ECLI:NL:TADRARL:2026:173 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-067/AL/OV

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:173
Datum uitspraak: 17-08-2026
Datum publicatie: 24-08-2026
Zaaknummer(s): 26-067/AL/OV
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de eigen advocaat. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder niet gehandeld zoals van een zorgvuldig en bekwaam advocaat verwacht mag worden door zijn cliënten onvoldoende schriftelijk te informeren over zijn gewijzigde aanpak, over zijn ureninschatting voor de buitengerechtelijke werkzaamheden en over de risico’s en (proces)kosten. De raad ziet dat verweerder zich met goede intenties voor klaagster c.s. heeft ingezet maar ziet tegelijkertijd ook welke ernstige (financiële) gevolgen de negatieve uitspraak voor klaagster c.s. heeft gehad en nog heeft. De raad is uit de stukken echter niet gebleken dat verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt door het ontbreken van voldoende dossierkennis of deskundigheid. Gelet op deze omstandigheden, in combinatie met het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerder, is de raad van oordeel dat oplegging van een maatregel van waarschuwing passend en geboden is.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 17 augustus 2026
in de zaak 26-067/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster

over

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 15 april 2025, aangevuld op 16 april 2025, heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 27 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2487496 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 april 2026. Daarbij waren klaagster, tijdens de zitting bijgestaan door mr. R. le Roy en haar echtgenoot, en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 30 maart 2026 van verweerder.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klaagster en een aantal familieleden (hierna eventueel ook: klaagster c.s.) hebben met G B.V. (hierna: de aannemer) een geschil gekregen over de uitvoering van de aannemingsovereenkomst voor een dubbele woning, in het bijzonder over de bouwvertraging en oplopende kosten (verhoging aanneemsom). Als bouwbegeleider was E B.V. betrokken (hierna: de bouwbegeleider).

2.2    Op 28 april 2023 heeft verweerder met klaagster c.s. een intakegesprek gehad.

2.3    Op 1 mei 2023 heeft verweerder de van klaagster c.s. ontvangen opdracht om (beperkt) advies uit te brengen over de vraag of de aannemer recht heeft om een veel hogere aanneemprijs bij klaagster c.s. af te dwingen dan in de aannemingsovereenkomst stond bevestigd. Verweerder heeft aan klaagster c.s. verder geschreven dat sprake is van gespecialiseerd werk en dit de reden is dat hij de zaak niet op gefinancierde basis wil doen. Verweerder heeft verder bevestigd dat hij van klaagster c.s. heeft begrepen dat zijn bijstand mogelijk onder de dekking van de rechtsbijstandsverzekering valt maar dat hem vanwege de haast is gevraagd om klaagster c.s. op betalende basis bij te staan. Hij heeft aangegeven dat hij voor circa drie uur aan klaagster c.s. in het geschil met de aannemer juridisch advies zal uitbrengen tegen een uurtarief van € 307,82 inclusief btw en dat klaagster c.s. hem hebben gemeld dat zij in het geschil met de bouwbegeleider mogelijk apart nog advies aan verweerder zullen vragen. Verweerder heeft klaagster c.s. in dezelfde e-mail uitgebreid geadviseerd, een brief aan de aannemer ter goedkeuring meegestuurd, alsmede de voorschotfactuur voor € 923,47. Dit voorschot is door klaagster c.s. betaald.

2.4    Op 2 mei 2023 heeft klaagster c.s. deze opdracht van verweerder bevestigd en ingestemd met verzending van de brief aan de aannemer. 

2.5    Op 15 mei 2023 heeft verweerder aan klaagster c.s. een factuur voor € 949,12 gestuurd voor zijn werkzaamheden in april. Dit is door klaagster c.s. betaald. 

2.6    Rond 2 juni 2023 heeft klaagster c.s. aan verweerder de opdracht gegeven om te adviseren over de rol van de bouwbegeleider tegen het uurtarief van € 307,82 inclusief btw.

2.7    In een e-mail van 6 juni 2023 heeft klaagster c.s. een toelichting aan verweerder gegeven over de laatste stand van zaken, in het bijzonder over het uitblijven van een reactie op hun vragen aan de aannemer. 

2.8    In e-mails van 8 en 9 juni 2023 heeft klaagster c.s. verweerder gevraagd om een gerechtelijke procedure tegen de aannemer en de bouwbegeleider op te starten. 

2.9    Op 14 juni 2023 heeft verweerder klaagster c.s. uitvoerig schriftelijk geadviseerd om in een bodemprocedure zowel de aannemer als de bouwbegeleider tegelijk te betrekken. Verweerder heeft voor een procedure tot aan het eindvonnis een voorlopige inschatting van 50-70 uur gemaakt en klaagster c.s. voorgesteld om die brief aan DAS te sturen.

2.10    Op 15 juni 2023 heeft verweerder aan klaagster c.s. een factuur voor € 7.603,74 gestuurd voor zijn werkzaamheden in mei 2023. Dit bedrag is door klaagster c.s. betaald.

2.11    Op 30 juni 2023 heeft verweerder namens klaagster c.s. de bouwbegeleider aansprakelijk gesteld.

2.12    Op 13 juli 2023 heeft verweerder aan klaagster c.s. een factuur voor € 2.129,12 gestuurd voor werkzaamheden in juni 2023. Dit bedrag is door klaagster c.s. betaald.

2.13    Op 14 juli 2023 heeft verweerder aan klaagster c.s. een conceptbrief voor DAS gestuurd en gevraagd of hij deze mag versturen. In de conceptbrief aan DAS heeft verweerder onder meer toegelicht dat in het geschil tussen klaagster enerzijds en de aannemer en de bouwbegeleider anderzijds één procedure bij de rechtbank op korte termijn een ruime kans op succes heeft en financieel verantwoord is. Verweerder heeft zijn plan van aanpak toegelicht en vermeld een ingewikkelde langdurige procedure te verwachten waarbij ook een tegeneis en getuigenbewijs mogelijk zijn. Verweerder heeft voor twee zaken van klaagster c.s. zijn uren tot het te wijzen eindvonnis op 82 uur begroot tegen een uurtarief van € 250,-, zonder kantoorkosten, exclusief btw. Verweerder heeft deze brief aan DAS na daartoe verkregen toestemming van klaagster c.s. verstuurd.

2.14    Op 5 september 2023 heeft DAS aan verweerder de opdracht verstrekt om klaagster c.s. bij te staan in twee bodemzaken in eerste aanleg tegen 82 uur à € 250,- per uur te vermeerderen met btw, met € 30.000,- als maximum. In deze e-mail van DAS staat verder vermeld dat een veroordeling in de proceskosten van klaagster c.s, voor zover gedekt binnen de polisvoorwaarden, voor rekening komt van DAS.

2.15    In een e-mail van 14 september 2023 heeft verweerder aan klaagster c.s. bericht dat hij ook de bestuurder van de aannemer (hierna verder: de DGA) persoonlijk aansprakelijk zal stellen. Dat is op 15 september 2023 gebeurd. 

2.16    Op 14 november 2023 heeft de deurwaarder dagvaardingen van klaagster c.s. aan de aannemer en grondverkoper betekend. 

2.17    Op 11 januari 2024 is namens klaagster onder meer aan verweerder gemaild dat zij verwachten dat hun dekking bij DAS van € 30.000,- puur voor een externe advocaat is. Klaagster heeft verweerder gevraagd om te letten op dat maximumbudget. 

2.18    Op 22 april 2024 heeft de aannemer in navolging van het tussenvonnis (tevens vonnis in incident) van 20 maart 2024 de bouwbegeleider in vrijwaring gedagvaard tegen de rolzitting van 1 mei 2024. 

2.19    Op 25 april 2024 heeft klaagster c.s. een e-mail met daarbij een brief, gericht aan klaagster maar inhoudelijk bedoeld voor een andere cliënt, van het kantoor van verweerder ontvangen. Verweerder heeft voor deze door zijn medewerker gemaakte vergissing op 26 april 2024 zijn excuses aan klaagster c.s. aangeboden.

2.20    Verweerder heeft klaagster c.s. met DAS in cc op 26 april 2024 geïnformeerd over het door de advocaat van de bouwbegeleider verzochte uitstel en het verzoek om gecombineerde behandeling van de hoofdzaak en de zaak in vrijwaring. 

2.21    Op 30 mei 2024 heeft verweerder aan klaagster c.s. met DAS in cc onder meer gemaild:

Ik constateer op 29 mei dat in de door ons uitgebrachte dagvaarding [naam bestuurder aannemer] als zodanig niet is mee-gedagvaard, terwijl uit het lichaam van de dagvaarding volgt dat dit wel de intentie was en het staat nota bene ook aan het slot in het zogeheten petitum. Dit betekent dat [naam bestuurder aannemer] niet in de procedure is betrokken. Dit was wel de bedoeling volgens mij. Dit is dus ‘niet handig’. (…) maar het is dan uiteraard wel mijn fout. (…)
 

Conclusie: we wilden [naam bestuurder aannemer] al gelijk mee-dagvaarden, in voorwaardelijke zin. De vraag is of de rechtbank zo’n vordering kan toewijzen. Afhankelijk van de afloop van het thans gestarte proces kan [naam bestuurder aannemer] alsnog worden gedagvaard. Hij zal nu in elk geval op zijn tellen passen. (…)
 

2.22    Op 31 mei 2024 heeft verweerder aan klaagster c.s. met DAS in de cc de ontvangen conclusie van antwoord in reconventie van de aannemer gestuurd en gemeld dat klaagster c.s. daarop uiterlijk op 12 juni 2024 kan reageren. Verweerder heeft verder aangegeven dat hij op verzoek van klaagster c.s. hun uitgebreide feitenoverzicht als productie heeft overgelegd. Daarbij heeft verweerder uitgelegd dat de rechter daarvan niet zondermeer kennis zal nemen maar het in elk geval een goede geheugensteun zal zijn. Verweerder schrijft tot slot dat hij geen aanleiding ziet om nog aanvullende bewijsstukken in het geding te brengen.

2.23    De op 14 oktober 2024 gecombineerde zitting in de hoofdzaak en vrijwaringsprocedure bij de rechtbank Haarlem is op het laatste moment wegens ziekte van de rechter geannuleerd. Verweerder was op dat moment al onderweg naar de rechtbank. 

2.24    Op 26 november 2024 heeft verweerder een factuur met urenspecificatie voor zijn werkzaamheden in oktober voor een bedrag van € 2.873,74 aan klaagster c.s. ten behoeve van DAS gestuurd. Hierin heeft verweerder voor reistijd op 14 oktober 2024 naar de (geannuleerde) zitting in Haarlem 2:40 uur in rekening gebracht. Dezelfde dag heeft klaagster c.s. verweerder gemaild dat het budget van DAS volledig is gebruikt en toekomstige kosten nu voor haar rekening zijn. Klaagster c.s. heeft aan verweerder gevraagd om daarover duidelijkheid te verschaffen en daarnaast bezwaar gemaakt tegen de 2:40 uur die door verweerder in rekening is gebracht aan reiskosten. In reactie hierop heeft verweerder dezelfde avond aan klaagster c.s. laten weten dat zij zich over de kosten tot en met de verplaatste zitting geen zorgen hoeven te maken omdat verweerder die voor zijn rekening neemt.

2.25    In een e-mail van 10 december 2024 heeft verweerder aan klaagster c.s. uitgebreid verslag gedaan van de op 9 december 2024 alsnog gehouden zitting bij de rechtbank. Verweerder heeft daarin onder meer geschreven over de gang van zaken tijdens de zitting en de schorsingen met schikkingsmogelijkheden voor klaagster c.s., over door hem tijdens de zitting pas ontvangen informatie over de hogere waarde van het perceel, en de goede en kwade kansen in de aangekondigde uitspraak.

2.26    Bij vonnis van 15 januari 2025 heeft de rechtbank Haarlem de vordering in conventie van klaagster c.s. tegen de bouwbegeleider niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet was gedagvaard en daarnaast de vorderingen van klaagster c.s. tegen de aannemer afgewezen, met veroordeling van klaagster c.s. in de proceskosten. De vordering in reconventie van de aannemer is toegewezen waarna de overeenkomst is ontbonden met veroordeling van klaagster c.s. voor door de aannemer geleden aanvullende schade, met veroordeling van klaagster c.s. in de proceskosten. De vorderingen in de vrijwaringszaak zijn afgewezen. 

2.27    Op 23 januari 2025 heeft verweerder aan klaagster c.s. en DAS gemaild dat hij het budget van 82 uur heeft overschreden, maar dat zijn meegezonden factuur van die dag ter hoogte van € 234,81 nog binnen de 82 uur valt. Verweerder heeft DAS verzocht om die factuur te betalen. Ook heeft verweerder gemeld dat hij de rest van de uren intern zal afboeken omdat het bereikte resultaat buitengewoon teleurstellend is. Het nog beschikbare bedrag van circa € 5.000,- kan volgens verweerder door klaagster c.s. worden gebruikt voor de betaling van de proceskostenveroordeling. Verweerder heeft zich  bereid verklaard om klaagster c.s. te adviseren en eventueel bij te staan in hoger beroep en daarvoor een kosteninschatting gemaakt. Eveneens op 23 januari 2025 heeft verweerder aan klaagster c.s. bevestigd dat hij op hun verzoek bij de rechtbank het proces-verbaal van de zitting zal opvragen, maar dat afgifte daarvan door de rechtbank mogelijk afhankelijk wordt gesteld van instellen van hoger beroep. 

2.28    Op 18 maart 2025 heeft klaagster c.s. aan het kantoor van verweerder meegedeeld de samenwerking met verweerder per direct te beëindigen en de redenen daarvoor toegelicht. Klaagster heeft verweerder verzocht om een financiële regeling te treffen omdat zijn facturen van 13 februari 2025 van 18 maart 2025 werkzaamheden in januari betroffen. 

2.29    Op 19 maart 2025 heeft verweerder aan klaagster c.s. bericht dat er nog openstaande facturen zijn. DAS heeft zijn factuur van 26 november 2024 niet betaald omdat het restant van het verzekerde budget door klaagster c.s., volgens verweerder buiten hem om, is gebruikt om aan de proceskostenveroordeling te voldoen. Verder wijst verweerder klaagster c.s. op zijn onbetaalde factuur van 18 maart 2025, met de toezegging navraag bij de boekhouder te doen. Verweerder heeft klaagster c.s. verder laten weten de teleurstelling over het vonnis te begrijpen, maar verzocht toch zijn facturen op korte termijn te betalen. Hij heeft klaagster c.s. verzocht om het kritische commentaar op de omvang van zijn werkzaamheden nader te specificeren en daarbij opgemerkt dat hij al royaal uren niet in rekening heeft gebracht. Daarnaast heeft hij bevestigd dat hij voor klaagster c.s. geen hoger beroep zal instellen en klaagster c.s. geattendeerd op de uiterste termijn daarvan. 

3    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door (in hoofdthema’s):
a)    over onvoldoende kennis en specialisatie te beschikken;
b)    klaagster c.s. onvoldoende te informeren over de kansen en risico’s en proceskosten;
c)    kwalitatief ondermaats te presteren; 
d)    zijn kantooradministratie niet op orde te hebben;
e)    onredelijke hoge of onvoldoende gespecificeerde bedragen, ook van anderen, tegen het uurtarief van verweerder in rekening te brengen en excessief te declareren;

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht gemotiveerd verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
 

Maatstaf 

5.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 

5.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.3    Uit gedragsregel 16 volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.

5.4    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

 
Klachtonderdeel a)
 

over onvoldoende kennis en specialisatie te beschikken;

Toelichting van klaagster

5.5    Tijdens het intakegesprek op 28 april 2023 heeft verweerder bij klaagster c.s. sterk de indruk gewekt extra gespecialiseerd te zijn in bouwrecht. Die indruk ook versterkt door zijn opmerking over ‘gespecialiseerd werk’ in zijn e-mail van 1 mei 2023. Gelet op de negatieve uitspraak van 15 januari 2025 trekt klaagster c.s. zijn specialisatie in twijfel. Verweerder heeft zich bovendien onvoldoende in het dossier verdiept waardoor hij onvoldoende feitelijke kennis bezat wat ten nadele van klaagster c.s. heeft uitgepakt. 

5.6    Tijdens de zitting van de raad heeft klaagster c.s. nog naar voren gebracht dat verweerder aan klaagster c.s. een onjuiste juridische uitleg heeft gegeven over het relevante artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek en daarin ondeskundig was.

Verweer van verweerder

5.7    Verweerder betwist dat hij zich richting klaagster c.s. als specialist bouwrecht heeft gepresenteerd. Hij staat in het rechtsgebiedenregister ook niet als zodanig geregistreerd. Hij heeft aangegeven eerder zaken op het gebied van bouwrecht te hebben gedaan. Zijn opmerking in zijn e-mail van 1 mei 2023 dat sprake is van gespecialiseerd werk heeft hij opgenomen in het licht van de uitleg dat hij de complexe zaak van klaagster c.s. niet op toevoegingsbasis aannam. Hij betwist dat hij klaagster c.s. ondeskundig heeft bijgestaan en artikel 7:253 BW onjuist heeft toegepast. 

Beoordeling van de raad

5.8    Naar het oordeel van de raad is de juistheid van het verwijt dat verweerder zich als specialist bouwrecht heeft gepresenteerd, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vast te stellen. Dat bij klaagster c.s. die verwachting is gewekt is onvoldoende om verweerder hierover tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Klaagster c.s. had bovendien zelf voorafgaand aan het intakegesprek met verweerder het rechtsgebiedenregister kunnen raadplegen dan wel daar specifiek navraag naar kunnen doen bij verweerder. Dat klaagster c.s. dat heeft gedaan, is de raad uit de stukken niet gebleken. Dat verweerder over onvoldoende dossierkennis beschikte en over specifieke kennis op het gebied van bouwrecht beschikte kan de raad, tegenover de betwisting daarvan door verweerder en gelet op de stukken, niet vaststellen. Klachtonderdeel a) wordt ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)
    klaagster c.s. onvoldoende te informeren over de kansen en risico’s en (proces)kosten;

 

Toelichting van klaagster

5.9    Tijdens de zitting van de raad heeft klaagster c.s. toegelicht dat zij verweerder onder meer verwijt dat hij geen urenbegroting heeft gegeven voor zijn werkzaamheden die hij heeft gedaan voordat DAS hem de opdracht gaf om voor klaagster c.s. een procedure te starten en nadat het budget bij DAS was opgemaakt. Verweerder heeft voor zijn  werkzaamheden in de procedure voor DAS 82 uur begroot. In totaal heeft hij 147 uur voor klaagster c.s. gedeclareerd. Voor de resterende 65 uur, die voor eigen rekening waren, heeft klaagster c.s. geen urenbegroting vooraf ontvangen. 

5.10    Verder heeft klaagster c.s. tijdens de zitting van de raad toegelicht dat verweerder een verkeerde keuze heeft gemaakt om drie partijen te dagvaarden. Daardoor zijn de griffiekosten voor klaagster c.s. enorm hoog geworden. Verweerder heeft klaagster c.s. hierover ten onrechte niet voorafgaand aan het dagvaarden op gewezen. 

5.11    Verweerder heeft klaagster c.s. niet vooraf gewezen op de mogelijkheid dat in de procedure een tegenvordering kon worden ingesteld door de wederpartij en welke financiële gevolgen dat voor klaagster c.s. zou hebben. Verweerder heeft één van de drie gedaagden ook onnodig gedagvaard. Evenmin is klaagster c.s. door verweerder op de procesrisico’s gewezen. Zij moest na het teleurstellende vonnis een hoge proceskostenveroordeling van ruim € 27.000,- aan de beide wederpartijen voldoen.

Verweer van verweerder

5.12    Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat hij zich niet kan herinneren hoeveel uren hij heeft begroot voor de twee opdrachten die hij op betalende basis voor klaagster c.s. heeft gedaan. Het was rond april/mei 2023 volgens hem ook onmogelijk om een sluitende urenbegroting te geven. Klaagster c.s. waren heel actief met mailen en stelden veel vragen. Zij hadden bovendien haast en wisten dat het niet om een paar uren zou gaan omdat het een omvangrijk dossier was. Volgens verweerder kon hij in deze situatie dan ook volstaan met het maandelijks declareren aan klaagster c.s. met bijvoeging van de urenspecificatie. Klaagster c.s. heeft daar toen nooit vragen over gesteld of bezwaar tegen gemaakt. Door betaling van de declaraties heeft verweerder voldoende aan zijn informatieplicht voldaan. 

5.13    Volgens verweerder heeft hij klaagster c.s. voldoende gewezen op de kansen en risico’s van de procedure. Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de inhoud van zijn e-mail van 14 juli 2023 aan DAS, die hij na instemming van klaagster c.s. heeft verstuurd. Klaagster c.s. was aldus van de inhoud ervan op de hoogte van de urenbegroting, zijn tarief en plan van aanpak.

5.14    Verweerder wist alleen van klaagster c.s. dat een polis rechtsbijstand bestond. Voorwaarden en beperkingen kende hij niet. In de opdrachtbevestiging van DAS van 5 september 2023 stond onderaan bladzijde 2 dat een veroordeling in de proceskosten van de verzekerde voor rekening van DAS zou zijn, voor zover dat onder de polisvoorwaarden gedekt zou zijn. Verweerder ging er vanuit dat een eventuele proceskostenkostenveroordeling onder de verzekerde dekking van klaagster c.s. viel maar niet in mindering zou worden gebracht op het budget van klaagster c.s. Verweerder stelt dat hij daar ook vanuit kon gaan omdat DAS in zijn opdrachtbevestiging refereerde aan polisvoorwaarden, niet concreet aan de verzekerde som. Zijn begroting aan DAS ging ook richting het maximale budget van klaagster c.s. Hij had mogen verwachten dat DAS hem daarom had gewezen op de uitzondering als die in het geval van klaagster c.s. van toepassing was, namelijk dat een eventuele proceskostenveroordeling ook in dat maximumbudget viel. Volgens verweerder had klaagster c.s. dit ook niet scherp, zoals blijkt uit de e-mail van 11 januari 2024 aan hem. In deze situatie kan hem niet worden verweten dat hij klaagster c.s. onvoldoende heeft geïnformeerd, aldus verweerder.

Beoordeling van de raad

5.15    Uit de stukken is de raad niet gebleken dat verweerder klaagster c.s. voldoende heeft geïnformeerd over de kansen, de risico’s en de (proces)kosten met concrete urenbegroting omdat verweerder dit niet voldoende schriftelijk heeft vastgelegd. Voor zover verweerder betoogt dat hij dit met klaagster c.s. heeft besproken, wordt dat door klaagster c.s. betwist. Verweerder heeft weliswaar de uren onder de dekking van DAS voorafgaand aan de procedure op 82 uur begroot maar heeft voor zijn uren voor de buitengerechtelijke werkzaamheden niet vooraf begroot. Verweerder heeft volstaan met een ureninschatting van drie uur in zijn e-mail van 1 mei 2023. Dat klaagster de declaraties met specificaties daarna heeft betaald, doet er niet aan af dat een advocaat gehouden is om zijn cliënt zorgvuldig vooraf te informeren om misverstanden daarover later te voorkomen. 

5.16    Verweerder heeft door het niet schriftelijk vastleggen van belangrijke informatie voor klaagster c.s. dan ook in strijd gehandeld met gedragsregel 16 en met hetgeen van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Het ontbreken van een schriftelijke vastlegging van hetgeen met klaagster c.s. zou zijn besproken, is voor risico van verweerder. Klachtonderdeel b) is dan ook gegrond. 

Klachtonderdeel c)
    kwalitatief ondermaats te presteren; 
Toelichting van klaagster

 

5.17    Verweerder heeft in de procedure bij de rechtbank de belangen van klaagster c.s. niet goed behartigd en is tekort geschoten in zijn zorgplicht voor klaagster c.s. 

5.18    Volgens klaagster c.s. heeft verweerder ten onrechte de grondverkoper gedagvaard waardoor klaagster c.s. voor drie partijen nog hogere griffierechten moest betalen. Verweerder is daarnaast vergeten om ook de DGA in privé te dagvaarden terwijl dat wel met klaagster c.s. was besproken en in de voorgelegde concepten van de dagvaarding stond. Verweerder had moeten volstaan met dagvaarding van de aannemer en de DGA in privé. 

5.19    Verweerder heeft onvoldoende gedaan met de van klaagster c.s. ontvangen uitgebreide documenten en het door klaagster c.s. opgestelde chronologische overzicht terwijl daarmee juist bewijs kon werden geleverd tegen de onjuiste stellingen van de wederpartijen. Op uitdrukkelijk verzoek van klaagster c.s. heeft verweerder belangrijke stukken als productie bijgevoegd maar heeft daar niet uitdrukkelijk en concreet naar verwezen in zijn processtuk. De producties van klaagster c.s. zijn door de rechter dan ook buiten beschouwing gelaten wegens gebrek aan onderbouwing. 

5.20    Tijdens de zitting heeft verweerder nauwelijks iets van de stellingen van de wederpartijen betwist, maar volstaan met slechts vier kantjes pleitaantekeningen. Dit terwijl de wederpartijen zeer omvangrijke conclusies van antwoord van 60 pagina’s met bijlagen hadden ingediend. Ook dit heeft geleid tot een negatieve uitspraak. 

Verweer van verweerder

5.21    Verweerder betwist dat hij kwalitatief ondermaats heeft gepresteerd. Hij erkent dat hij in de met klaagster c.s. besproken versies van de concept-dagvaarding argumenten heeft genoemd waarom ook de DGA in privé uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk zou zijn. In het petitum van het exploot van de dagvaarding van 14 november 2023 heeft hij namens klaagster c.s. gevorderd om de DGA (voorwaardelijk) te veroordelen maar heeft de DGA niet in de kop van de dagvaarding vermeld, waardoor deze niet is mee-gedagvaard. Volgens verweerder was geen sprake van een vergissing van zijn kant maar  kwam hij aan het einde van het opstelproces van de dagvaarding tot het inzicht dat het beter was om de DGA toch niet direct mee te dagvaarden. Zijn keuze is gezien het vonnis van de rechtbank ook de juiste gebleken. De rechtbank heeft immers de vordering van klaagster c.s. op de aannemer afgewezen zodat de vordering op de DGA in privé zinloos was geweest. Als bijkomende vordering heeft hij in overleg met klaagster c.s. de grondverkoper gedagvaard omdat klaagster c.s. zich benadeeld voelden nadat zij had gehoord dat de verkoper op de hoogte was van bepaalde verontreiniging. Dit standpunt is volgens de rechtbank niet komen vast te staan waardoor het beroep van klaagster c.s. op een vernietigingsgrond is afgewezen. Verweerder stelt dat hij een inspanningsverplichting heeft en de haalbaarheid de zaak niet rooskleuriger heeft voorgesteld dan reëel was. 

5.22    Volgens verweerder heeft hij de vele uitgebreide processtukken op deskundige wijze en in nauw overleg met klaagster en haar echtgenoot opgesteld en concepten na hun goedkeuring pas definitief ingediend. Hij was goed op de hoogte van het omvangrijke dossier en zag geen noodzaak om meteen de tenaamstelling van de Omgevingsvergunning aan te laten passen. Zoals van een advocaat wordt verwacht, heeft hij van de vele stukken van klaagster c.s. de juridische vertaalslag gemaakt in de processtukken. Hij betwist dat hij standpunten van klaagster c.s. onvoldoende heeft onderbouwd of standpunten van de wederpartijen onvoldoende heeft weersproken. In zijn e-mail van 14 juli 2023 heeft hij zijn concept brief aan DAS ter goedkeuring aan klaagster c.s. voorgelegd. In die betreffende e-mail aan DAS heeft hij zijn voorgenomen plan van aanpak toegelicht en daarin ook duidelijk vermeld dat tegenbewijs en getuigenbewijs realistisch was. Volgens verweerder heeft klaagster c.s. hiervan kennis genomen en was daarmee aldus bekend. 

5.23    In zijn e-mail van 31 mei 2024 heeft hij klaagster c.s. duidelijk uitgelegd dat hij het feitenrelaas van klaagster c.s. op hun verzoek als productie in het geding zou brengen maar dat de kans aanwezig was dat de rechtbank daar geen kennis van zou nemen. Klaagster c.s. wist dit en heeft hiermee ingestemd. 

5.24    Het is aan de rechter om op grond van de processtukken van de partijen en de korte toelichting op de zitting een oordeel te geven. Verweerder heeft tijdens de zitting de insteek van klaagster c.s. duidelijk naar voren gebracht op basis van de hem bekende feiten en waar mogelijk standpunten van de wederpartij betwist. Klaagster c.s. was van zijn insteek op de hoogte want zij heeft vooraf met zijn pleitaantekeningen ingestemd. 

5.25    Voor de gang van zaken tijdens de zitting verwijst verweerder naar zijn brief van 10 december 2024 aan klaagster c.s. Tijdens de zitting heeft de rechtbank geschorst om een minnelijke regeling te beproeven. Met klaagster c.s. had verweerder afgesproken dat hij zich daarbij terughoudend zou opstellen en aan de wederpartijen het initiatief zou laten. Met de advocaat van een van de wederpartijen heeft verweerder toen confraterneel overleg gehad en dit aan klaagster c.s. teruggekoppeld. Klaagster c.s. heeft toen aan verweerder uitgelegd dat zij onder geen beding water bij de wijn wilde doen, wat vanaf het begin van de zaak ook al hun uitgangspunt was. Verweerder heeft dat aan de advocaat van de wederpartij meegedeeld en hierin in het belang van klaagster c.s. opgetreden. 

5.26    Volgens verweerder was sprake van een evidente rechterlijke misslag en heeft hij daarom hoger beroep geadviseerd. Het is de keuze van klaagster c.s. geweest om geen hoger beroep in te stellen.

Beoordeling van de raad

5.27    Klaagster c.s. verwijt verweerder dat hij verkeerd heeft geadviseerd over de in rechte te betrekken partijen en een onjuiste aanpak heeft gekozen in de procedure wat heeft geleid tot het teleurstellende vonnis met ernstige gevolgen voor klaagster c.s. De vraag of de aanpak van de zaak door verweerder in de civiele procedure inhoudelijk onjuist is geweest of niet, valt buiten het tuchtrecht. Het is aan de civiele rechter om daarover te oordelen. In het tuchtrecht wordt naar het handelen van de advocaat in zijn beroepsuitoefening met het oog op het belang van een gezonde advocatuur in het Nederlandse rechtsbestel gekeken. De raad zal daarom in het kader van deze klachtprocedure beoordelen of verweerder in zijn bijstand aan klaagster c.s. te werk is gegaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.28    De raad stelt voorop dat voortschrijdend inzicht in een zaak ertoe kan leiden dat een advocaat terugkomt op een eerder gegeven advies. De professionele standaard verlangt dat ook van een advocaat. Diezelfde professionele standaard verlangt echter ook van een advocaat dat hij het gewijzigde advies met zijn cliënt bespreekt en vervolgens schriftelijk bevestigt. Vaststaat dat klaagster c.s. niet de DGA in privé heeft gedagvaard. Dit terwijl in de verschillende versies van de concept-dagvaardingen die aan klaagster c.s. zijn voorgelegd de DGA in privé nog wel als gedaagde partij stond vermeld. Verweerder heeft gesteld dat hij door voortschrijdend inzicht op het laatste moment heeft besloten om de DGA in privé alsnog uit de kop van de definitieve dagvaarding te halen, wat achteraf bezien gelet op de uitspraak ook de juiste beslissing was. Ook heeft verweerder gesteld dat hij klaagster c.s. hiervan op 30 mei 2024 op de hoogte heeft gesteld en zij tegen de wijziging geen bezwaar hadden. Dit verweer faalt. Verweerder is immers tekortgeschoten in zijn advisering over de gewijzigde dagvaarding. Ook de door verweerder gemaakte slordigheden in de definitieve dagvaarding, waarin in het lichaam en petitum nog wel de DGA in privé werd vermeld, acht de raad onzorgvuldig

5.29    Het betrekken van een extra partij in een procedure leidt tot hogere griffierechten en grotere financiële risico’s voor de eisende partij. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat verweerder aan klaagster c.s. heeft uitgelegd waarom hij ook de grondverkoper in de procedure wilde betrekken en wat daarvan de financiële gevolgen voor klaagster c.s. kon zijn. Ook op dit punt is verweerder tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor klaagster c.s. 

5.30    De raad verwijt verweerder voorts gebrek aan regie en doelmatig handelen. Gelet op de gestelde intensieve communicatie met klaagster c.s. en toezending van vele stukken door klaagster c.s. in het omvangrijke dossier had verweerder daarin vanaf het begin van zijn bijstand pro-actiever en doelmatiger moeten handelen. Volgens verweerder heeft hij bewust zeer uitgebreide e-mails aan klaagster c.s. gestuurd om zo compleet mogelijk te zijn en klaagster c.s. zo mee te nemen in zijn gedachtegang. De raad vraagt zich af of dergelijke e-mails van een advocaat, zeker bij een cliënt in een stressvolle situatie zoals in het geval van klaagster c.s., wel het gewenste effect hebben. Of verweerder zich heeft vergewist of klaagster c.s. zijn uitgebreide uitleg had begrepen, is de raad de stukken niet gebleken. Dat dit waarschijnlijk niet voldoende het geval is geweest, volgt uit de verwijten die klaagster c.s. verweerder nu maakt. 

5.31    Ten aanzien van de overige gemaakte verwijten over de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder oordeelt de raad als volgt. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat klaagster c.s. alle stukken in concept voorgelegd heeft gekregen, waaronder ook de pleitaantekeningen tijdens de zitting, en dat hem pas op een later moment is gevraagd om de tenaamstelling van de omgevingsvergunning te laten wijzigen. Door kennisname van de e-mail van verweerder van 14 juli 2023 met daarbij de conceptbrief aan DAS was klaagster op de hoogte van het plan van aanpak en de daarin genoemde risico’s van een procedure. Ook was klaagster c.s. door ontvangst van de e-mail van 31 mei 2024 ermee bekend dat de rechter mogelijk geen kennis meer zou nemen van het feitenrelaas dat als productie alsnog was ingediend. Daarover kan klaagster c.s. verweerder dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt maken.  Wat tijdens de zitting en de schorsing heeft plaatsgevonden kan de raad niet vaststellen. Verweerder heeft de daarover aan hem gemaakte verwijten gemotiveerd weersproken. Of het verweerder daarover verweten handelen tot een negatief vonnis voor klaagster c.s. heeft geleid, kan de raad evenmin vaststellen omdat de tuchtrechter daarover inhoudelijk niet oordeelt. Klaagster c.s. had de mogelijkheid om hun standpunten opnieuw in hoger beroep te laten beoordelen, maar heeft die keuze niet gemaakt.  

5.32    Uit het voorgaande volgt dat de raad van oordeel is dat verweerder zijn werkzaamheden onzorgvuldig heeft verricht en dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De raad zal klachtonderdeel c) dan ook gegrond verklaren. 

Klachtonderdeel d)
zijn kantooradministratie en werkwijze niet op orde te hebben;
Toelichting van klaagster
 

5.33    Door de secretaresse van verweerder is op 25 april 2024 aan klaagster c.s. vertrouwelijke informatie van een andere zaak gestuurd, wat bij klaagster c.s. zorgen heeft gegeven of met haar informatie wel voldoende zorgvuldig door verweerder werd omgegaan. 

5.34    Verweerder heeft ook informatie over de zaak van klaagster c.s. met collega’s gedeeld zonder toestemming van klaagster c.s. 

5.35    Bij de factuur van december 2024 ontbreekt een urenspecificatie. Daaruit blijkt ook dat verweerder zijn administratie niet op orde heeft. 

5.36    Verweerder heeft bij de rechtbank het proces-verbaal opgevraagd en bij dat verzoek melding gemaakt van het instellen van hoger beroep door klaagster c.s. Zonder toestemming van klaagster c.s. heeft verweerder van dit verzoek een kopie aan de advocaten van de wederpartijen gestuurd. Klaagster c.s. wist toen nog niet of zij hoger beroep wilde instellen.  

5.37    Verweerder heeft zich weinig empathisch opgesteld richting klaagster c.s. voor haar situatie en ernstige gevolgen na de uitspraak van de rechtbank. Klaagster c.s. verwijst ter onderbouwing naar de harde toonzetting van verweerder, ook na het vonnis, in zijn e-mails.

Verweer van verweerder

5.38    Verweerder heeft zich op 26 april 2024 bij klaagster c.s. verontschuldigd voor de onder zijn verantwoordelijkheid gemaakte eenmalige administratieve vergissing van zijn secretaresse. De vertrouwelijkheid van de werkzaamheden voor klaagster c.s. is door verweerder nimmer geschaad, ook niet door het interne overleg nu dat onder zijn beroepsgeheim valt. Het verwijt dat hij het dossier niet voldoende op orde of onder de knie zou hebben gehad, betwist verweerder.

5.39    Klaagster c.s. heeft in opdracht van klaagster c.s. het proces-verbaal bij de rechtbank opgevraagd. Vanuit collegiaal overleg heeft hij dat verzoek in de cc aan de twee advocaten van de wederpartijen gestuurd. Door in het verzoek aan de rechtbank te vermelden dat hoger beroep door klaagster c.s. werd overwogen, kon de winnende wederpartij mogelijk afzien van onmiddellijke incasso van de proceskostenveroordeling van € 27.000,- bij klaagster c.s. Verweerder heeft dit in het belang van klaagster c.s. zo gedaan. Pas achteraf is hem bekend geworden dat klaagster c.s. dat bedrag toen al had betaald uit het resterende budget bij DAS. Gevolg daarvan was dat DAS de in oktober 2024 al gedeclareerde werkzaamheden niet meer aan verweerder betaalde wegens budgetoverschrijding. Volgens verweerder mocht hij over deze niet fraaie gang van zaken verbolgen zijn en klaagster c.s. daarop aanspreken.  

5.40    Verweerder bestrijdt dat hij geen enkele empathie voor de situatie van klaagster c.s. had. Hij heeft veel voor klaagster c.s. gedaan en aanzienlijk veel uren voor eigen rekening genomen, juist vanwege de teleurstellende uitspraak. Na het vonnis heeft hij geen kans gekregen om empathie te tonen omdat klaagster c.s. hem die kans niet gaf. In zijn brief van 23 januari 2025 heeft hij uitgebreid de situatie toegelicht en een vrijblijvende urenbegroting voor het opstellen van advies in hoger beroep voor tien uur met uurtarief gegeven. Klaagster c.s. is daar niet op ingegaan.

Beoordeling van de raad

5.41    De juistheid van deze verwijten is, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet komen vast te staan. Verweerder heeft op correcte wijze voor de door zijn medewerkster gemaakte vergissing aan klaagster c.s. zijn verontschuldigingen aangeboden. Verder heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vooral in het belang van klaagster c.s. heeft gehandeld door in zijn verzoek aan de rechtbank tot afgifte van het proces-verbaal de mogelijkheid tot instellen van hoger beroep te noemen. Juist omdat verweerder van dat verzoek ook een afschrift aan de betrokken advocaten heeft gestuurd, kon daarmee mogelijke inning van de hoge proceskostenveroordeling worden vertraagd. Dat dat toen niet meer nodig was omdat klaagster c.s. die kosten al betaald, wist verweerder op dat moment nog niet. 

5.42    Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de raad in dezen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel d) wordt ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel e)
     onredelijke hoge of onvoldoende gespecificeerde bedragen, ook van anderen, tegen het uurtarief van verweerder in       rekening te brengen en excessief te declareren;
Toelichting van klaagster
 

5.43    Verweerder heeft (ongevraagd) veel te lange brieven/ e-mails gestuurd waar geen touw aan vast te knopen was, ook nog na het vonnis. Dit, net als de vele telefoongesprekken, hebben tot onredelijk hoge kosten voor klaagster c.s. geleid waardoor het budget bij DAS snel werd opgemaakt.

5.44    Verweerder heeft hierdoor 147 uur en 20 minuten in de zaak van klaagster c.s. gewerkt. Daarvan is door DAS 82 uur betaald tegen een uurtarief van € 250,- exclusief btw. Voorafgaand aan de toegestane werkzaamheden van verweerder onder de verzekerde dekking bij DAS heeft verweerder voor ruim € 19.000,- rechtstreeks aan klaagster c.s. in rekening gebracht. Voor klaagster is onduidelijk welke werkzaamheden verweerder heeft gedaan. De gemaakte uren staan volgens klaagster c.s. bovendien niet in verhouding tot de zaak en het bereikte negatieve resultaat.

5.45    In strijd met de met DAS gemaakte afspraken heeft verweerder 2.40 uur in rekening gebracht voor zijn reistijd naar de geannuleerde zitting. Dat had slechts de helft van de uren mogen zijn, de rest was voor zijn eigen rekening. 

5.46    Verweerder heeft ten onrechte tarieven voor uitwerken van gesprekken door andere (administratief)  medewerker(s) in rekening gebracht die niet redelijk en billijk zijn. 

Verweer van verweerder

5.47    Vanaf de start van de samenwerking met klaagster c.s. in juli 2023 is veel met klaagster en vooral ook met haar echtgenoot gecommuniceerd. Verweerder hecht eraan om veel schriftelijk vast te leggen en ontwikkelingen uitgebreid te beschrijven. Hij betwist dat hem is gevraagd om hierin bondiger te zijn. 

5.48    Uit coulance heeft hij vanwege de teleurstellende uitspraak circa twaalf uur niet aan klaagster c.s. in rekening gebracht. Dat heeft hij klaagster c.s. op 26 november 2024 ook gemaild. Om die reden is er ook geen urenspecificatie voor zijn werkzaamheden in december 2024 omdat hij een deel van zijn meeruren niet in rekening heeft gebracht. Ook zijn uitgebreide brief van 23 januari 2025 heeft hij voor eigen rekening genomen.  

5.49    Het grootste deel van zijn werkzaamheden voor klaagster c.s. voor de procedure is door DAS betaald. Voor de werkzaamheden die buiten de verzekerde dekking vielen, heeft verweerder met klaagster c.s. uitdrukkelijk apart (financiële) afspraken gemaakt en daarvoor zijn ook opdrachtbevestigingen gestuurd. Voor die werkzaamheden heeft verweerder voor een bedrag van circa € 19.061,- aan klaagster c.s. in rekening gebracht en telkens specificaties bijgevoegd. 

5.50    Volgens verweerder heeft klaagster c.s. niet of onvoldoende onderbouwd waarom de ontvangen declaraties en urenspecificaties onduidelijk waren. In de opdrachtovereenkomsten stond bovendien vermeld dat binnen drie maanden over de ontvangen urenspecificaties dient te worden geklaagd. Dat heeft klaagster c.s. pas gedaan na de teleurstellende uitspraak. 

5.51    Verweerder betwist dat hij een aantal door klaagster c.s. concreet genoemde werkzaamheden ten onrechte heeft gedeclareerd. Hij heeft een deel van de kosten voor de reistijd naar de onderweg geannuleerde zitting in rekening gebracht. Hij verwijst in dit kader naar zijn e-mail van 26 november 2024 aan klaagster c.s. Ook betwist hij kosten voor werkzaamheden van zijn secretaresse of van andere medewerker op basis van zijn uurtarief aan klaagster c.s. in rekening heeft gebracht. 

Beoordeling van de raad

5.52    Het is de raad niet gebleken dat verweerder kosten voor zichzelf of collega’s aan klaagster c.s. in rekening heeft gebracht die niet redelijk en billijk zijn. Vaststaat dat verweerder bij elke declaratie een urenspecificatie aan klaagster c.s. heeft gezonden. Voor zover bij klaagster c.s. over de daarin genoemde werkzaamheden toen vragen bestond, had het op de weg van klaagster c.s. gelegen om daarover meteen bij verweerder navraag te doen en niet nu pas te klagen. Klaagster c.s. heeft niet concreet met stukken onderbouwd waarom verweerder teveel reistijd voor de geannuleerde zitting in rekening zou hebben gebracht. 

5.53    De raad begrijpt dat de uitspraak van de rechtbank voor klaagster c.s. teleurstellend is geweest. Een advocaat heeft echter een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. Verweerder heeft zich in het zeer omvangrijke dossier naar het oordeel van de raad ruim voldoende voor klaagster c.s. ingespannen en daarin zijn werkzaamheden gedeclareerd. Dat die gedeclareerde kosten niet in verhouding tot het bereikte resultaat stonden, is de raad uit de stukken niet gebleken, zodat het verwijt dat sprake is geweest van excessief declareren door verweerder niet kan worden vastgesteld. Klachtonderdeel e) wordt ongegrond verklaard. 

6    MAATREGEL

Verweerder heeft met zijn handelwijze niet gehandeld zoals van een zorgvuldig en bekwaam advocaat verwacht mag worden door zijn cliënten onvoldoende schriftelijk te informeren over zijn gewijzigde aanpak, over zijn ureninschatting voor de buitengerechtelijke werkzaamheden en over de risico’s en (proces)kosten. De raad ziet dat verweerder zich met goede intenties voor klaagster c.s. heeft ingezet maar ziet tegelijkertijd ook welke ernstige (financiële) gevolgen de negatieve uitspraak voor klaagster c.s. heeft gehad en nog heeft. De raad is uit de stukken echter niet gebleken dat verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt door het ontbreken van voldoende dossierkennis of deskundigheid. Gelet op deze omstandigheden, in combinatie met het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerder, is de raad van oordeel dat oplegging van een maatregel van waarschuwing passend en geboden is. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen b) en c) gegrond;

-    verklaart klachtonderdelen a), d) en e) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4. 

Aldus beslist door mr. G.F. van den  Berg, voorzitter, mrs. A.E. Mulder en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 17 augustus 2026