ECLI:NL:TADRARL:2026:176 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-131/AL/OV
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:176 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 25-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-131/AL/OV |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 17 augustus 2026
in de zaak 26-131/AL/OV
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 13 april 2026 op de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 19 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2502810 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 13 april 2026 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 4 mei 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 19 juni 2026. Hoewel de raad klager op diens verzoek de mogelijkheid heeft geboden om op de zitting aanwezig te zijn door middel van een Microsoft Teams-verbinding, is klager niet verschenen. Verweerder had tevoren al laten weten niet op de zitting aanwezig te zullen zijn.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen. Klager heeft onder meer het volgende aangevoerd:
2.2 Ten aanzien van de feiten:
- de voorzitter is bij de feiten onder 1.2 uitgegaan van een onjuist feit: de daarin geciteerde e-mail van een medewerkster van VluchtelingenWerk Nederland aan klager is niet van 16 maart 2025, maar van 16 mei 2025;
2.3 Ten aanzien van de beoordeling:
- klager stelt dat de voorzitter heeft miskend dat verweerder zonder toestemming van klager, zonder volmacht en tegen de uitdrukkelijke wil van klager is opgetreden als advocaat van klager. Verweerder heeft de persoonsgegevens van klager gebruikt, heeft namens klager proceshandelingen verricht en heeft vervolgens de procedure ingetrokken, terwijl de rechtbank om een schriftelijke machtiging vroeg die niet is overgelegd;
- klager stelt dat de voorzitter een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd waar de voorzitter overweegt dat verweerder door de Raad voor Rechtsbijstand was toegevoegd en dat het verweerder daarom vrij stond om, ook zonder contract met verweerder, in het belang van klager op te treden en hoger beroep in te stellen;
- klager stelt dat de voorzitter de verantwoordelijkheid ten onrechte bij klager waar de voorzitter overweegt dat klager zijn wens om zichzelf te verdedigen nooit aan verweerder kenbaar heeft gemaakt en uit het dossier niet volgt da verweerder daarvan op andere wijze op de hoogte had kunnen zijn, verweerder geen verwijt treft.
2.4 Tegen de andere in de voorzittingsbeslissing vastgestelde feiten (anders dan de datum van de e-mail geciteerd in de voorzittersbeslissing in 1.2.) en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Met betrekking tot het in de voorzittersbeslissing onder 1.2. genoemde feit wordt verwezen naar wat daarover hierna (onder 4.3.) is overwogen.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Met betrekking tot de specifiek door klager aangevoerde gronden overweegt de raad als volgt.
4.3 In zijn eerste verzetgrond stelt klager dat de beslissing van de voorzitter is gebaseerd op een onjuist feit waar het gaat om de datum van de e-mail van de medewerkster van VluchtelingenWerk Nederland van 16 maart 2025. Gelet op de door klager verstrekte toelichting dat hij toen nog niet als asielzoeker in Nederland was geregistreerd, is de raad van oordeel dat dit feit inderdaad niet juist is weergegeven en dat de e-mail, zoals klager stelt, dateert van 16 mei 2025. Anders dan klager meent, is de datum van deze e-mail niet dragend voor de beslissing van de voorzitter.
4.4 In zijn verdere verzetgronden gaat klager uit van een onjuiste lezing van de voorzittersbeslissing. De voorzitter heeft niet geoordeeld dat klager verweerder heeft gemachtigd en dat tussen verweerder en klager sprake is van een advocaat-cliëntrelatie. De voorzitter heeft geoordeeld dat verweerder van zijn handelen tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt omdat de Raad voor Rechtsbijstand verweerder aan de zaak van klager had toegevoegd. De voorzittersbeslissing moet zo worden gelezen dat hoewel er geen advocaat-cliëntrelatie tussen klager en verweerder is, onder deze omstandigheden op verweerder wel een zorgplicht rustte om klager bij te staan, die verviel toen verweerder duidelijk werd dat klager zijn bijstand niet wilde.
4.5 Gezien het voorgaande hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.6 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.J. de Vries en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 17 augustus 2026