening gebrachte bedrag betaald.
2.17 Op 25 oktober 2024 heeft een hoorgesprek bij de belastingdienst plaatsgevonden. Verweerder was fysiek aanwezig en klager telefonisch. Op 4 november 2024 heeft verweerder van de belastingdienst een verslag van het hoorgesprek ontvangen. Op 5 november 2024 heeft verweerder het verslag van het hoorgesprek naar klager gestuurd met het verzoek om contact met hem op te nemen.
2.18 Klager heeft verweerder op 7, 10 en 21 november 2024 e-mailberichten gestuurd.
2.19 Op 13 januari 2025 heeft klager via de mail laten weten dat hij direct na het verzoek van verweerder van 5 november 2024 data heeft voorgesteld voor een gesprek met verweerder, maar hij daarop niet van verweerder heeft vernomen. Klager verzoekt dringend om opheldering en om een urenverantwoording. Klager schrijft dat verweerder hem een schappelijk voorstel heeft gedaan, maar dat het ontbreken van een stappenplan de voortgang onduidelijk maakt. Tot slot merkt klager in die e-mail op dat verweerder tijdens het hoorgesprek heeft gezegd dat klager niet in cassatie zal gaan, maar dat hij dat nooit zo heeft gezegd.
2.20 Op 15 januari 2025 heeft klager bij het kantoor van verweerder een klacht ingediend over verweerder. Klager klaagt over het ontbreken van een urenverantwoording. Verder verwijt klager verweerder dat hij tijdens het hoorgesprek heeft gezegd dat klager niet van plan is zijn zaak voor te leggen aan de belastingrechter en zeker niet tot cassatie bereid is. Klager vermoedt dat verweerder dit heeft gezegd vanwege het overeengekomen gereduceerde tarief van € 20, - per uur en de omvang van zijn dossier. Tot slot twijfelt klager ernstig over de kennis van verweerder op het gebied van het belastingrecht. Volgens klager is verweerder er niet van op de hoogte dat bij niet-voortvarend handelen van de belastingdienst een belastingaanslag geheel komt te vervallen. Klager verzoekt om een schriftelijke verklaring over de gang van zaken, een plan van aanpak, een urenspecificatie en een voorstel voor compensatie van de geleden schade als gevolg van de vertraging. Klager meldt dat het gebrek aan expertise het vertrouwen van klager in verweerder ernstig heeft ondermijnd.
2.21 Op 19 januari 2025 heeft klager aan verweerder laten weten dat hij klager als cliënt van buiten de EU voor zijn juridische dienstverlening ten onrechte btw in rekening heeft gebracht. Klager heeft daaraan toegevoegd dat dit ernstige twijfels oproept over de zorgvuldigheid waarmee zijn dossier wordt behandeld en over de kennis van verweerder van de fiscale regelgeving.
2.22 Vervolgens heeft klager op 19 januari 2025 aan verweerder laten weten dat hij van verweerder eist:
- een schriftelijke rectificatie aan de belastingdienst van zijn opmerking tijdens het hoorgesprek dat cassatie niet aan de orde is. Klager heeft toegelicht dat verweerder dit tegen de wens van klager in heeft gezegd;
- een bevestiging dat verweerder de zaak niet eenzijdig kan neerleggen. Klager heeft toegelicht dat het onmogelijk is om een andere advocaat te vinden die de zaak voor € 20, - per uur wil behandelen.
2.23 Daarop heeft verweerder op 20 januari 2025 aan klager laten weten dat hij naar aanleiding van de e-mail van klager van 13 januari 2025 de reactie van klager op verweerders e-mail van 5 november 2024 heeft gezocht en ook gevonden dat hij vervolgens kennis heeft genomen van klagers klacht over hem en zijn daarop volgende e-mailberichten waarop verweerder als volgt reageert:
- het in de opdrachtbevestiging vermelde uurtarief van € 20, - bevat een typefout;
- klager heeft niet eerder om een urenspecificatie gevraagd;
- verweerder betwist dat hij in het hoorgesprek heeft gezegd dat klager zijn zaak niet wil voorleggen aan de belastingrechter en niet in cassatie zal gaan;
- verweerder schat in dat de belastingdienst zal stellen dat het tijdsverloop in de zaak van klager niet is veroorzaakt door een gebrek aan voortvarendheid bij de belastingdienst, maar door het feit dat internationale rechtshulpverzoeken moesten worden verstuurd nadat klager onjuist en/of onvolledig had gereageerd op de (vragen)brieven van de fiscus;
- verweerder betwist schadevergoeding verschuldigd te zijn aan klager;
- verweerder zal de in rekening gebrachte btw terugbetalen;
- verweerder wil niet langer optreden voor klager omdat de daarvoor benodigde vertrouwensrelatie er niet meer is; verweerder zal de deken van de orde van advocaten daarover raadplegen.
2.24 Op 20 januari 2025 heeft verweerder aan klager een creditnota gestuurd voor door hem eerder ten onrechte in rekening gebrachte btw en heeft verweerder aan klager de eerder aan hem in rekening gebrachte € 840, - aan btw terugbetaald. Ook heeft verweerder op 20 januari 2025 aan klager een urenspecificatie gestuurd.
2.25 Op 20 januari 2025 heeft klager vervolgens aan verweerder geschreven dat verweerder had gelogen, incompetent was en dat zijn aanpak onzorgvuldig was en juridisch onvoldoende onderbouwd. Ook heeft klager verweerder in dat bericht aansprakelijk gesteld als verweerder zich terugtrekt en verder: “Aangezien een marktconform tarief tussen de € 250 en € 350 per uur ligt, kan dit u een aanzienlijk bedrag kosten.”
2.26 Op 20 januari 2025 heeft verweerder de deken gevraagd of het hem vrij staat om zich terug te trekken als advocaat van klager omdat de vertrouwensrelatie is komen te vervallen. Verweerder heeft klager een kopie van zijn brief aan de deken gestuurd.
2.27 Op 23 januari 2025 heeft verweerder aan de orde van advocaten via de mail bevestigd dat de orde telefonisch aan verweerder had laten weten dat hij zich op zorgvuldige wijze kan onttrekken. Op 31 januari 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat hij zich inmiddels definitief vrij acht om zich terug te trekken uit de zaak van klager waarbij verweerder aan klager heeft laten weten bereid te zijn om te wachten tot klager een nieuwe advocaat/gemachtigde had gevonden.
2.28 Op 5 februari 2025 heeft de belastingdienst verweerder gevraagd of de belastingdienst nog een reactie kon verwachten op het hoorverslag. Verweerder heeft dit bericht op 6 februari 2025 naar klager gestuurd met de vraag of hij al iemand had gevonden die zijn belangen verder zou behartigen. Die dag heeft klager aan verweerder laten weten dat hij een andere advocaat zal zoeken, maar een serieuze en inhoudelijke reactie van verweerder verwacht en verder:
“Tot slot raad ik u aan voorzichtig te zijn in uw verdere handelen. Dit dossier is inmiddels omvangrijker en explosiever dan u zich wellicht realiseert. Dit heeft niet alleen juridische, maar ook andere implicaties die verder kunnen reiken dan u nu overziet.”
2.29 Op 7 februari 2025 heeft verweerder aan klager laten weten het hiervoor geciteerde op te vatten als een dreigement en zich te beraden over het vervolg. Daarop heeft klager die dag aan verweerder vragen gesteld en opgemerkt dat verweerder zijn opmerking ten onrechte kwalificeert als dreigement.
2.30 Op 13 februari 2025 heeft verweerder aan klager uitgelegd dat en waarom hij zich wilde terugtrekken uit zijn zaak waarbij verweerder heeft laten weten bereid te zijn tot een telefoongesprek. Diezelfde dag heeft klager aan verweerder laten weten dat hij geen andere advocaat/gemachtigde wilde inschakelen maar zal afwachten hoe de zaak tuchtrechtelijk zou worden beoordeeld en dat hij ook geen behoefte had aan een telefoongesprek. Dit heeft verweerder op 17 februari 2025 aan klager bevestigd met de mededeling dat hij aan de belastingdienst zou laten weten dat hij niet langer voor klager optreedt. Verweerder heeft dat de belastingdienst bericht op 18 februari 2025.
2.31 Op 17 maart 2025 heeft klager bij de belastingdienst een bezwaarschrift ingediend.
2.32 Op 28 mei 2025 heeft de belastingdienst het bezwaar van klager ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld bij de bestuursrechter.
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zijn zaak niet zorgvuldig te behandelen door:
- niet tijdig stukken te downloaden waardoor zijn zaak vertraging opliep;
- niet proactief te handelen in de zaak;
- ten onrechte te stellen dat hij e-mails van klager niet heeft ontvangen;
- terwijl verweerder specialist is in fiscaal recht, ten onrechte aan klager, die buiten de EU woont, btw in rekening te brengen;
b) misleidend te communiceren over het afgesproken uurtarief;
c) zich op onzorgvuldige wijze te onttrekken aan de hem verstrekte opdracht.
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Omvang klacht
5.1 Op de zitting bij de raad heeft de gemachtigde van klager in zijn spreekaantekeningen expliciet twee nieuwe klachtonderdelen geformuleerd, te weten een klacht over de inhoud van de opdrachtbevestiging van verweerder en een klacht over schending van de geheimhoudingsplicht door verweerder. Verder heeft de gemachtigde van klager in zijn spreekaantekeningen impliciet nieuwe (sub)klachtonderdelen opgenomen bij klachtonderdeel a “het niet zorgvuldig handelen van verweerder”. Daarin staat dat wordt geklaagd over het niet tijdig reageren van verweerder nadat klager op 6 december 2023 verweerder om bijstand had verzocht en over het niet tijdig reageren van verweerder op de vraag van klager naar de omzetbelasting op de factuur. Ook mondeling heeft de gemachtigde van klager op de zitting een nieuwe klacht naar voren gebracht, te weten dat verweerder geen processtrategie heeft vastgelegd.
5.2 De raad zal klager niet-ontvankelijk verklaren in deze klachtonderdelen. De klachtomschrijving wordt namelijk vastgesteld door de raad aan de hand van de omschrijving van de klacht zoals deze bij de deken is ingediend en zoals deze uit het onderzoek door de deken blijkt. Dit brengt mee dat er tijdens de mondelinge behandeling van de klacht door de raad geen nieuwe klachtonderdelen aan de raad kunnen worden voorgelegd. Wel zal de raad ingaan op de inhoud van de opdrachtbevestiging waar het gaat om het daarin opgenomen uurtarief van € 20,- (klachtonderdeel b).
Maatstaf klachten a t/m c
5.3 Bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.4 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a); niet zorgvuldig te handelen door:
-niet tijdig stukken te downloaden waardoor zijn zaak vertraging opliep
5.5 Klager stelt dat verweerder pas in actie is gekomen nadat hij er door de belastingdienst op werd gewezen dat het dossier al bij klager aanwezig was. Klager heeft verweerder op 15 februari 2024 het dossier (via WeTransfer) gestuurd. Volgens klager bevestigt het feit dat verweerder het dossier alsnog bij de belastingdienst opvroeg zijn nalatigheid. Klager stelt dat verweerder het dossier pas bekeken heeft nadat klager hem het dossier (op 11 september 2024) opnieuw toestuurde.
5.6 De raad zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.7 Verweerder betwist dat hij het dossier van klager pas na 11 september 2024 heeft bestudeerd. Ter onderbouwing van zijn betwisting verwijst verweerder naar zijn urenspecificatie waarin staat dat hij op 14 en 15 februari 2024 (in totaal) 1,5 uur en op 2, 5, en 6 september 2024 (in totaal) 5,7 uren heeft besteed aan bestudering van het dossier van klager. De raad heeft geen aanknopingspunten om klager te volgen in zijn twijfel over de juistheid van de urenspecificatie van verweerder. De raad gaat er daarom vanuit dat verweerder op die dagen het dossier van klager heeft bestudeerd.
5.8 Er is ook niet gebleken dat de zaak van klager vertraging heeft opgelopen doordat verweerder het dossier van klager niet tijdig heeft bestudeerd. Eind april 2024 heeft verweerder zich bij de belastingdienst gemeld als advocaat van klager. Uit het dossier blijkt dat verweerder om uitstel van de hoorzitting heeft gevraagd nadat klager hem eind mei 2024 nieuwe stukken had gestuurd. In overleg met de belastingdienst is de hoorzitting vervolgens in oktober 2024 vastgesteld.
5.9 Voor het opvragen van het dossier van klager bij de belastingdienst heeft verweerder een afdoende verklaring gegeven. Verweerder heeft namelijk toegelicht dat hij op grond van het inzagerecht van artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht het dossier nogmaals bij de belastingdienst heeft opgevraagd omdat hij wil voorkomen dat hij over een ander dossier beschikt dan de inspecteur van de belastingdienst.
- niet proactief te handelen in de zaak van klager
5.10 Volgens klager heeft verweerder niet proactief gehandeld in zijn zaak omdat hij heeft nagelaten de kernpunten in het dossier te concretiseren en omdat hij heeft gefocust op onderhandeling in plaats van inhoudelijke verdediging. Volgens klager is zijn zaak daardoor afgezwakt gepresenteerd aan de belastingdienst. De raad begrijpt dat klager verweerder verwijt dat hij klager inhoudelijk niet goed heeft bijgestaan.
5.11 In zijn repliek in de procedure bij de deken stelt klager dat het in zijn zaak in de kern draait om: de oorsprong van zijn buitenlands vermogen, de toepassing van het voortvarendheidsbeginsel, de selectieve bewijswaardering door de belastingdienst en de inhoudelijke implicaties van ‘Project Atlantis’. Klager verwijt verweerder dat hij deze punten niet heeft ingebracht. De gemachtigde van klager noemt in zijn spreekaantekeningen de onverschilligheid van verweerder de rode draad in het dossier van klager.
5.12 In zijn dupliek in de procedure bij de deken betwist verweerder dat hij de punten die klager in zijn repliek noemt ten onrechte in zijn procesadvies niet heeft meegenomen. Verweerder heeft uitgelegd dat de zaak van klager in belangrijke mate gaat over de herkomst van het buitenlandse vermogen van klager. Verder heeft verweerder de volgende toelichting verstrekt. Het gaat om door de belastingdienst geconstateerde vennootschapsstructuren en buitenlandse banktegoeden, die klager niet betwist. Een geslaagd beroep op het voortvarendheidsbeginsel vereist minimaal zes maanden onverklaarbare stilstand. Hiervan is geen sprake; de vertraging kwam door internationale informatieverzoeken die nodig waren omdat klager eerder onjuiste antwoorden gaf op vragenbrieven van de belastingdienst. Klager gaat volgens verweerder uit van een onjuiste interpretatie van de bewijslastverdeling in fiscale procedures. Rechtszaken over zwartspaarders (als in het Project Atlantis) vallen volgens verweerder, zeker waar het enkelvoudige belasting betreft, merendeels in het voordeel uit van de belastingdienst.
5.13 De raad stelt vast dat verweerder op grond van de door klager aangeleverde informatie gekozen heeft voor een bepaalde processtrategie. Deze strategie was gericht op het voeren van verweer tegen de fiscale boetes en niet tegen de enkelvoudige belasting in de aan klager opgelegde belastingaanslagen. Verweerder heeft toegelicht dat het voeren van verweer daartegen hem weinig zinvol leek omdat klager eerst substantiële inkomsten had verzwegen door die niet in zijn belastingaangiften op te nemen en vervolgens die inkomsten in reactie op vragenbrieven van de fiscus in strijd met de waarheid had ontkend reden waarom aan klager hoge boetes waren opgelegd. Verweerder heeft aangevoerd dat hij dit met verweerder heeft besproken in het telefoongesprek van 15 februari 2024.
5.14 Het is de raad niet gebleken dat de bijstand van verweerder aan klager tegenover de belastingdienst niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en kwaliteit die de professionele standaard veronderstelt. Het klachtdossier bevat geen aanknopingspunten voor de stelling van klager dat daarbij essentiële zaken onbesproken zijn gebleven. De gemachtigde van verweerder is tijdens de mondelinge behandeling niet ingegaan op de reactie van verweerder op de klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder.
5.15 Voor zover dit klachtonderdeel zo moet worden begrepen dat klager verweerder verwijt dat hij de door klager opgeworpen punten niet heeft overgenomen, overweegt de raad als volgt.
5.16 De verhouding tussen de advocaat, als opdrachtnemer, en de cliënt, als opdrachtgever (op grond van artikel 7:402 lid 1 BW) brengt mee dat de advocaat in beginsel gehouden is de instructies van zijn cliënt op te volgen. Als de advocaat uitvoering van een instructie van zijn cliënt onverenigbaar acht met de op hem rustende verantwoordelijkheid voor zijn eigen optreden, en dit verschil van mening niet in onderling overleg kan worden opgelost, dan kan de advocaat niet zijn eigen wil doorzetten, maar dient hij zich uit de zaak terug te trekken (aldus artikel 7:402 lid 2 BW) en de daarmee strokende gedragsregel 14 lid 2.
5.17 Op 15 februari 2024 heeft verweerder telefonisch onder opgave van redenen aan klager laten weten dat het hem weinig kansrijk leek om verweer te voeren tegen de enkelvoudige belasting in de aan klager opgelegde aanslagen, dat het hem wel zinvol leek verweer te voeren tegen de opgelegde fiscale boetes en dat het hem vanwege de procesrisico’s in zijn zaak raadzaam leek om te proberen tot een compromis met de belastingdienst te komen. Klager lijkt het daarmee eens te zijn geweest. Op 18 april 2024 heeft klager buiten verweerder om een e-mail gestuurd naar de belastingdienst waarin hij (ook) laat weten bereid te zijn om in gesprek te gaan om tot een oplossing te komen. Vervolgens heeft op 25 oktober 2024 het hoorgesprek plaatsgevonden. Uit niets blijkt dat klager voorafgaand daaraan aan verweerder instructies heeft gegeven die daarvan afwijken. Uit het klachtdossier blijkt niet dat verweerder in strijd met de instructies van klager heeft gehandeld. Uit het klachtdossier komt het beeld naar voren dat na het hoorgesprek irritaties zijn ontstaan en dat klager het achteraf toch niet eens is met de zienswijze van verweerder.
5.18 Verweerder was niet verplicht om de door klager opgeworpen punten over te nemen. Verweerder is immers dominus litis in zijn zaak. Op grond van gedragsregel 14 lid 1 draagt de advocaat de volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de opdracht. Ook bij deze lezing van dit klachtonderdeel, is de klacht ongegrond.
-ten onrechte te stellen dat hij e-mails van klager niet heeft ontvangen
5.19 Verweerder heeft op 20 januari 2025 gereageerd op de e-mails van klager van 7, 10 en 21 november 2024 nadat klager hem op 13 januari 2025 erop had gewezen dat hij dat nog niet had gedaan. Verweerder heeft voor zijn niet eerder reageren als verklaring gegeven dat hij de e-mails niet had ontvangen omdat die in zijn spambox terecht waren gekomen. De gemachtigde van klager heeft deze uitleg van verweerder omschreven als volstrekt ongeloofwaardig. De raad volgt klager daar niet in. De omstandigheid dat verweerder klager op 20 januari 2025 heeft geschreven dat hij naar aanleiding van klagers e-mail van 13 januari 2025 de reactie van klager op zijn eigen e-mail van 5 november 202 heeft opgezocht en gevonden, maakt de latere uitleg van verweerder dat dit komt omdat de e-mails van klager in zijn spambox waren gekomen, nog niet onaannemelijk of ongeloofwaardig.
5.20 Klager stelt en verweerder betwist dat verweerder ten onrechte heeft opgemerkt dat hij de e-mails van klager niet heeft ontvangen. Omdat de stelling van klager geen steun vindt in het klachtdossier, kan de raad niet vaststellen dat klager het bij het rechte eind heeft en niet verweerder. Dat leidt ertoe dat de raad dit klachtonderdeel ongegrond zal verklaren.
-terwijl verweerder specialist is in fiscaal recht, ten onrechte btw aan klager, die
buiten de EU woont, in rekening te brengen
5.21 Verweerder heeft klager btw in rekening gebracht en heeft klager dat bedrag later weer terugbetaald. De raad oordeelt dat handelen van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder heeft daar een afdoende verklaring voor gegeven. Verweerder heeft uitgelegd dat voor hem in eerste instantie onvoldoende duidelijk was in welk land de door hem aan klager geleverde diensten belast waren voor de omzetbelasting. Op de zitting bij de raad heeft verweerder verklaard dat de hoofdregel is, ook bij transacties buiten de EU, dat btw verschuldigd is. Verweerder heeft verduidelijkt dat hij btw aan klager in rekening heeft gebracht om te voorkomen dat hij dat naderhand nog zou moeten doen. Terecht heeft de deken opgemerkt dat verweerder dit alles direct schriftelijk aan klager had moeten bevestigen, maar daarover wordt niet geklaagd. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b); misleidend te communiceren over het afgesproken uurtarief
5.22 Klager wijst erop dat in de opdrachtbevestiging is vastgelegd dat partijen een gematigd uurtarief zijn overeengekomen van € 20,- terwijl verweerder nadien stelt dat een uurtarief van € 200,- is afgesproken.
5.23 Verweerder erkent dat in de opdrachtbevestiging een verkeerd uurtarief is vermeld, te weten € 20,- in plaats van € 200,-. Volgens verweerder gaat het om een voor klager kenbare typefout. Verweerder voert aan dat hij dit verweerder heeft verteld in het telefoongesprek van 11 september 2024, waarna klager de voorschotdeclaratie van 24 oktober 2024 zonder protest heeft betaald.
5.24 De raad is met verweerder van oordeel dat voor klager duidelijk moest zijn dat het bij het in de opdrachtbevestiging opgenomen uurtarief van € 20,- om een typefout gaat. Hoewel in de opdrachtbevestiging staat dat aan klager een gematigd uurtarief in rekening zal worden gebracht is een uurtarief van € 20,- voor een advocaat dermate laag, dat klager er daarom niet gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat een uurtarief van € 20,- was afgesproken. Klager heeft geen andere feiten en/of omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden geoordeeld dat klager er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit uurtarief was afgesproken. De raad betrekt bij dat oordeel de omstandigheden dat – zoals op de zitting bij de raad is verklaard - klager al meer dan tien jaar verbonden is aan het advocatenkantoor van verweerder, klager al eerder diensten van andere advocaten van het kantoor had afgenomen en klager wist dat een marktconform uurtarief tussen de € 250,- en € 350,- ligt. Klager heeft dit verweerder op 20 januari 2025 geschreven. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder is daarom geen sprake. Terecht heeft de deken opgemerkt dat verweerder dit bij ontdekking direct schriftelijk aan klager had moeten bevestigen en dus niet telefonisch zoals verweerder op 11 september 2025 heeft gedaan. Daarover wordt niet geklaagd.
Klachtonderdeel c); zich op onzorgvuldige wijze te onttrekken aan de hem verstrekte
opdracht
5.25 Op grond van gedragsregel 14 lid 2 is een advocaat gehouden om zijn werkzaamheden te beëindigen als de vertrouwensbasis met de cliënt is vervallen. Wel moet een advocaat die besluit een verstrekte opdracht neer te leggen, dat op zorgvuldige wijze doen en hij moet ervoor zorgdragen dat de cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. De advocaat moet een dergelijke beslissing tijdig kenbaar maken en de cliënt wijzen op de te nemen vervolgstappen.
5.26 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder aan die vereisten voldaan en stond het verweerder vrij zich aan de zaak van klager te onttrekken. Verweerder heeft klager tijdig en op correcte wijze heeft geïnformeerd dat en waarom hij hem verder niet zal bijstaan. In zijn e-mail van 20 januari 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat er sprake is van een vertrouwensbreuk. Dat is tussen partijen niet in geschil en blijkt ook duidelijk uit de e-mail van klager aan verweerder van 20 januari 2025. Ook op 13 februari 2025 heeft verweerder aan klager uitgelegd dat en waarom hij zich wilde terugtrekken uit zijn zaak waarbij verweerder heeft laten weten bereid te zijn tot een telefoongesprek. Verweerder heeft op 6 februari 2025 aan klager doorgestuurd het bericht waarin de belastingdienst vraagt om een reactie op het verslag van het hoorgesprek en heeft daarbij aan klager gevraagd of hij al iemand had gevonden die zijn belangen verder zou behartigen. Op 6 en op 13 februari 2025 heeft klager aan verweerder laten weten dat hij geen andere advocaat/gemachtigde wilde inschakelen en op 13 februari 2025 dat hij geen behoefte heeft aan een telefoongesprek. Niet is gebleken dat verweerder de belangen van klager heeft geschaad.
Conclusie
5.27 De klacht is in alle onderdelen ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.J. de Vries en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 17 augustus 2026