ECLI:NL:TADRARL:2026:172 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-825/AL/OV

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:172
Datum uitspraak: 17-08-2026
Datum publicatie: 24-08-2026
Zaaknummer(s): 25-825/AL/OV
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klager is ontvankelijk omdat hij binnen drie jaar na kennisname van het verweerder verweten handelen daarover bij de deken heeft geklaagd. Verweerder heeft met zijn optreden in strijd gehandeld met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden integriteit en partijdigheid. Dit optreden van verweerder en de daarbij door hemzelf gecreëerde mist rondom de rol waarin hij voor klager optrad heeft zich bovendien over een lange periode uitgestrekt. Verweerder heeft daarbij onvoldoende professionele distantie betracht en had zich als advocaat beter niet kunnen inlaten met investeerders in grondtransacties in Turkije, waarbij klager en ook hijzelf een (al dan niet indirect) financieel belang hadden. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad duidelijk gemaakt dat hij hiervan achteraf ook spijt heeft en dat nooit had moeten doen. Verweerder heeft een blanco tuchtrechtelijk verleden en is in oktober 2025 als advocaat gestopt. Gelet op alle omstandigheden als hiervoor omschreven acht de raad een maatregel van berisping passend en geboden.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 17 augustus 2026
in de zaak 25-825/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:


klager

over    

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 25 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 25 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2481896 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 mei 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Tijdens de zitting van de raad heeft de raad besloten dat de nagekomen stukken van klager van 23 april 2026 niet aan het klachtdossier worden toegevoegd omdat die stukken niet aan artikel 2.4.2 van het Landelijk Procesreglement voldeden. Ook de nagekomen stukken van verweerder van 21 april 2024 zijn om dezelfde reden niet aan het klachtdossier toegevoegd, behalve het (recente) vonnis van 25 maart 2026. Daarvan heeft de raad kennisgenomen. 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Ten behoeve van een grondbeleggingsproject in Turkije (hierna: het project) zijn zes vennootschappen naar Turks recht opgericht (hierna: de Turkse vennootschappen). De Turkse vennootschappen namen deel aan vier deelprojecten. Het doel daarvan was om gronden in Turkije (na bewerking) met winst te verkopen. De aandelen van deze Turkse vennootschappen werden onder andere gehouden door Nederlandse beleggers, maar niet iedere belegger investeerde in dezelfde vennootschap. 

2.2    Tot 2015 werden de belangen van de Nederlandse beleggers in de Turkse vennootschappen in Turkije door de heer B behartigd, die ook een bestuursfunctie binnen de Turkse vennootschappen had. 

2.3    Na een vertrouwensbreuk tussen de heer B en een aantal Nederlandse beleggers, de heren E, N en F (hierna ook: de heer E c.s.), is klager in 2015 bij het project betrokken geraakt. Op verzoek van E c.s. is klager bestuurder van vier Turkse vennootschappen geworden en is klager de verkoop van de (gronden van de) deelprojecten als juridisch adviseur gaan begeleiden. 

2.4    In 2018 is klager vanwege een geschil met E c.s. als bestuurder van de vier Turkse vennootschappen afgetreden. 

2.5    In opdracht van klager heeft verweerder de Nederlandse investeerders, E c.s., aansprakelijk gesteld en tegen E c.s. een procedure gestart wegens het niet nakomen van met klager gemaakte beloningsafspraken tot een bedrag van € 470.000,-.  

2.6    Daarnaast en los hiervan heeft verweerder als advocaat namens een aantal Nederlandse beleggers procedurele acties (veiling- en executietrajecten) in Turkije ondernomen met betrekking tot de grondstukken van de Turkse vennootschappen. Verweerder is daarbij samen opgetrokken met een advocaat in Turkije, advocaat A, een makelaar/tolk, en met procesinvesteerder de heer L (hierna: de heer L). 

2.7    Op 17 december 2019 heeft verweerder aan klager met onderwerp ‘deelname in kosten’ onder meer geschreven:

Ik geef nog weer hetgeen wij hebben besproken.

Jij dan wel jouw vennootschap bent bereid een bedrag ad € 7.500 mee te betalen in de kosten van de executie van de grondprojecten genaamd S.A en N in Turkije, welke executie naar verwachting plaatsvindt eind januari dan wel februari 2020, dit onder de voorwaarde dat zodra de gronden zijn geveild en de opbrengst is geïncasseerd je een bedrag retour ontvangt gelijk aan 4x de inleg d.w.z. € 30.000.

Ingeval er geen veiling komt en een opbrengst wordt gerealiseerd geldt het betaalde bedrag ad € 7.500,- als een (te verrekenen) honorering voor mijn werkzaamheden in de lopende zaak IGT en strekt dit bedrag aldus in mindering op hetgeen mij toekomt in die zaak. 

Zou je de € 7.500,- kunnen overboeken naar de rekening [kantoor verweerder] – deelneming executiekosten [naam projecten].
 

Als de bovenstaande verrekening op bezwaren stuit kunnen we eind januari 2020 ea aanpassen (en jouwe bijdrage vooralsnog boeken als een renteloze lening?

2.8    In een e-mail van 6 februari 2020 heeft verweerder vanaf zijn zakelijke e-mailadres aan klager geschreven:

Onze zaak staat voor vonnis 12 februari as; ik ben benieuwd!
 

Wat betreft deze zaak kan je je – naast deze procedure – aansluiten als schuldeiser van het A.project als 1e zodra de veiling datum bekend wordt gemaakt. De argumentatie en toelichting op het verzoek tot aansluiting is dat weliswaar primair een vorderingen op de heren in privé hebt, maar daarnaast subsidiair ook – zeker volgens de heren zelf – op de Turkse vennootschappen ! mede ook vanwege je bestuurswerk aldaar!
 

We kunnen stellen dat een bedrag te vorderen hebt van (…) 
 

Gelet op de hoge taxatie
 

Blijft er genoeg over. (…) Omdat men ([de heer L en advocaat S]) bang zijn dat anderen zich eerder melden geven zij aan dat jij je zsm zou moeten melden. 
 

De gang van zaken kost 
(…)
€ 2.500 salaris (+ bonus bij resultaat = 10%)

 

Omdat er door niet alleen mij maar ook door andere betrokken rechtshelpers wordt gewerkt no cure no pay basis wordt gewerkt zul je een nader te bepalen deel van de opbrengst moeten afdragen. (…)
 

We spreken elkaar nog. 

2.9    In een e-mail van 10 februari 2020 heeft verweerder aan klager uitgebreid zijn visie gegeven op een aantal zaken, ook omdat de heer L en de tolk boos op hem waren. Hij heeft uiteengezet welke mogelijkheden klager zou hebben om zijn vorderingen in Nederland of in Turkije te innen en welke fee daar realistisch bezien voor gerekend kon worden. Ook heeft verweerder geschreven:

Zoals eerder gezegd ben ik via jou – via de Nederlandse procedure – op het spoor naar Turkije beland, Daar staat tegenover dat ik dat voor eigen rekening en risico heb moeten doen en jij desgevraagd hebt aangegeven niet mee te willen doen en inmiddels een enorm aantal uren heb gestoken in dit verhaal. (…)

2.10    Op 17 februari 2020 heeft klager, net als de andere deelnemers van het grondproject in Turkije, een bedrag van € 12.500,- overgemaakt naar advocaat A in Turkije. Klager heeft de bankgegevens voor die betaling van verweerder ontvangen. 

2.11    Daarna in februari 2020 heeft klager met juridische bijstand van advocaat A in Turkije, na een daartoe verstrekte volmacht, een vordering voor een hoofdsom van € 406.000,- jegens A S bij de Turkse rechtbank ingediend. Na toewijzing bij verstek heeft klager een verzoek tot executie ingediend van de grondstukken van A S. Omdat klager vijfde in rang was, heeft dat niet tot resultaat geleid. 

2.12    Bij vonnis van 18 maart 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland de vorderingen van klager tot nakoming van gemaakte beloningsafspraken afgewezen (in de procedure genoemd onder 2.5) omdat de verkeerde partij was gedagvaard. In het kader van daarna tussen partijen gemaakte afspraken is tegen het vonnis geen hoger beroep ingesteld. 

2.13    Op 29 november 2020 heeft verweerder via zijn zakelijke e-mailadres klager uitvoerig op de hoogte gebracht over het Turkse project, A S. Verweerder heeft klager opnieuw gemeld dat hij in de Turkse projecten er op een ingewikkelde en risicovolle manier tussen zit. Verder heeft hij geschreven:
Ik kon in Turkije niet zonder procesteam (…). Zij onderhielden de contacten met de advocaten (…).
Die fee kunnen we nu door de geleverde wanprestaties vergeten. 
Anderzijds treed ik op als raadsman van drie beleggers in A S, die mij te kennen hebben gegeven dat zij niet willen dat derden weten dat zij doende zijn hun vorderingen te incasseren. 
Deze drie beleggers hebben hun vorderingen ingediend eind 2019 en begin 2020 – tesamen een bedrag ad (…) – en toen ik vertelde dat de Nederlandse procedure voor jou niet goed verliep en ik vroeg wat wij in Turkije konden doen heb jij je aangesloten als nummer nummer 4 voor een bedrag ad € 400.000. (…)
Verweerder heeft klager verder toegelicht dat de kans op succes voor hem onzeker is geworden door verschillende factoren en heeft klager een stappenplan voorgesteld. 

2.14    Op 30 november 2020 heeft verweerder aan klager een uitgebreide e-mail aan onder meer advocaat A in Turkije over de grondprojecten doorgestuurd en daarbij opgemerkt:
Vertrouwelijk. Laat [advocaat A] niet blijken dat je dit hebt gezien.

2.15    Op 14 mei 2021 heeft verweerder aan klager uitgebreid verslag gedaan van zijn contact met de tolk en advocaat A in Turkije over de ongunstige ontwikkelingen in de procedures in Turkije. Verweerder heeft klager verder laten weten:   
1.    Je bent omstreeks januari/februari vorig jaar gewezen op de mogelijkheid jouw vordering in Turkije in te dienen. Dat was gebaseerd op het volgende:
a-jouw vordering was (nog)niet toegewezen in Nederland;
b-er werd een zodanige opbrengst verwacht terzake A S dat de andere (toen 3) Deelnemers volledig zouden kunnen worden betaald en er aldus ook ruimte was om jouw Vordering me te nemen;
er werd niet verwacht dat er verweer zou worden gevoerd namens S en evenmin werd verwacht dat [B] bezwaar zou maken; (…)
3.    De veiling van S is eind vorig jaar tot 2x toe mislukt en gesaboteerd door [B]…
4.    Nu het perspectief als genoemd sub 1 heel anders is geworden en in feite niet meer aan de sub 1 genoemde voorwaarden voor een succesvolle incasso is voldaan en bovendien sprake zou kunnen zijn van een tegenstrijdig belang met de andere deelnemers als de opbrengst onvoldoende zou zijn om jou te betalen (een betaling aan jou gaat dan ten kosten van de drie deelnemers) heeft (advocaat S[=A]) niet opnieuw een vordering voor jou ingediend. 
Verdere afwikkeling
Er zijn nu de volgende mogelijkheden:
A (…) 
In dit scenario zijn er alleen maar verliezers en geen mogelijkheden voor jou. Wel zal ik afspreken dat jij dan (onverplicht) de betaalde € 15.000 terugontvangt
B (…)
Voor de goede orde: Ik ben niet jouw raadsman in deze kwestie. Meer kan ik er niet van maken en het blijft voor jouw een buitenkans en een enorme meevaller achteraf. Laat mij weten of dit zo voor jou akkoord is. 

2.16    Op 16 mei 2021 heeft klager aan verweerder gemaild dat hij het er niet mee eens is dat hij minder rechten dan de andere deelnemers zou hebben. Volgens klager is verweerder als advocaat verplicht om een rekensom te maken waarmee iedereen tevreden is. Verder heeft hij verweerder laten weten voor het eerst te horen dat advocaat A in Turkije geen nieuwe aanvraag voor hem heeft ingediend, dat hij daarvoor een nieuwe advocaat in Turkije gaat inschakelen, die ook het door hem aan advocaat A betaalde bedrag zal vorderen. Diezelfde dag heeft verweerder hierop teleurgesteld gereageerd in een e-mail aan klager.

2.17    In zijn e-mail van 16 oktober 2021 heeft verweerder aan klager zijn verontschuldigingen aangeboden voor zijn boze uitval die middag. Hij heeft klager uitgelegd dat dit komt door de voortdurende hoogspanning waaronder hij staat om het executietraject in Turkije te redden, daarvoor de nodige extra financiering te vinden en de deelnemers en derde investeerders tevreden te houden. Tot slot heeft verweerder geschreven:

Voor alle duidelijkheid wil ik nog eens opmerken dat in ik deze niet als jouw raadsman optreedt en jij hebt aangegeven dat jij zelf je eigen boontjes doopt.

2.18    Op 20 oktober 2021:
-    om 09:01 uur: heeft klager aan verweerder in reactie op diens e-mail van 16 oktober 2021 onder meer geschreven:

Ik weet niet onder welke hoedanigheid jij tot nu toe namens mij hebt opgetreden, of dat nou als raadsman is of adviseur, feit blijft dat jij de opdrachtnemer bent in deze zaak en in die hoedanigheid ook naar mij plichten hebt. Ik heb helemaal niet aangegeven dat ik mijn ‘eigen boontjes dop’. Daar kan in dit stadium helemaal geen sprake van zijn. 
 

Jij verlangt van mij dat ik ook investeer en als ik mijn bezwaren uit dan dreig je met ‘je krijgt niets als je niet investeert’ om vervolgens onderstaand mail te sturen. Dat is niet redelijk.
 

We zijn nu in het proces dat jij als bestuurder van een opgerichte of op te richten Turkse limited de bevoegdheid zal krijgen om de opbrengsten uit de verkochte stukken grond als een goed opdrachtgever onder de rechthebbenden te verdelen. Ik ben een van die rechthebbenden. (…)
 

We hebben tot nu toe prettig samengewerkt. Ik hoop dat we dat kunnen blijven doen. Ik heb een stukje geruststelling nodig die alleen jij mij kan verschaffen. We kunnen ook bellen.

- om 11:09 uur: heeft verweerder aan klager geschreven dat tussen hen geen overeenkomst tot opdracht is gesloten met betrekking tot de incassovordering van klager op de Turkse vennootschappen in Turkije omdat klager in februari 2020 had besloten om daarvoor zelf een advocaat in te schakelen. Ook heeft verweerder nog geschreven:

Ik heb dus geen verplichtingen naar jou toe. Ik kan ook niet voor jou optreden omdat – zoals in de loop der tijd is gebleken – mede gelet op jouw uitlatingen dat je je eigen koers vaart – ook sprake is van tegenstrijdige belangen tussen de groep gedupeerden die ik vertegenwoordig en jouw belangen.
 

Voorzover er wel een overeenkomst van opdracht zou zijn zeg ik subsidiair – die overeenkomst bij deze op met onmiddellijke ingang. (…)

2.19    Op 16 december 2021 heeft verweerder klager voorgesteld om ook mee te investeren in de reddingsoperatie. Klager heeft niet meegedaan, waarop verweerder anderen heeft benaderd om daarin te investeren, waaronder de heer VD B, die de heer E erbij heeft betrokken. 

2.20    Op 27 april 2022:

- om 10:32 uur: heeft verweerder aan klager gemaild, met als onderwerp ‘veiling 26 april 2022’:

[Advocaat A] vroeg mij of ik jou wil informeren over het verloop van de veiling.

Onderstaand het bericht dat ik verstuur naar degenen die de aankoopkosten gaan betalen. Deze personen ([VD B (samen met [de heer E]) …) hebben reeds € 100.000 betaald (alleen voor onderstaande percelen)
Deze informatie geeft ik je dus niet als jouw raadsman maar op verzoek van [advocaat A]. (…)

- om 15:20 uur: heeft verweerder aan klager onder meer geschreven:

[Advocaat A] stuurde de mail die jij hem stuurde, waarbij je een garantie eiste van hem en van mij tot betaling van een bedrag ad € 200.000,-. (…)
Jij hebt nu aangegeven dat als er geen garantie komt van [Advocaat A] en mij dat je de alsnog bezwaar gaat maken tegen de afgelopen veiling. Hoewel je naar mijn overtuiging en die van [advocaat A] dat verzoek volkomen ongegrond is. (…)
Ik schrijf je dit dus zodat je weet wat het enkel indienen van een brief kan veroorzaken en wekt als het strooien van zand in een motor die daardoor vastloopt.
De enige van de deelnemers die nu van dit probleem weet is [naam] die mij heeft beloofd dat hij hier de anderen (nog) niet over inlicht.
Ik heb al gezegd dat ik er enkele zeer fanatieke figuren bij de investeerders heb, met name (…), [de heer E] (…) die gaat helemaal over de rooie als zij dit horen. (…)
De door jou aangekondigde actie en de daarop gevolgde eis dat [advocaat A] en ik – dan wel de andere deelnemers – jou € 200.000 moeten betalen wordt – hoewel jij dit niet zo ziet – opgevat als chantage waarvoor naast een civiele procedure alsdan ook een strafklacht zal worden ingediend. (…)
Je stuurde per what’s app een bericht dat je nu € 12.500 wilt terugontvangen. Ik heb al laten weten dat ik – uitsluitend uit praktische overwegingen – bereid ben dat te doen, maar dan uiteraard met de belofte van jouw kant dat je de aankomende veilingen van de A grondstukken en/of afwikkeling daarvan niet gaat dwarsbomen. 
[Advocaat A] gaat niet betalen. (…)

2.21    Op 28 april 2022 heeft klager aan verweerder gemaild dat hij bereid is om geen actie te ondernemen als hij € 200.000,- plus zijn inleg uitgekeerd krijgt. Ook heeft hij daarin geschreven:

Ik wil nog hierbij opmerken dat jij namens mij tegen [de heer E] hebt opgetreden en nu kennelijk met hem heult. Dat is laakbaar gedrag. in ieder geval had jij mij moeten consulteren alvorens met hem in zee te gaan. Zoals eerder aangekondigd zal ik de orde hierover inlichten. 

2.22    Tussen klager en verweerder is daarna een geschil ontstaan. Volgens klager is verweerder de op 5 mei 2022 tussen hen gesloten schikking tot betaling van een bedrag van € 235.000,- aan klager niet nagekomen. Verweerder heeft betwist dat een vaststellingsovereenkomst is gesloten. 

2.23    Op 3 januari 2025 heeft klager verweerder in rechte betrokken waarbij klager van verweerder een bedrag van € 235.000,- vordert terzake van het niet nakomen van de betalingsverplichting voortvloeiende uit een vaststellingsovereenkomst. Bij vonnis van 25 maart 2026 heeft de rechtbank Overijssel de vorderingen van klager afgewezen. 

3    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a)    zich schuldig te maken aan belangenverstrengeling (gedragsregel 15);
b)    afspraken met klager niet schriftelijk vast te leggen (gedragsregel 16);
c)    onduidelijkheid over de hoedanigheid van zijn optreden te geven (gedragsregel 9);
d)    onjuiste informatie te verstrekken (gedragsregel 8); en
e)    zich in het algemeen op onbetamelijke wijze als advocaat te gedragen waardoor hij het vertrouwen in de advocatuur en eigen beroepsuitoefening schaadt (gedragsregel 1).

4    VERWEER 

4.1    Verweerder stelt dat klager te laat heeft geklaagd en daarom niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Voor zover klager wel in zijn klacht wordt ontvangen, heeft verweerder onder meer het volgende verweer gevoerd.

4.2    Verweerder erkent dat hij klager als cliënt heeft bijgestaan in een procedure in Nederland. Klager had als voormalig bestuurder een vordering op de Turkse vennootschappen, althans de voormannen van de Beleggersgroep, vanwege onbetaald salaris en een gemiste bonus. Die procedure is op 18 maart 2020 geëindigd met het vonnis, waartegen geen hoger beroep is ingesteld. Verweerder heeft vanaf mei 2020 niet meer als advocaat voor klager opgetreden.    

4.3    In 2019 kreeg verweerder in het kader van voornoemde procedure van klager te maken met een oude relatie, die ook bij bedoeld grondproject in Turkije betrokken was, de heer L. In een driegesprek met klager vertelde de heer L dat hij bezig was met een incasso- en executietraject in Turkije tot verhaal van zijn vordering als gedupeerde belegger en ook andere gedupeerde schuldeisers - via zijn Turkse advocaat A - die weg konden volgen. De heer L, niet verweerder, heeft klager erop gewezen om ook mee te doen. Klager heeft in februari 2020 besloten van deze mogelijkheid gebruik te maken. De heer L verlangde dat klager bij succes een deel van de opbrengst zou afstaan als fee. Klager ging daar niet op in en besloot om zelf een executietraject te starten via de door de heer L geadviseerde advocaat A die daarvoor een voorschotbetaling van € 12.500,- vroeg voor zijn werkzaamheden en het griffierecht. Volgens verweerder is toen en nadien geen enkele afspraak tussen hem en klager dan wel klager en de heer L gemaakt, ook geen afspraak op basis van no cure no pay . 

4.4    De enige rol die verweerder in dat Turkse executietraject heeft gehad, is dat hij samen met de heer L als medeverantwoordelijk adviseur en organisator een aantal gedupeerde beleggers heeft gewezen op de mogelijkheid om mee te doen en deze schuldeisers daarna heeft begeleid in dat traject en (extra) investeerders heeft gezocht. Hij betwist dat hij hiervoor als advocaat een team heeft opgetuigd, wat ook niet kon omdat hij geen bevoegdheden had om als advocaat in Turkije op te treden.

4.5    Vanaf het begin stond hij aan de zijde van een aantal gedupeerde beleggers en is nimmer van kant gewisseld. Omdat de (individuele) executietrajecten van onder meer de heer L en klager misliepen, moest een ander kostbaar traject (een reddingsoperatie) worden ingezet waarvoor veel financiering nodig was. Klager wilde niet aan de reddingsoperatie meedoen. In het kader van die reddingsoperatie heeft verweerder contact met gedupeerde beleggers gehad, waaronder via via met de heer E. Ook al was de heer E een oud-vertegenwoordiger van de Beleggersgroep van de Turkse vennootschappen waartegen verweerder namens klager had geprocedeerd, heeft het contact van verweerder met deze heer E geen enkel tegenstrijdig belang of nadeel van klager opgeleverd.

4.6    Volgens verweerder heeft klager op listige wijze getracht om een voorrangspositie te verwerven ten koste van de gedupeerde beleggers die verweerder vertegenwoordigde. Ook heeft klager hem in een procedure betrokken en de onderhavige klacht ingediend, wat past in zijn procestactiek. 

5    BEOORDELING

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager

5.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

5.2    Verweerder stelt dat hij als advocaat voor klager werkzaamheden heeft verricht in de procedure tegen de Turkse vennootschappen over de achterstallige betalingen. Na het vonnis van maart 2020 is met de wederpartij van klager afgesproken dat geen hoger beroep zou worden ingesteld. Vanaf mei 2020 zijn de werkzaamheden van verweerder als advocaat van klager gestopt. Dat wist klager toen. In elk geval wist klager dit vanaf oktober 2021 door de duidelijke inhoud van zijn e-mails aan klager daarover. Klager had volgens verweerder dan ook in elk geval binnen drie jaar na oktober 2021 moeten klagen maar heeft dat pas op 25 maart 2025 en daarmee te laat gedaan. 

5.3    Volgens klager is zijn opdracht aan verweerder om als advocaat werkzaamheden voor hem te doen niet in mei 2020 gestopt maar liep deze opdracht in de jaren daarna nog door. In die periode probeerde klager met hulp van verweerder via incasso en executie van stukken grond in Turkije met een Turkse advocaat nog hem toekomende gelden uit hetzelfde grondproject te innen. Hij ontving daarover e-mails van verweerder vanaf diens zakelijke e-mailadres, ondertekend als advocaat en adviseur. Door de e-mails van oktober 2021 van verweerder heeft hij ervan kennisgenomen dat verweerder niet als zijn advocaat optrad bij de reddingsoperatie in Turkije. Pas door de e-mail van 27 april 2022 van verweerder is klager voor het eerst ermee bekend geworden dat sprake was van een belangenverstrengeling. Uit die e-mail begreep klager dat verweerder in het kader van de reddingsoperatie in Turkije als advocaat voor enkele gedupeerde investeerders optrad, waaronder de heer E. Volgens klager had verweerder dat nooit mogen doen omdat onder meer de heer E de wederpartij van klager was in de procedure waarin verweerder als zijn advocaat is opgetreden. Dit terwijl verweerder wist dat ook klager financiële belangen had bij hetzelfde executietraject in Turkije. Verweerder heeft klager daarin ook geadviseerd. Zo heeft verweerder klager geadviseerd om ook met de Turkse advocaat A in Turkije een procedure te starten en heeft klager op de door verweerder doorgegeven bankrekening van advocaat A een voorschotbetaling gedaan. Volgens klager heeft verweerder achter zijn rug om onder meer de heer E in hetzelfde traject in Turkije bijgestaan terwijl er een kans bestond op mogelijk tegenstrijdige belangen met klager. Die zijn later ook verwerkelijkt, aldus klager. 

5.4    Naar het oordeel van de raad heeft klager op 27 april 2022 voor het eerst kennisgenomen, en ook redelijkerwijs kunnen nemen, van het verweten handelen van verweerder. Alhoewel verweerder in zijn e-mail van 29 november 2021 aan klager heeft geschreven dat hij als ‘raadsman’ optrad voor drie beleggers in het A.traject, kon klager daaruit niet afleiden dat verweerder ook voor de heer E optrad. Met die concrete informatie is klager pas op 27 april 2022 bekend geworden. Nu verweerder binnen drie jaar daarna, op 25 maart 2025, bij de deken een klacht over verweerder heeft ingediend, wordt klager ontvangen in zijn klacht. 

Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling

5.5    Naar vaste jurisprudentie van het hof moet de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij ter invulling van deze norm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld (vergelijk HvD 15 mei 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:86 en HvD 25 mei 2018,ECLI:NL:TAHVD:2018:102). 

5.6    Gedragsregel 15, die onder meer bepaalt dat het een advocaat in beginsel niet is toegestaan tegen een (voormalige) cliënt op te treden, kan een nadere invulling geven aan de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet. Deze regel strekt ertoe de cliënt te beschermen tegen de advocaat die beschikt over vertrouwelijke informatie van de cliënt, ten aanzien waarvan de advocaat verplicht is tot geheimhouding. De vertrouwensband tussen de advocaat en zijn cliënt, en daarmee het vertrouwen in de advocatuur in het algemeen, zou geschaad kunnen worden als de advocaat later tegen die cliënt zou kunnen gaan optreden met gebruikmaking van vertrouwelijke informatie uit die eerdere zaak. Of in een concrete situatie tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt gehandeld moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval. Dat kan met zich brengen dat een situatie die (net) buiten de reikwijdte van het verbod van gedragsregel 15 valt, toch tuchtrechtelijk verwijtbaar is (HvD 13 juni 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:106).  

5.7    De raad ziet aanleiding om alle klachtonderdelen vanwege hun onderlinge samenhang gelijktijdig te beoordelen.

5.8    Alhoewel verweerder mogelijk in het financiële belang van de heer E heeft gehandeld is de raad uit de stukken niet gebleken dat verweerder daarbij als de advocaat van de heer E, en andere gedupeerde beleggers, heeft opgetreden tegen klager. Dit betekent dat van een belangenconflict in de strikte zin van gedragsregel 15 geen sprake is omdat verweerder niet heeft opgetreden als advocaat van de heer E tegen klager als zijn voormalig cliënt. De raad stelt op basis van de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de zitting echter wel vast dat de kwestie die verweerder voor klager heeft behandeld en het latere Turkse traject een nauwe verwevenheid met elkaar hebben. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de raad om de volgende redenen een rol gespeeld die een fatsoenlijk advocaat niet betaamt. 

5.9    In zijn correspondentie met klager is verweerder voortdurend onduidelijk gebleven over de hoedanigheid waarin hij voor klager optrad. Verweerder heeft zijn e-mails aan klager vanaf zijn zakelijke e-mailadres gestuurd en standaard ondertekend met ‘advocaat en adviseur’. In zijn e-mail van 6 februari 2020 schrijft verweerder aan klager dat hij  naast die procedure bij de rechtbank, waarbij verweerder als zijn advocaat optrad, zich ook als schuldeiser bij het A.traject kan aansluiten. In diezelfde e-mail verwijst verweerder naar de bij dat traject ‘andere betrokken rechtshelpers’ die op no cure no pay basis werken. Dat klager daaruit kan hebben afgeleid dat verweerder hem hierin als advocaat adviseerde, is niet onbegrijpelijk. Temeer daar verweerder de volmacht van klager aan advocaat A in Turkije als advocaat heeft medeondertekend en daarna aan klager de bankgegevens van advocaat A heeft gestuurd. Klager heeft vervolgens op 17 februari 2020 een voorschotbedrag aan advocaat A overgemaakt. 

5.10    Uit de stukken is de raad verder gebleken dat verweerder klager in de periode daarna met zijn e-mails van 29 en 30 november 2020 en 14 mei 2021 uitgebreid op de hoogte heeft gehouden van de ongunstige ontwikkelingen in het traject in Turkije van klager en de andere deelnemers, ook buiten het medeweten van die deelnemers. Op 16 mei 2021 is een conflict tussen klager en verweerder ontstaan, een en ander zoals beschreven in de feiten hierboven.  

5.11    De raad stelt vast dat verweerder op een onzorgvuldige en rommelige manier met klager heeft gecommuniceerd. Hij heeft niet voldoende schriftelijk vastgelegd welke opdracht hij in de hoedanigheid van advocaat of als adviseur deed, wat tot misverstanden bij klager heeft geleid. Daarnaast is de raad uit de correspondentie van verweerder gebleken dat hij meermaals - in ieder geval op 29 en 30 november 2020 en 14 mei 2021 - aan klager vertrouwelijke informatie van derden heeft verstrekt. Daarmee heeft hij zijn eigen onafhankelijkheid in gevaar gebracht en daarvan heeft klager met zijn e-mails van 27 en 28 april 2022 aan verweerder ook gebruik gemaakt. Het verwijt dat verweerder onjuiste informatie aan klager heeft verstrekt, is echter niet concreet onderbouwd en ook overigens uit de stukken niet gebleken. Klachtonderdeel d) is dan ook ongegrond. 
f)    Uit de hiervoor geschetste gang van zaken komt een beeld naar voren dat verweerder de regie is kwijtgeraakt. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder ook verklaard dat hij zich achteraf bezien voor het karretje heeft laten spannen van de procesfinancierder, de heer L, om benadeelden in het Turkse project te benaderen en ook extra te laten investeren toen sprake werd van een reddingsoperatie in Turkije. Door de grote financiële belangen, ook zijn eigen, zat verweerder klem, zoals hij klager ook meerdere keren heeft bericht. De raad stelt dan ook vast dat de klachtonderdelen a) (zich schuldig te maken aan belangenverstrengeling), b) (afspraken met klager niet schriftelijk vastleggen) en c) (onduidelijkheid over de hoedanigheid van zijn optreden geven) doel treffen.

5.12    Met zijn handelwijze is verweerder naar het oordeel van de raad tekortgeschoten in zijn zorgplicht richting klager, hetgeen hem tuchtrechtelijk wordt verweten. De klachtonderdelen a), b) en c) worden gegrond verklaard. 

5.13    Feiten waaruit zou kunnen volgen dat verweerder zich in het algemeen op onbetamelijke wijze als advocaat heeft gedragen, zijn niet gesteld en uit de stukken ook niet gebleken. Klachtonderdeel e) wordt dan ook ongegrond verklaard.

6    MAATREGEL 

Verweerder heeft met zijn optreden in strijd gehandeld met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden integriteit en partijdigheid. Dit optreden van verweerder en de daarbij door hemzelf gecreëerde mist rondom de rol waarin hij voor klager optrad heeft zich bovendien over een lange periode uitgestrekt. Verweerder heeft daarbij onvoldoende professionele distantie betracht en had zich als advocaat beter niet kunnen inlaten met investeerders in grondtransacties in Turkije, waarbij klager en ook hijzelf een (al dan niet indirect) financieel belang hadden. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad duidelijk gemaakt dat hij hiervan achteraf ook spijt heeft en dat nooit had moeten doen. Verweerder heeft een blanco tuchtrechtelijk verleden en is in oktober 2025 als advocaat gestopt. Gelet op alle omstandigheden als hiervoor omschreven acht de raad een maatregel van berisping passend en geboden.


7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,
b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b) en c) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:
-    verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) gegrond;
-    verklaart de klachtonderdelen d) en e) ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 
 
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. P.Th. Mantel en N.C. Milani, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter
 
 Verzonden op : 17 augustus 2026