We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRARL:2026:163 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-422/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:163
Datum uitspraak: 27-07-2026
Datum publicatie: 28-07-2026
Zaaknummer(s): 26-422/AL/MN
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Een klacht over de deken wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 27 juli 2026

in de zaak 26-422/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 13 mei 2026 met kenmerk 2547826. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van verweerster van 29 mei 2026 en de e-mail van klager van 29 mei 2026.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager heeft vier klachten ingediend tegen mr. S., de advocaat van zijn ex-echtgenoot. Ook heeft klager tegen mr. Van B., een kantoorgenoot van mr. S., klachten ingediend. Mr. Van B. heeft mr. S. bijgestaan in die klachtprocedures.

1.2 Verweerster heeft onderzoek ingesteld naar alle voornoemde klachten en haar visie op de klachten gegeven.

1.3 De (voorzitter van de) raad van discipline heeft al deze vijf klachten (kennelijk) ongegrond verklaard.

1.4 Klager heeft eerder een klacht tegen verweerster ingediend. Deze klacht is in een voorzittersbeslissing van 6 mei 2025 deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak en in een beslissing van de raad van discipline van 1 december 2025 is het verzet ongegrond verklaard.

1.5 Op 19 december 2025 heeft klager de onderhavige klacht ingediend tegen verweerster. In een beslissing van 8 januari 2026 van de voorzitter van het hof van discipline is de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken in het arrondissement Midden-Nederland. In die beslissing is nog het volgende overwogen:

Ter voorlichting van klager geeft het hof mee dat, hoewel klager betoogt dat zijn klacht zich niet richt tegen de uitkomst van afzonderlijke tuchtprocedures, de hiervoor in 1.2 weergegeven klacht(en) en de daarbij gegeven uitgebreide toelichting moeilijk anders begrepen kunnen worden. Onvrede over de wijze waarop een dekenonderzoek heeft plaatsgevonden behoort in de eerste plaats in het vervolg van de betreffende procedure(s) naar voren te worden gebracht. Gelet op de rol van de deken in de tuchtprocedure kan verder in elk geval niet worden volgehouden dat klachten -ten onrechte- niet inhoudelijk zouden zijn beoordeeld, nu een tuchtrechtelijk oordeel aan de tuchtrechter(s) en niet aan de deken is voorbehouden.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

  1. uit te gaan van een onjuiste rolvaststelling;
  2. een onjuist toetsingskader toe te passen;
  3. het ne bis in idem-beginsel onjuist toe te passen;
  4. structureel bewijsgerichte toetsing na te laten;
  5. hoor en wederhoor te schenden;
  6. haar onafhankelijke positie als deken aan te tasten.

3 VERWEER

Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Beoordeling van de klacht

4.1 Het in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, dan blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden.

4.2 De aard en functie van deken brengen met zich dat bij de tuchtrechtelijke controle de nodige terughoudendheid moet worden betracht vanwege de grote beleidsvrijheid die een advocaat in die functie toekomt. De manier waarop een deken uitvoering geeft aan een onderzoek naar een klacht valt binnen deze beleidsvrijheid. Uitsluitend als zou blijken van feiten waaruit kan worden afgeleid dat de deken door zijn handelwijze het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, kan sprake zijn van klachtwaardig handelen. Dat betekent dat alleen in uitzonderlijke gevallen de raad van discipline tot het oordeel kan komen dat een deken een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.3 De voorzitter is van oordeel dat op grond van de klacht van klager en de overige stukken in het dossier de door klager gemaakte verwijten in het geheel niet vast zijn komen te staan. Van enige onjuiste behandeling van de klachten of van enig ander tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is dan ook niet gebleken. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Misbruik van klachtrecht

4.4 De voorzitter constateert dat de onderhavige klacht zich in de kern richt tegen de uitkomst van de (onder de feiten genoemde) tuchtprocedures en niet tegen het handelen of nalaten van verweerster. Bovendien heeft klager recent een (vergelijkbare) klacht over verweerster ingediend. Ook die klacht is door de raad kennelijk ongegrond verklaard. Gelet op deze omstandigheden beschouwt de voorzitter de klacht van klager als misbruik van klachtrecht. Het klachtrecht is immers bedoeld om het functioneren van advocaten te controleren en niet om herhaaldelijk te klagen over hetzelfde handelen van dezelfde advocaat. Een volgende klacht die op enigerlei wijze samenhangt met deze klacht of waaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt, zal door de raad dan ook niet in behandeling worden genomen. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

  • de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
  • bepaalt dat een volgende klacht van klager over verweerster, zoals hiervoor is overwogen, niet in behandeling wordt genomen.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.

Griffier                                                                                                                         Voorzitter

Verzonden op: 27 juli 2026