ECLI:NL:TADRARL:2026:174 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-165/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:174 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 25-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-165/AL/MN |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over belangenverstrengeling is ongegrond. De advocaat stond in 2016 zowel klaagster als een bewoner van haar chaletpark bij toen zij een gezamenlijk belang hadden tegenover de gemeente. Later heeft de gemeente de bewoner een omgevingsvergunning verleend om op het park te blijven wonen. Daartegen heeft klaagster bezwaar gemaakt. Klaagster trad dus op tegen de gemeente en niet tegen de bewoner. De bewoner was als vergunninghouder een derde belanghebbende partij. De advocaat heeft de bewoner bijgestaan in de bestuursrechtelijke procedure. Die bijstand richtte zich niet tegen klaagster. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 17 augustus 2026
in de zaak 26-165/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 2 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2530494/WW/SD van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 juni 2026. Daarbij was verweerder aanwezig. De gemachtigde van klaagster had tevoren al laten weten niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 In 2016 waren er eigenaren van chalets op het park die hun chalets aan uitzendbureaus verhuurden die daar buitenlandse arbeiders huisvestten. Dat was op grond van een gemeentelijk bestemmingsplan niet toegestaan. In 2016 heeft de gemeente aan klaagster laten weten handhavend te zullen optreden.
2.2 Een bewoner van de beheerderswoning (hierna: de bewoner) op het chaletpark van klaagster heeft in 2016 contact opgenomen met verweerder met vragen over zijn positie gelet op dat voornemen van de gemeente.
2.3 Verweerder heeft vervolgens namens de bewoner een gesprek gehad met een wethouder van de gemeente. Op 23 juni 2016 heeft verweerder contact opgenomen met klaagster en voorgesteld om ook klaagster bij te staan richting de gemeente. Dat is gebeurd. In 2017 is de opdracht van klaagster aan verweerder geëindigd.
2.4 Begin 2024 is (vermoedelijk door een andere bewoner op het park van klaagster) bij de gemeente een verzoek tot handhaving ingediend omdat de bewoner geen beheerder is en permanent op het park woont. De bewoner heeft vervolgens contact opgenomen met de gemeente. In overleg met de gemeente is besloten om een omgevingsvergunning voor de bewoner aan te vragen. De bewoner heeft in juni 2024 een omgevingsvergunning gekregen waarin staat dat hij ook zonder beheerderstaken in de woning op het park mag blijven wonen. Meerdere partijen, waaronder klaagster, hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Bij de mondelinge behandelingen bij de bezwarencommissie in september 2024 en bij de bestuursrechter in oktober 2025 heeft verweerder de bewoner vertegenwoordigd.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
in een procedure tegen klaagster op te treden, terwijl klaagster in 2016-2017 cliënte
van verweerder is geweest
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Het is vaste rechtspraak van het Hof van Discipline dat een advocaat zich moet onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde moet onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet opgenomen normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.
5.2 De tuchtrechter toetst aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedagsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 Als uitgangspunt geldt dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een voormalig cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is verwoord in gedragsregel 15 (lid 1 onder b). De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt ten volle erop kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit al voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat.
Beoordeling klacht
5.4 Klaagster was in 2016 een cliënt van verweerder. Ter beantwoording ligt de vraag voor of verweerder nadien tegen klaagster is opgetreden.
5.5 Klaagster heeft beroep aangetekend tegen een door de gemeente aan de bewoner verleende omgevingsvergunning voor permanente bewoning in de beheerderswoning. Verweerder heeft de bewoner in 2024/2025 in die bestuursrechtelijke procedure bijgestaan.
5.6 De raad is van oordeel dat klaagster in de bestuursrechtelijke procedure optrad tegen de gemeente en niet tegen de bewoner. De bewoner was als vergunninghouder een derde belanghebbende partij in de bestuursrechtelijke procedure. Niet is gebleken dat de bijstand door verweerder aan de bewoner in 2024/2025, zich tegen klaagster richtte. In 2024/2025 is verweerder dus niet tegen klaagster opgetreden.
5.7 Ook is niet gebleken dat verweerder in 2016 en/of in 2024/2025 tegelijkertijd voor zowel klaagster als de bewoner is opgetreden in een zaak waarin zij een tegengesteld belang hadden In 2016 heeft verweerder wel voor zowel klaagster als de bewoner opgetreden, maar hadden zij een gezamenlijk belang. In 2024/2025 hadden klaagster en de bewoner misschien een tegengesteld belang, maar heeft verweerder niet voor beide partijen opgetreden.
5.8 De raad komt tot de slotsom dat van schending van gedragsregel 15 geen sprake is. Dat betekent dat de klacht ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.J. de Vries en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 17 augustus 2026