ECLI:NL:TADRARL:2026:171 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-245/AL/NN/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:171 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 19-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-245/AL/NN/D |
| Onderwerp: | Maatregelen, subonderwerp: Tuchtrechtelijk verleden |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. De deken heeft een signaal van de rechtbank ontvangen en daarna onderzoek naar verweerder gedaan. Op grond van de stukken en de verklaring van verweerder tijdens de zitting is de raad gebleken dat sprake is geweest van een vooraf bedacht plan dat zijn cliënte met een videobril naar de zitting van de rechtbank zou gaan. Ook staat voor de raad vast dat verweerder tijdens de voorbespreking met zijn cliënte haar heeft voorgesteld om die dag in de rechtbank met een videobril het mogelijke ‘nare gedrag’ van de ex-partner richting zijn cliënte in de publieke ruimte van de rechtbank vast te kunnen leggen om daarna als objectief bewijs te dienen. Voor de raad zijn geen omstandigheden te bedenken dat stiekeme opnames tijdens een zitting door een partij met de wetenschap van een advocaat zijn te rechtvaardigen. De raad acht de rol die verweerder hierin heeft gehad zeer kwalijk en dat handelen betaamt een behoorlijk advocaat niet. In zoverre is het bezwaar gegrond en wordt aan verweerder een voorwaardelijke schorsing van 2 weken opgelegd. De verdere bezwaren, dat sprake is van een patroon waaruit zou volgen dat verweerder zich onafhankelijk opstelt ten opzichte van zijn cliënten en tekortschiet in de zorg voor zijn cliënten en in zijn wijze van praktijkvoering, zijn, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vast te stellen. Stukken die die bezwaren nader zouden kunnen onderbouwen, ontbreken. In zoverre ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 17 augustus 2026
in de zaak 26-245/AL/NN/D
naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
mr. E.A.C. van de Wiel,
in hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland
deken
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 24 maart 2026 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 8 mei 2026 in aanwezigheid van de deken, mr. H., adjunct-directeur van het ordebureau, en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde dekendossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van het verweerschrift met bijlagen van verweerder van 24 april 2026.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dekendossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerder heeft de moeder van een minderjarig kind bijgestaan in geschillen met haar ex-partner. De moeder en haar ex-partner beschuldigden elkaar over en weer van mishandeling en hebben daarvan aangifte gedaan. Onder meer Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming zijn bij hen betrokken. Er is een procedure over de zorgregeling geweest. De ex-partner heeft ook verzocht om de woonplaats van het kind naar zijn adres te wijzigen.
2.2 Op 2 oktober 2025 heeft een besloten zitting plaatsgevonden bij de rechtbank Noord-Nederland over de zorgregeling. Daarbij zijn verweerder en zijn cliënte en de ex-partner met zijn advocaat verschenen.
2.3 Voorafgaand aan deze zitting heeft een bode van de rechtbank, mevrouw O, de behandelend rechter en secretaris erop geattendeerd dat zij had geconstateerd dat de cliënte van verweerder een bijzondere bril droeg en dat die bril mogelijk gebruikt zou worden voor video-opnames tijdens de zitting. Bij aanvang van de zitting heeft de rechter partijen met hun advocaten nadrukkelijk gewezen op het verbod om beeld- en/of geluidsopnames van de zitting te maken.
2.4 Na de zitting heeft dezelfde bode de cliënte van verweerder in zijn bijzijn in de publieksruimte aangesproken en gevraagd om haar bril te mogen zien. De cliënte van verweerder heeft daarop verklaard dat het om een videobril ging en zij daarmee tijdens de zitting had gefilmd. De bode heeft de videobril aan de parketpolitie overgedragen. De bode heeft daarna van dit incident met een meldingsformulier intern melding gemaakt wegens schending van de huisregels van de rechtbank door de cliënte van verweerder.
2.5 In een e-mail van 2 oktober 2025 heeft een teamvoorzitter van de rechtbank de deken op de hoogte gesteld van het hiervoor beschreven incident met de videobril. De teamvoorzitter heeft aan de deken verder geschreven dat de cliënte van verweerder, toen zij daarover na de zitting werd bevraagd door de bode, heeft verklaard dat zij op advies van haar advocaat met de videobril opnames had gemaakt tijdens de zitting. De teamvoorzitter heeft de deken gevraagd om gepaste maatregelen tegen verweerder te treffen.
2.6 De deken heeft op 23 oktober 2025 telefonisch contact gezocht met de behandelend rechter van de zitting van 2 oktober 2025.
2.7 Op 4 november 2025 heeft de behandelend rechter aan de deken schriftelijk verslag gedaan van de gebeurtenissen met de cliënte van verweerder voorafgaand, tijdens en na de zitting van 2 oktober 2025, zoals hiervoor omschreven in 2.3 - 2.5, en het verslag van de secretaris van die zitting bijgevoegd. De rechter heeft de deken verder laten weten dat zij het meldingsformulier bij de bode had opgevraagd en na ontvangst aan de deken zou doorsturen.
2.8 Op 26 januari 2026 heeft de deken het meldingsformulier van 2 oktober 2026 van de bode over het videobril-incident ontvangen. Omdat hierin niets stond vermeld over de rol van verweerder bij het incident, heeft de deken daar op 12 februari 2026 bij de bode navraag naar gedaan.
2.9 In een e-mail van 16 februari 2026 heeft de bode onder meer aan de deken geschreven:
Nadat mevrouw wat tegenstribbelde kreeg ik de bril in handen en hiernaast stond ook [verweerder]. Toen ik er daadwerkelijk zeker van was dat dit een videobril betrof heb ik mevrouw gezegd dat dit niet is toegestaan. Mevrouw gaf hierop aan dat dit in opdracht was van [verweerder] die hier ja knikkend reageerde. [Verweerder] ook aangegeven dat hij op de hoogte is van de huisregels op de rechtbank en dat meneer ook weet dat dit niet is toegestaan. Daarop kreeg ik helaas weinig respons.
2.10 Op 5 maart 2026 heeft de deken aan verweerder een concept-dekenbezwaar gestuurd. Verweerder heeft hierop schriftelijk op 19 maart 2026 bij de deken gereageerd.
3 DEKENBEZWAAR
Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
I. niet te hebben voorkomen dat zijn cliënte tijdens de besloten familierechtelijke zitting een videobril droeg en van de zitting opnames heeft gemaakt;
II. zich onvoldoende onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënten op te stellen;
III. tekort te schieten in de zorg voor zijn cliënten en wijze van praktijkvoering.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen het (concept)dekenbezwaar onder meer het volgende verweer gevoerd.
Dekenbezwaar I.
4.2 Verweerder erkent dat zijn optreden heeft gemaakt dat zijn cliënte met videobril op aan de besloten zitting bij de rechtbank van 2 oktober 2025 heeft deelgenomen. Achteraf ziet hij in dat hij haar dat advies niet had moeten geven en dat hij daarvoor verantwoordelijk is.
4.3 Volgens verweerder had hij met de zaak van deze cliënte voor het eerst in zijn 40-jarige praktijk te maken met dit ‘kaliber’ zaken. De giftige en gewelddadige relatie waarin zijn cliënte klem zat met haar nog jonge zoontje en haar zeer grote angsten na de relatiebreuk waren de oorzaak van het plan om haar gebruik te laten maken van een videobril bij de rechtbank. Er was sprake van intieme terreur door de partner jegens zijn cliënte. Zijn cliënte gaf bij de voorbespreking aan dat zij bang was dat haar ex-partner haar in de gangen van de rechtbank zou belagen en daarmee opnieuw weg zou komen als dat niet door haar kon worden bewezen. Met een opname van haar videobril kon zij het gedrag van haar ex-partner in de publieke ruimte vastleggen. Die bril zou ook gebruikt kunnen worden om zijn gedrag op de zitting op te nemen in de hoop dat hij uit zijn dak zou gaan. De ex-partner bevond zich op 2 oktober 2025 echter niet in de publieke ruimte en ook op de zitting was zijn gedrag niet problematisch, waardoor de opname van zijn cliënte niet bruikbaar was als objectief bewijs voor zijn ontoelaatbare gedrag richting zijn cliënte.
4.4 Dat de rechter aan het begin van de zitting heeft gezegd dat er geen opnames mochten worden gemaakt, is volledig aan verweerder voorbij gegaan vanwege de spanning die in de lucht hing en de moeite die het hem kostte om daarmee om te gaan. Wat verweerder betreft had de rechter, die door de bode kennelijk al op de hoogte was gebracht dat de bril van zijn cliënte mogelijk een videobril was, de zitting kort moeten schorsen en zijn cliënte moeten vragen om de videobril af te zetten.
4.5 Verweerder ontkent dat hij na de zitting tijdens het gesprek met de bode in de publieke ruimte instemmend heeft geknikt toen zijn cliënte verklaarde dat zij de videobril in opdracht van haar advocaat droeg, zoals de bode heeft verklaard. Bij grote spanning heeft verweerder last van een spasme en dat is ten onrechte als instemming geïnterpreteerd.
4.6 Volgens verweerder heeft hij na afloop van de zitting met zijn cliënte over de hele gang van zaken met de videobril gesproken en haar gezegd dat hij het haar niet kwalijk kon nemen en het een onverstandig advies van hem was geweest. Verweerder heeft hiervan geen schriftelijke vastlegging in zijn dossier kunnen terugvinden.
Dekenbezwaren II. en III.
4.7 Verweerder betwist dat hij zich onvoldoende onafhankelijk van zijn cliënten opstelt of tekortschiet in de zorg voor zijn cliënten en wijze van praktijkvoering.
4.8 Hij kan zich niet vinden in de manier waarop de deken stukken uit onderzochte dossiers heeft beoordeeld. Volgens verweerder is het niet alleen een opdrachtbevestiging waaruit blijkt dat een cliënte meegenomen wordt in een aanpak van een proces of problemen. Volgens verweerder past het niet goed in zo’n beladen proces als die van zijn cliënte met de videobril om alles ook schriftelijk vast te leggen voor die cliënten. Zij is, net als zijn andere cliënten, door hem bij elke stap betrokken en ingelicht over de kansen en de risico’s. De cliënte van de videobril heeft zich door hem gehoord gevoeld en is gegroeid in mentaal opzicht.
4.9 Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder verder nog verklaard dat hij als advocaat met zijn jarenlange ervaring in het familierecht veel voorbij heeft zien komen en dat hij zich altijd op deskundige wijze voor de belangen van zijn cliënten heeft ingezet. De laatste tijd werkt hij op een andere manier aan dergelijke zaken dan voorheen. Hij kan beter de belangen van zijn cliënten behartigen als hij hun ook begrijpt maar realiseert zich dat hij daar niet te ver in moet gaan om voldoende onafhankelijk te blijven. In zijn nieuwe werkwijze stelt hij de cliënten empathische maar ook kritische vragen maar neemt ze ook mee in het proces van de rechtspraak. Volgens verweerder wordt binnen de rechtspraak al snel gesproken van een vechtscheiding en bestaat er een blinde vlek voor situaties waarin intieme terreur tussen partners speelt. Dat was uitdrukkelijk het geval in de kwestie van zijn cliënte met de videobril. Verweerder zegt toe zijn praktijkvoering aan te zullen passen zoals door de deken gewenst door de omvang van een opdracht uitgebreider in de bevestiging te omschrijven en belangrijke afspraken en relevante informatie schriftelijk aan zijn cliënten te zullen bevestigen.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Discipline moet een advocaat zich onthouden van handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt en van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Bij zijn handelen moet een advocaat zich houden aan de vijf kernwaarden die in artikel 10a lid 1 Advocatenwet zijn vastgelegd. De raad zal de betamelijkheid van het handelen van verweerder dan ook mede aan de hand van deze kernwaarden beoordelen. Een advocaat is partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt. Deze belangen bepalen de wijze waarop hij zijn opdracht uitvoert, zij het dat die uitvoering op een onafhankelijke, integere en deskundige wijze dient te geschieden. Een advocaat is bij de uitoefening van zijn beroep vertrouwenspersoon voor zijn cliënt en neemt geheimhouding in acht binnen de grenzen van de wet- en regelgeving. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Dekenbezwaar I.
5.2 Op grond van de stukken en de verklaring van verweerder tijdens de zitting is de raad gebleken dat sprake is geweest van een vooraf bedacht plan dat zijn cliënte met een videobril naar de zitting van de rechtbank op 2 oktober 2025 zou gaan. Ook staat voor de raad vast dat verweerder tijdens de voorbespreking met zijn cliënte haar heeft voorgesteld om die dag in de rechtbank met een videobril het mogelijke ‘nare gedrag’ van de ex-partner richting zijn cliënte in de publieke ruimte van de rechtbank vast te kunnen leggen om daarna als objectief bewijs te dienen.
5.3 Voor de raad zijn er geen omstandigheden te bedenken dat stiekeme opnames tijdens een zitting door een partij met de wetenschap van een advocaat zijn te rechtvaardigen. Verweerder had het plan om zijn cliënte een videobril te laten dragen in de rechtbank op 2 oktober 2025 nooit mogen adviseren of daarin mee mogen gaan. Verweerder had bovendien voldoende alternatieven gehad om de veiligheid van zijn cliënte in de openbare ruimte en tijdens de zitting van de rechtbank te garanderen. Hij had in de publieke ruimte van de rechtbank dichtbij zijn cliënte kunnen blijven en haar vooraf kunnen adviseren om iemand mee te nemen als steun. Ook had hij de zitting als risicovol kunnen aanmelden bij de rechtbank waarna de beveiliging na eigen inschatting van dat risico haar veiligheid had kunnen waarborgen.
5.4 De raad acht de rol die verweerder hierin heeft gehad zeer kwalijk. Hij heeft het plan van de videobril (mee)bedacht en toegelaten dat zijn cliënte in strijd met de huisregels van de rechtbank op 2 oktober 2025 een videobril droeg en zowel voor als tijdens de zitting daarmee opnames maakte. Niet is gebleken dat verweerder op enig moment heeft ingegrepen, in elk geval niet toen de rechter bij aanvang van de besloten zitting aan partijen had meegedeeld dat het verboden was om opnames te maken. Dat verweerder deze mededeling toen niet heeft gehoord als gevolg van de ook bij hem gevoelde spanningen, acht de raad zorgelijk. Juist van een advocaat wordt verwacht dat deze de cliënt, die emoties en spanning zal ervaren tijdens een zitting, met voldoende afstand van de zaak op zakelijke wijze bijstaat en om weet te gaan met de eigen spanning.
5.5 Het hiervoor omschreven handelen van verweerder betaamt een behoorlijk advocaat niet (artikel 46 Advocatenwet en gedragsregel 1). Dit wordt verweerder tuchtrechtelijk door de raad aangerekend. Dekenbezwaar I. is gegrond.
Dekenbezwaren II. en III.
5.6 De raad ziet aanleiding om deze bezwaren gelijktijdig te beoordelen.
5.7 De deken heeft tijdens de zitting toegelicht dat het brilincident met de cliënte van verweerder de start is geweest van een onderzoek naar verweerder en zijn praktijkvoering. Tijdens een kantoorbezoek en na onderzoek heeft zij verweerder toen duidelijk gemaakt dat hij cliënten standaard schriftelijk moet informeren over het plan van aanpak in een zaak en een inschatting moet geven van kansen en risico’s. Juist ook in zaken in de familierechtpraktijk zodat ook die cliënt weet wat kan worden verwacht. Volgens de deken lijkt het videobrilincident van verweerder te passen in een patroon van zijn omgangsvormen en werkwijze. In genoemde zaak, net als in twee eerdere zaken die in 2022 (waarschuwing) en in 2025 (berisping) tot een tuchtrechtelijke veroordeling van verweerder hebben geleid, gaf verweerder er telkens blijk van dat hij het evenwicht tussen de kernwaarden partijdigheid en onafhankelijkheid is kwijtgeraakt. Hij komt te fel op voor de belangen van zijn cliënten en kan daarbij grenzen overschrijden. In zowel de zorg voor zijn cliënten als in zijn praktijkvoering schiet verweerder tekort, reden waarom de deken ook deze twee bezwaren over verweerder heeft ingediend.
5.8 Dat sprake is van een patroon, waaruit zou volgen dat verweerder zich onvoldoende onafhankelijk opstelt ten opzichte van zijn cliënten, kan de raad, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen. Stukken die dat bezwaar van de deken kunnen onderbouwen, ontbreken.
5.9 Alhoewel verweerder erkent dat hij weinig schriftelijk vastlegt in zaken, ook in die van zijn cliënte in de videobrilzaak, is die enkele omstandigheid onvoldoende om daaruit het door de deken verweten patroon van tekortschieten in de zorg voor zijn cliënten en wijze van praktijkvoering in algemene zin af te leiden. Nu de raad niet is gebleken dat de cliënte met de videobril over zijn werkwijze heeft geklaagd en verweerder een wijziging van zijn werkwijze heeft toegezegd, kan de raad niet vaststellen dat verweerder stelselmatig tekort zou schieten in zijn zorgplicht voor zijn cliënten. Stukken die dat bezwaar van de deken nader zouden kunnen onderbouwen, ontbreken.
5.10 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder in dezen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld zodat de bezwaren II. en III. ongegrond zijn.
6 MAATREGEL
6.1 De raad heeft één dekenbezwaar gegrond verklaard zodat nu de vraag ter beantwoording voorligt of, en zo ja, welke maatregel passend is.
6.2 De raad is van oordeel dat de handelwijze van verweerder in de kwestie van de videobril een advocaat niet betaamt en hij daarmee ook het aanzien van de beroepsgroep heeft geschaad. Een rechtbank mag erop vertrouwen dat een advocaat bekend is met de huisregels en de cliënt daarover vooraf informeert of ingrijpt indien dat nodig is. Zeer ernstig is dat verweerder in de familiezaak van zijn cliënte haar vooraf zelfs heeft geadviseerd om haar videobril mee te nemen naar de zitting waarmee zij vervolgens, zowel in de publieke ruimte als tijdens de besloten zitting, in strijd met de huisregels opnames heeft gemaakt. Dit terwijl verweerder wist, dan wel had moeten weten, dat voor het gebruiken van de videobril in de rechtbank geen enkele rechtvaardiging bestond en er bovendien ook andere mogelijkheden waren om haar veiligheid in de rechtbank te garanderen.
6.3 De rechtbank heeft van het aan verweerder verweten handelen een signaal aan de deken gegeven. De raad heeft niet de indruk gekregen dat verweerder het door de deken met hem besproken signaal toen meteen voldoende serieus heeft genomen omdat hij pas in latere instantie open kaart met de deken heeft gespeeld. Ook zijn houding tijdens de zitting heeft bij de raad niet de zorgen weggenomen omdat verweerder zijn handelen met de videobril nog altijd lijkt te vergoelijken. Daarvoor bestaat echter geen rechtvaardiging. Met dit optreden heeft verweerder zich bovendien teveel met zijn cliënte vereenzelvigd en daarmee de kernwaarde onafhankelijkheid geschonden.
6.4 Op grond van het voorgaande en mede gelet op de twee recentere tuchtrechtelijke veroordelingen van verweerder, is de raad van oordeel dat de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken passend en geboden is.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a) en b) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar I. gegrond;
- verklaart de dekenbezwaren II. en III. ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van twee (2) weken op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee (2) jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee (2) jaar.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. P.Th. Mantel en N.C. Milani, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 17 augustus 2026