ECLI:NL:TADRARL:2026:162 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-409/AL/OV
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:162 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-409/AL/OV |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over een curator is deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 20 juli 2026
in de zaak 26-409/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 12 mei 2026 met kenmerk 2505587. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van klaagster van 10 juni 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster was gehuwd met de heer B. in gemeenschap van goederen. In december 2019 zijn klaagster en B. gescheiden.
1.2 B. is op 9 februari 2022 failliet verklaard.
1.3 Verweerder heeft in dit faillissement als curator opgetreden.
1.4 Op 11 juli 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.5 Op 21 juli 2025 heeft klaagster verweerder aansprakelijk gesteld voor tekortkomingen in de afwikkeling van het faillissement.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
2.2 In de aanbiedingsbrief van de deken is deze klacht - in elf onderdelen - als volgt weergegeven:
1. Klaagster stelt dat verweerder artikel 63 Faillissementswet onrechtmatig heeft toegepast voor het faillissementsvonnis. Dit zou hij hebben gedaan zonder rechterlijke titel of wettelijke grondslag. Naar de mening van klaagster heeft verweerder ten onrechte haar privégoederen als boedelgoederen aangemerkt. Daarnaast heeft verweerder, aldus klaagster, zonder wettelijke grondslag of rechterlijk bevel onterecht haar persoonlijke bankrekeningen laten blokkeren. Ook stelt klaagster dat verweerder haar nooit de mogelijkheid heeft geboden om afstand te doen van de huwelijksgemeenschap op grond van artikel 61-63 van de Faillissementswet. Naar de mening van klaagster is zij zodoende buiten haar wil om in de boedel betrokken geraakt. Bovenstaande zou, aldus klaagster, het handelen van verweerder onder meer tot gevolg hebben gehad dat klaagster eigendomsrechten heeft verloren en is het haar onmogelijk gemaakt een bodemprocedure te voeren.
2. Klaagster is van mening dat zij op 17 juni 2022 onterecht door verweerder, met behulp van de politie, haar woning in Holten is uitgezet. Er zou naar de mening van klaagster geen sprake zijn geweest van een geldig rechtelijke beschikking of executoriale titel. Volgens klaagster is het handelen van verweerder onder meer in strijd met het legaliteitsbeginsel en het recht op eerbiediging van woning en privéleven.
2a. Klaagster stelt dat de faillissementsgijzeling van De Bokx, door toedoen van verweerder, disproportioneel was en een ernstige inbreuk op artikel 5 EVRM en artikel 68 Faillissementswet vormde.
3. Verweerder zou klaagster tijdens zijn curatorschap structureel hebben uitgesloten van essentiële informatie. Zo zou verweerder, ondanks herhaaldelijk verzoek, nooit hebben gerapporteerd aan klaagster over de zogenaamde MPP-claim. Hiermee zou verweerder, aldus klaagster, hebben gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van een eerlijk proces.
3a. Ook zou verweerder klaagster met betrekking tot het depotgeschil met de Stichting Hypotheek Obligaties Vrienden niet hebben geïnformeerd terwijl het depot, aldus klaagster, haar boedel betreft. Dit zou naar de mening van klaagster een schending van hoor- en wederhoor hebben opgeleverd.
4a. Klaagster stelt dat verweerder bij de verkoop van de woning in Holten heeft gehandeld zonder enig overleg, transparantie of respect voor haar eigendomspositie. Klaagster is naar eigen zeggen, door het vervangen van de sloten, uit haar woning geweerd. Klaagster ziet dit onder meer als een inbreuk op haar eigendomsrecht.
4b. Ook ten aanzien van de woning in Ezè zou verweerder zonder enige vorm van overleg met klaagster hebben gehandeld. Door het vervangen van de sloten had klaagster geen toegang meer tot haar woning en persoonlijke bezittingen. Klaagster stelt door verweerder nergens in meegenomen te zijn met betrekking tot informatie over onder meer taxatie en biedingen. Naar de mening van klaagster levert dit handelen van verweerder een schending op van artikel 8 EVRM. Verweerder zou klaagster daarnaast hebben neergezet als ‘diva in Zuid-Frankrijk’.
5. Klaagster verwijt verweerder grove nalatigheid en schending van de zorgplicht met betrekking tot de MPP-claim door zich gedurende drie jaar te beraden op eventuele vervolgstappen waardoor de claim dreigde te verjaren. Klaagster stelt dat het handelen van verweerder zou moeten worden beoordeeld aan de Maclou-norm en stelt dat verweerder onder meer heeft gehandeld in strijd met artikel 68 Faillissementswet.
6. Volgens klaagster heeft verweerder declaratiefouten gemaakt en aanzienlijke uren gedeclareerd zonder dat daar een batenverantwoording tegenover stond. Hierdoor zou onder meer de boedel structureel zijn verarmd en de schuldeisers ernstig benadeeld, aldus klaagster.
7. Naar de mening van klaagster betwist verweerder onterecht dat haar 50% aandeel in de opbrengst van de motorboot tot haar faillissementsboedel behoren. Hierdoor zouden onder andere schuldeisers structureel zijn benadeeld alsmede de boedelrechten van klaagster.
8. Klaagster stelt dat verweerder tegenstrijdige en misleidende informatie verspreidt, onder meer met betrekking tot de MPP-claim en over zijn bekendheid met onderhavige klacht.
9. Klaagster verwijt verweerder dat hij jarenlang heeft nagelaten transparant te rapporteren, belanghebbenden structureel te onthouden van informatie en zodoende zijn zorgplicht op basis van artikel 68 Faillissementswet schendt. Hierdoor zou er sprake zijn van een groot risico op verjaring en missen de baten miljoenen waardoor de boedel structureel is verarmd en de schuldeisers zijn benadeeld.
10. Volgens klaagster heeft verweerder verzuimd de faillissementsverslagen van De Bokx in het openbaar te deponeren. Het gevolg is, aldus klaagster, dat er sprake is van een structureel gebrek aan transparantie, risico bestaat op manipulatie of reconstructie achteraf, de rechtszekerheid wordt aangetast en het vertrouwen in het faillissementstoezicht verloren gaat.
11. Alle genoemde gedragingen van verweerder hebben volgens klaagster een direct causaal verband die zowel klaagster als de gezamenlijke schuldeisers schade heeft toegebracht. Tenslotte stelt klaagster dat het handelen van verweerder een structureel en samenhangend patroon vormt van nalaten, grensoverschrijding en misleiding.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid van de klacht
4.1 Voordat de voorzitter aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt, moet eerst de vraag worden beantwoord of klaagster op tijd over verweerder heeft geklaagd. Uitgangspunt is dat een klacht op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet bij de deken moet zijn ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen, of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen, van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Het gaat in dit artikel om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij de klager.
4.2 De klacht gaat over het handelen van verweerder vanaf omstreeks februari 2022. Uit de stukken volgt dat klaagster op het moment van het handelen waarover wordt geklaagd, of kort erna, kennis heeft genomen van dat handelen.
4.3 Klaagster heeft over dat handelen op 11 juli 2025 bij de deken geklaagd. Dat betekent dat de klacht van klaagster over het handelen van verweerder tot 11 juli 2022 te laat, want buiten de driejaarstermijn, is ingediend. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van de klachttermijn verschoonbaar zijn. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. Dat betekent dat de voorzitter de klacht over het handelen van verweerder tot 11 juli 2022 niet ontvankelijk zal verklaren.
4.4 Het onderdeel van de klacht over het handelen vanaf 11 juli 2022 is wel ontvankelijk. De voorzitter zal hierover hieronder een oordeel geven.
Beoordeling van de klacht
4.5 De klacht van klaagster ziet op het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van faillissementscurator. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline blijft het advocatentuchtrecht gelden ook voor een advocaat die in een andere hoedanigheid optreedt. Als een advocaat zich bij de vervulling van die andere hoedanigheid zodanig gedraagt (dan wel misdraagt) dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt ondermijnd, zal in het algemeen sprake zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
4.6 Voor een advocaat die optreedt als curator geldt bovendien dat de rechter commissaris toezicht houdt op het beheer en de vereffening van de failliete boedel door de curator en dat de curator aan deze rechter-commissaris verantwoording verschuldigd is. De wet geeft in artikel 69 Faillissementswet aan crediteuren de mogelijkheid om schriftelijk een klacht in te dienen bij de rechter-commissaris over het optreden van de curator bij het beheer en de afwikkeling van de failliete boedel.
4.7 Voor het handelen van een advocaat in de hoedanigheid van curator brengt bovenvermelde maatstaf mee dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zal zijn.
4.8 De voorzitter is - met inachtneming van de hierboven genoemde maatstaf - van oordeel dat op grond van de toelichting van de klacht en de rest van het klachtdossier niet is gebleken dat de door klaagster genoemde handelingen van verweerder het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad. Daarbij is mede van belang dat verweerder als reactie op de klacht van klaagster heeft aangegeven dat alle door hem verrichte handelingen zijn verricht in overleg en met toestemming van de rechter-commissaris. Deze stelling is door klaagster niet betwist. Voor zover er andere (civielrechtelijke) geschillen tussen klaagster en verweerder spelen, geldt dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in zulke procedures over de juistheid van standpunten een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter echter niet gebleken. Het voorgaande betekent dat de klacht van klaagster kennelijk ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht voor zover deze ziet op het handelen van verweerder tot 11 juli 2022 niet-ontvankelijk;
- de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B.
Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 20 juli 2026