ECLI:NL:TADRARL:2026:166 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-759/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:166
Datum uitspraak: 03-08-2026
Datum publicatie: 03-08-2026
Zaaknummer(s): 25-759/AL/MN
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Maatregelen, subonderwerp: Schorsing
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: De raad heeft geoordeeld dat verweerder klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over – onder meer – de kosten van zijn diensten. Ook heeft verweerder een termijn voor het indienen van een verweerschrift gemist en klaagster daarover niet geïnformeerd. Verweerder heeft hiermee gehandeld in strijd met de gedragsregels en de kernwaarde deskundigheid. De raad rekent dit verweerder aan. Bij het bepalen van de maatregel weegt de raad het tuchtrechtelijk verleden van verweerder zwaar mee. Verweer is meermalen door de tuchtrechter veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. Het hof van discipline heeft recent een beslissing van de raad van discipline bekrachtigd, waarin hem een voorwaardelijke schorsing was opgelegd ter zake van (onder meer) het niet helder communiceren in de richting van zijn cliënt over de door hem in rekening te brengen werkzaamheden. Vanwege de ernst van het handelen en nalaten van verweerder en het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, kan niet worden volstaan met een andere maatregel dan een onvoorwaardelijke schorsing. De raad legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkoefening op voor de duur van vier weken op.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 3 augustus 2026
in de zaak 25-759/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster 

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 20 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 4 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2443803 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van verweerder van 15 december 2025. 
 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. 

2.2    Op 23 november en 13 december 2023 hebben klaagster en verweerder met elkaar gesproken over de gevolgen van de echtscheiding. 

2.3    Verweerder heeft op 18 december 2023 zijn eerste declaratie en op 29 maart 2024 zijn tweede declaratie aan klaagster gestuurd.

2.4    Op 3 april 2024 heeft verweerder een verzoek voorlopige voorziening ingediend.

2.5    Op 6 mei 2024 heeft verweerder zijn derde declaratie aan klaagster gestuurd.

2.6    Nadat door de man een verzoek tot echtscheiding was ingediend, heeft verweerder op 15 mei 2024 uitstel gevraagd voor het indienen van een verweerschrift.

2.7    De zitting voorlopige voorzieningen heeft op 31 mei 2024 plaatsgevonden en in een beschikking van 14 juni 2024 heeft de rechtbank een beslissing gegeven. 

2.8    Op 12 juni 2024 is de verweertermijn in de echtscheidingsprocedure verlopen en verweerder heeft hierover op 26 juni 2025 contact gehad met de rechtbank. 

2.9    Op 30 juli 2024 heeft verweerder zijn vierde declaratie aan klaagster gestuurd.

2.10    Vervolgens heeft verweerder op 1 augustus 2024 een voorschotnota aan klaagster gestuurd. 

2.11    Op 5 augustus 2024 heeft verweerder vanwege het verstrijken van de verweertermijn een verzoek tot vaststelling zorgregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie en vordering tot boedelverdeling ingediend. 

2.12    In het kader van een geplande regiezitting in de echtscheidingsprocedure heeft verweerder de rechtbank verzocht om het ingediende verzoekschrift te beschouwen als een verweerschrift met zelfstandige verzoeken in de echtscheidingsprocedure, waarna de rechtbank heeft laten weten dat er nog geen nieuwe procedure is aangemaakt in afwachting van de beslissing hierover in de regiezitting.

2.13    Op 26 september 2024 heeft een regiezitting plaatsgevonden. In een beschikking van 10 oktober 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat het nieuwe verzoekschrift niet wordt beschouwd als verweerschrift met zelfstandige verzoeken en dus een losse procedure betreft. Ook is de beslissing over het verzoek tot echtscheiding en de nadere verzoeken van de man aangehouden totdat deze nevenverzoeken behandeld zijn tijdens een nader te bepalen mondelinge behandeling. 

2.14    Op 25 november 2024 heeft klaagster telefonisch laten weten de opdracht te willen beëindigen. Die mededeling heeft verweerder in een e-mail van 25 november 2024 aan klaagster bevestigd en daarin heeft hij haar gevraagd te bevestigen dat zij niet ontevreden over zijn werkzaamheden is. In een e-mail van 28 november 2024 heeft klaagster verweerder formeel geïnformeerd dat zij haar opdracht beëindigd, gevraagd om overdracht van het dossier aan haar opvolgend advocaat en verzocht om terugbetaling van het restant van het betaalde voorschot. 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    nadat zij de opdracht heeft beëindigd er bij haar op aan te blijven dringen dat zij erkent dat hij geen fouten heeft gemaakt; 

b)    de overdracht van het dossier aan de opvolgend advocaat te vertragen en het dossier incompleet over te dragen terwijl er op korte termijn een zitting was gepland; 

c)    haar zaak niet zorgvuldig te behandelen en belangrijke informatie over haar zaak niet met haar te delen; 

d)    onprofessionele berichten naar haar te sturen; 

e)    geen, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening te brengen (excessief declareren); 

f)    geen duidelijke afspraken te maken over het honorarium, niet periodiek te declareren, geen inschatting te geven van de te verwachten tijdbesteding en geen deugdelijke specificatie van de tijdsbesteding te geven. 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

   BEOORDELING
 

Maatstaf 

5.1    De tuchtrechter moet bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 

5.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.3    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdelen a) en d)

5.4    Klaagster verwijt verweerder dat hij - nadat klaagster aan verweerder had laten weten dat zij met een andere advocaat verder wilde – er bij klaagster op bleef aandringen dat zij zou erkennen dat hij geen fouten had gemaakt en haar (in dat kader) onprofessionele berichten heeft gestuurd. Verweerder heeft hierover verklaard dat hij klaagster had gesproken en dat zij op papier wilde zetten dat zij geen klachten had over zijn optreden. Op haar verzoek heeft hij de door klaagster genoemde e-mail gestuurd, aldus verweerder.

5.5    Of de betreffende mail al dan niet op verzoek van klaagster is gestuurd, kan de raad niet vaststellen. De raad stelt wel vast dat uit de communicatie van verweerder in de richting van klaagster blijkt van teleurstelling en ongenoegen bij verweerder over het beëindigen van de opdracht door klaagster. Van verweerder mag worden verwacht dat hij zich in zijn hoedanigheid als advocaat niet door zijn emoties laat leiden en zakelijk blijft corresponderen en handelen. De raad is van mening dat verweerder zich in onvoldoende mate rekenschap heeft gegeven van de professionele distantie ten opzichte van klaagster die aangewezen was. Gelet op de inhoud van de e-mails aan klaagster waarover de raad de beschikking heeft, is dit handelen van verweerder echter van onvoldoende gewicht om te concluderen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Deze klachtonderdelen worden dan ook ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel b)

5.6    De raad stelt voorop dat een advocaat verplicht is om het dossier aan een opvolgend advocaat over te dragen als daarom wordt verzocht en zich daarbij welwillend moet opstellen. Hoewel verweerder eerst niet welwillend leek te zijn om het dossier over te dragen, althans de discussie met klaagster aanging over het eindigen van de opdracht, heeft hij vervolgens na het eerste verzoek van klaagster en haar nieuwe advocaat de stukken verstrekt. Ook nadat de opvolgend advocaat om aanvullende stukken heeft gevraagd, heeft verweerder deze direct aan haar gestuurd. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende adequaat en voortvarend het dossier aan de opvolgend advocaat van klaagster heeft verstrekt. Ten aanzien van de compleetheid van de door verweerder gestuurde stukken, lijkt sprake te zijn van een misverstand. Klaagster had – naar aanleiding van een mededeling daarover van verweerder – het idee dat verweerder een schriftelijke voorbereiding in deze zaak had geschreven, die hij vervolgens niet heeft willen verstrekken. Verweerder heeft echter op de zitting van de raad uitgelegd dat een dergelijke schriftelijke voorbereiding er (nog) niet was. Gelet op het voorgaande wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel c)

5.7    De raad is van oordeel dat op grond van de stukken in het klachtdossier vast is komen te staan dat verweerder de termijn voor het indienen van het verweerschrift heeft gemist. Dat is zijn verantwoordelijkheid. Dat deze termijn niet in het roljournaal zou hebben gestaan, neemt die verantwoordelijkheid niet weg. Verweerder heeft weliswaar om een uitstel verzocht, maar heeft dit niet gekregen. Het lag op zijn weg om de termijn in de gaten te houden en op tijd stukken in te dienen. Toen bleek dat er geen verweerschrift meer kon worden ingediend, heeft verweerder dit opgelost door een verzoekschrift tot vaststelling van een zorgregeling, alimentatie en boedelverdeling in te dienen en vervolgens de rechtbank te vragen om het verzoek aan te merken als een verweerschrift met zelfstandige verzoeken in de echtscheidingsprocedure. Dit verzoek is behandeld tijdens de in de echtscheidingsprocedure geplande regiezitting en is bij tussenbeschikking afgewezen. Het bleven daarom twee losse procedures. 

5.8    Verweerder heeft hiermee niet gehandeld zoals van een redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Bovendien heeft verweerder zijn cliënte niet op de hoogte gebracht van deze gang van zaken. Dat had hij wel behoren te doen. Ook dit gebrek aan communicatie in de richting van klaagster is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De omstandigheid dat dit nalaten van verweerder zonder (financiële) gevolgen voor klaagster is gebleven en zij (om die reden) niet in haar belangen is geschaad, maakt dat niet anders. Dit klachtonderdeel wordt daarom gegrond verklaard. 

Klachtonderdeel e)

5.9    Klaagster klaagt over de hoogte van de declaraties. Ter zake van de hoogte van de declaraties beperkt de tuchtrechter zich tot een marginale toets, in die zin dat niet beoordeeld wordt of de declaratie juist is, maar of er sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van een specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief moet worden aangemerkt. De raad begrijpt dat klaagster het gedeclareerde bedrag fors vindt. De raad is echter van oordeel dat op grond van de overgelegde declaraties en urenspecificaties niet is gebleken dat er sprake is van een wanverhouding tussen de verrichte werkzaamheden en het aantal in rekening gebrachte uren. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. 

Klachtonderdeel f)

5.10    Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel zijn de gedragsregels 16 en (in het bijzonder) 17 van belang. Gedragsregel 16 bepaalt dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 17 bepaalt dat - zakelijk weergeven - een advocaat een redelijk honorarium in rekening moet brengen en vooraf transparant moet zijn over zijn honorarium, de kosten en de wijze van declareren. Daardoor zal de advocaat veelal een inschatting moeten geven van de te verwachten tijdsbesteding en het totaal aan kosten (honorarium). Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting, stelt hij zijn cliënt daarvan op de hoogte.

5.11    Ook neemt de raad het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023, ECLI:EU:2023:14 in aanmerking. In dat arrest heeft het Hof van Justitie - kort gezegd - geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is in dat arrest overwogen dat een advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.

5.12    Uit het klachtdossier en het verhandelde op de zitting blijkt dat verweerder bij de aanvang van de opdracht in november 2023 in een WhatsApp-bericht een opdrachtbevestiging heeft gestuurd. Verweerder heeft op dat moment geen inschatting gegeven over de te verwachten tijdsbesteding. Ook later heeft verweerder klaagster hierover niet, dan wel onvoldoende, geïnformeerd.  Wel heeft verweerder op 1 augustus 2024 een voorschotnota van € 19.602 aan klaagster gestuurd. Verder is van belang dat verweerder over langere periodes declareerde. Klaagster ontving dus niet altijd maandelijks gespecificeerde declaraties. 

5.13    De raad is op grond van het voorgaande van oordeelde dat verweerder in strijd met de gedragsregel 16 en 17 klaagster volstrekt onvoldoende (schriftelijk) heeft geïnformeerd over de zaak. Uit de inhoud van het klachtdossier blijkt in het bijzonder dat verweerder klaagster onvoldoende op de hoogte heeft gebracht van het aantal uren dat hij aan de zaak zou besteden en van het totale bedrag dat zij voor de diensten zou moeten betalen. In deze zaak is dit nalaten van verweerder des te nijpender omdat klaagster in geldproblemen zat, van welke omstandigheid verweerder ook op de hoogte was.

5.14    Voor zover verweerder heeft betoogd dat hij klaagster op onderdelen wel voldoende (mondeling) heeft geïnformeerd, is de raad van oordeel dat dat door het ontbreken van een duidelijke schriftelijke vastlegging daarvan door verweerder, niet is gebleken. Omdat die schriftelijke vastlegging ontbreekt - en klaagster heeft betwist dat deze informatieverstrekking heeft plaatsgevonden - gaat de raad er van uit dat deze niet heeft plaatsgevonden. 

5.15    Het bovenstaande betekent dat dit klachtonderdeel gegrond wordt verklaard. 

5.16    Ten aanzien van het specifieke verwijt over de inrichting van de declaraties, is de raad ten slotte van oordeel dat niet is gebleken dat de urenspecificaties bij de declaraties ontbraken. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond. 

6    MAATREGEL 

De raad heeft geoordeeld dat verweerder klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over – onder meer – de kosten van zijn diensten. Ook heeft verweerder een termijn voor het indienen van een verweerschrift gemist en klaagster daarover niet geïnformeerd. Verweerder heeft hiermee gehandeld in strijd met de gedragsregels en de kernwaarde deskundigheid. De raad rekent dit verweerder aan. 

Bij het bepalen van de maatregel weegt de raad het tuchtrechtelijk verleden van verweerder zwaar mee. Verweer is meermalen door de tuchtrechter veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. Het hof van discipline heeft recent een beslissing van de raad van discipline bekrachtigd, waarin hem een voorwaardelijke schorsing was opgelegd ter zake van (onder meer) het niet helder communiceren in de richting van zijn cliënt over de door hem in rekening te brengen werkzaamheden. 

Vanwege de ernst van het handelen en nalaten van verweerder en het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, kan niet worden volstaan met een andere maatregel dan een onvoorwaardelijke schorsing. De raad legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkoefening op voor de duur van vier weken op.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50 aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing [zijn/haar] rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.


BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen c) en f) gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel a), b), d) en e) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van vier weken op;

-    bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

-    de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, 

-    verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

-    de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. G.W. Roest en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 3 augustus 2026