ECLI:NL:TADRARL:2026:156 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-868/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:156 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 14-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-868/AL/MN |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 13 juli 2026
in de zaak 25-868/AL/MN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 9 februari 2026 op de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 17 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2485944 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 9 februari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 23 februari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij was verweerster aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 26 mei 2026 van klager.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) ten onrechte heeft de voorzitter geen inhoudelijke beoordeling gegeven over de zorgplicht van verweerster, zodat daarvoor een herstelbeslissing moet worden genomen
II) ten onrechte is in de tuchtrechtelijke procedure een beslissing genomen terwijl het tuchtrechtelijke oordeel aangehouden had moeten worden totdat de civiele procedures over dezelfde dossierstukken zijn afgerond.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. De raad is niet gebleken dat er gronden zijn voor een herstelbeslissing. De raad ziet verder geen aanleiding om deze beslissing aan te houden totdat in de civiele procedures is geoordeeld, zoals klager heeft verzocht. Deze procedures staan los van elkaar.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. G.N. Paanakker en M.M. Kuyp, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 13 juli 2026