We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRARL:2026:159 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-435/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:159
Datum uitspraak: 20-07-2026
Datum publicatie: 21-07-2026
Zaaknummer(s): 26-435/AL/GLD
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter was verweerster in haar positie van curator gehouden om het gerechtshof na de comparitie te informeren over de nieuw door haar ontvangen informatie van een vermeende schuldeiser. Zij heeft in die brief volledig open kaart gespeeld en het gerechtshof op feitelijk juiste wijze voorgelicht. Zij heeft daarin de brief van die schuldeiser als ook de reactie daarop van klager geciteerd, zonder daarbij sturend te zijn geweest. Klager verwijt verweerster dat zij zijn woorden daarin opzettelijk heeft verdraaid. Indien dat het geval was geweest, dan had de advocaat van klager dat daarna aan de orde kunnen stellen in zijn reactie namens klager aan het gerechtshof. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster met haar handelen het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 20 juli 2026
in de zaak 26-435/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:


klager

over


verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 21 mei 2026 met kenmerk K 25/190.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Bij vonnis van 14 februari 2023 heeft de rechtbank Gelderland TWI B.V. (hierna: TWI) in staat van faillissement verklaard. Daarbij is verweerster aangesteld tot curator. 

1.2    Bestuurder en enig aandeelhouder van TWI is TTE B.V. (hierna: TTE). Bestuurder en enig aandeelhouder van TTE is klager.

1.3    TWI heeft hoger beroep ingesteld tegen het faillissementsvonnis. 

1.4    Verweerster heeft op 16 maart 2023 een e-mail van de heer D, werkzaam bij het Departement Omgeving Vlaanderen, ontvangen. In deze e-mail is aan de curator gemeld dat TWI een bedrag van € 259.905,55 aan dwangsommen heeft openstaan bij de Vlaamse overheid. 

1.5    In een e-mail van 17 maart 2023 heeft verweerster de heer D verzocht aan te geven of de dwangsommen al onherroepelijk waren of dat daar nog een rechtsmiddel tegen openstond. Dezelfde dag heeft verweerster klager gevraagd om te reageren op de vordering van de Vlaamse overheid.  

1.6    Ook op 17 maart 2023 heeft verweerster een brief aan het gerechtshof, in kopie aan de advocaten van TWI en Vlaamse overheid, gestuurd. Zij heeft daarin melding gemaakt van de inhoud van de op 16 maart 2023 door haar ontvangen e-mail van de Vlaamse overheid en dat zij zowel bij klager, als middellijk bestuurder van TWI, als bij de Vlaamse overheid, navraag heeft gedaan. Verder heeft verweerster geschreven:
 

De Vlaamse overheid geeft aan: 
 

"Er zijn tegen deze dwangsommen op dit moment geen beroepen mogelijk. Wanneer de dwangsommen niet op minnelijke wijze kunnen worden geïnd, dan zou een gedwongen invordering worden opgestart door een dwangbevel, dat is geviseerd en uitvoerbaar verklaard, te laten betekenen bij gerechtsdeurwaarderexploot. Tegen deze dwangbevelen kan wel verzet worden aangetekend bij de beslagrechter door het Vlaamse Gewest te dagvaarden. Dit zal in dit geval, althans voorlopig, niet mogelijk zijn, gezien een faillissement een mogelijke gedwongen invordering schorst, wat als gevolg heeft dat er geen dwangbevel kan worden betekend. Voorts heeft een dergelijk verzet echter betrekking op het dwangbevel en niet zozeer op de dwangsom zelf. 
 

De beroepstermijn voor de bestuurlijke maatregel (op basis waarvan de dwangsommen opgelegd) is ook verlopen. Deze staat dus ook vast. Men kan dus concluderen dat de dwangsommen eerder onherroepelijk zijn." 
 

[Klager] betwist een en ander en geeft aan: 
 

"Ik heb alles netjes afgevoerd naar Duitsland en de dwangsom is niet verbeurd. Daarnaast gaat het om het feit dat het niet om afval gaat maar om een bijproduct (zie bijgevoegde grondstofverklaring van de Belgische autoriteit). De Belgische autoriteit heeft netjes de ijk documenten gehad van de afvoer. Bijgaand de ijkdocumenten dat ik voor de fatale termijn van 1/11 alles had afgevoerd." 
 

Het is mijn taak als curator om u volledig te informeren. Dat doe ik hierbij ook. 
 

Het is gelet op het 'Berzona'-arrest (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, NJ 2014/407) evenwel de vraag of een vordering ter zake van verbeurde dwangsommen kan dienen als steunvordering nu uit het 'Berzona'-arrest volat dat het steads 'Berzona'-arrest volgt dat het steeds om een verifieerbare vordering moet gaan (vgl. r.o. 3.4.2.), terwijl dwangsommen in een faillissement niet verifieerbaar zijn (artikel 611e lid 2 Rv). (…)

1.7    Op 20 maart 2023 heeft de advocaat van TWI aan het gerechtshof, met verweerster en de advocaat van de Belgische overheid in de CC, in reactie op de brief van verweerster van 17 maart 2025 over de vordering van de Vlaamse overheid onder meer gemaild:

Primair stelt cliënte zich op het standpunt dat de dwangsommen niet zijn verbeurd, gelet op de reeds aangehaalde argumenten in de brief van de curator [verweerster]. 
 

Subsidiair stelt cliënte zich op het standpunt dat - uitgaande van de situatie dat de dwangsommen wel degelijk zijn verbeurd - verbeurde dwangsommen niet kunnen dienen als steunvordering, omdat uit het Berzona-arrest volgt dat het steeds om een verifieerbare vordering moet gaan. Met het uitgangspunt van art. 4:116 Awb, geldt ook het bepaalde in art. 611e lid 2 Rv, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat dwangsommen die zijn verbeurd vóór datum van het faillissement niet worden toegelaten in het passief van het faillissement. 
 

Bovendien merk ik op dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om op bestuursrechtelijke vorderingen alle bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing te verklaren die, direct of indirect, bij de totstandkoming en tenuitvoerlegging van executoriale titels een rol gaan spelen. En zoals blijkt uit de brief van de curator [verweerster] d.d. 17 maart 2023, stond de Vlaamse overheid in casu op het punt om een dwangbevel, in de zin van art. 4:116 Awb, te betekenen. 

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet voldaan is aan het vereiste 'opgehouden te betalen' ex art. 1 lid 1 Fw jo. 6 lid 3 Fw. Van de vereiste 'feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen' blijkt, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, in het algemeen indien er sprake is van schulden aan meer dan één schuldeiser - pluraliteit van schuldeisers - terwijl ten minste één vordering opeisbaar is. Nu er geen sprake is van een verifieerbare vordering, is niet voldaan aan het plurarliteitsvereiste. 
 

Het verzoek is om de faillietverklaring van 14 februari 2023 te vernietigen en om verweerder te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de kosten van de curator. 

1.8    Bij arrest van 23 maart 2023 heeft het gerechtshof het vonnis van 14 februari 2023 bekrachtigd. Het door TWI heeft ingestelde cassatieberoep is op 17 november 2023 door de Hoge Raad verworpen.

1.9    Op 16 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

   KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

hangende het hoger beroep opzettelijk feitelijk onjuiste informatie te verstrekken waardoor het gerechtshof is misleid en de belangen van klager ernstig zijn geschaad. 

Toelichting: Na de comparitie van partijen heeft verweerster een niet verbeurde dwangsom ingebracht als zijnde verbeurd. Op die manier heeft zij bedrog gepleegd omdat zij zo pluraliteit heeft gecreëerd waardoor het faillissement in stand bleef. Met haar brief van 17 maart 2023 heeft verweerster geen recht gedaan aan de woorden van klager dat de dwangsom niet was verbeurd. Verweerster heeft de woorden van klager verdraaid waardoor het gerechtshof heeft aangenomen dat de dwangsom inderdaad was verbeurd. 

3    VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter neemt in overweging dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die faillissementscurator, blijft voor de advocaat het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet.

4.2    Verweerster was in haar positie van curator gehouden om het gerechtshof te informeren over de door haar na de comparitie nog ontvangen nieuwe informatie in het faillissement van TWI. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster in haar brief van 17 maart 2023 daarover volledig open kaart gespeeld en het gerechtshof op feitelijk juiste wijze voorgelicht. Zij heeft zowel de brief van de Vlaamse overheid als de reactie daarop van klager geciteerd, zonder daarbij sturend te zijn geweest. Klager verwijt verweerster dat zij zijn woorden in haar brief aan het gerechtshof opzettelijk heeft verdraaid. Indien dat het geval was geweest, dan had het in de lijn der verwachting gelegen dat de advocaat van klager dit punt in zijn e-mail van 20 maart 2023 aan het gerechtshof aan de orde had gesteld. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. 

4.3    Het is uiteindelijk het gerechtshof geweest dat op basis van de stukken van partijen en van de curator een eigen afweging heeft gemaakt en heeft geoordeeld tot bekrachtiging van het faillissementsvonnis. Niet is gebleken dat verweerster met haar handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De klacht wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard. 


BESLISSING

De voorzitter verklaart: 

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op : 20 juli 2026