ECLI:NL:TADRARL:2026:153 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-323/AL/NN/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:153 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 13-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-323/AL/NN/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. Verweerder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. De raad is van oordeel dat verweerder op ernstige wijze is tekortgeschoten als advocaat. Niet alleen in zijn taakopvatting als advocaat, die juist kritisch en proactief moet zijn in het belang van de cliënten, maar ook omdat sprake is van juist zeer kwetsbare en ook vaak niet-mondige cliënten in de Wvggz- en Wzd-zaken die verweerder doet. De deken heeft tijdens de zitting van de raad verklaard dat verweerder nog tientallen gelijksoortige zaken heeft liggen. Of verweerder voldoende met zijn cliënten bespreekt en hun belangen op juiste wijze behartigt, valt niet te controleren omdat verweerder niets schriftelijk vastlegt. Uit de stukken is de raad gebleken dat de deken met verweerder heeft gesproken over de mogelijkheid om zich op korte termijn als advocaat uit te schrijven gezien zijn pensioengerechtigde leeftijd. Als andere optie is door de deken coaching onder voorwaarden aan verweerder voorgesteld. Verweerder lijkt niet voor verbetering open te staan maar zich vast te klampen aan de situatie waarin hij nu zit. Hij heeft immers niet gereageerd op de door de deken voorgestelde opties. Verweerder is ook niet op de zitting van de raad verschenen. Het komt de raad voor dat verweerder ook voor zichzelf niet lijkt op te kunnen komen. Dit alles baart de raad ernstige zorgen. Onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 13 juli 2026
in de zaak 26-323/AL/NN/D
naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
mr. E.A.C. van de Wiel
in hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland
deken
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 april 2026 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026 in
aanwezigheid van de deken, tijdens de zitting bijgestaan door de adjunct-directeur
mr. H.A.H. Holm-Robaard. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde dekendossier. Ook heeft
de raad kennisgenomen van de e-mails van verweerder van 29 mei 2026 en van 1 juni
2026, met bijlagen, waarin hij om aanhouding van de zitting verzoekt. Deze verzoeken
tot aanhouding van de zitting op 1 juni 2026 zijn afgewezen.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dekendossier
en de op de zitting afgelegde verklaring, uit van de volgende feiten.
2.1 In november 2025 heeft de deken een signaal ontvangen van de rechtbank Noord
Nederland dat de kwaliteit van de dienstverlening in de verplichte zorgzaken door
verweerder ernstig tekortschoot.
2.2 De deken is naar aanleiding van het ontvangen signaal een onderzoek naar
het kantoor van verweerder gestart. Daaruit kwam onder meer naar voren dat verweerder
alleen nog zaken in de psychiatrische gezondheidszorg doet en dat verweerder niet
verzekerd was voor beroepsaansprakelijkheid.
2.3 Op 13 maart 2026 heeft de deken, samen met de in psychiatrisch patiëntenrecht
gespecialiseerde deken Den Haag, een kantoorbezoek aan verweerder gebracht en met
verweerder gesproken en dossiers bekeken. De deken heeft verweerder tijdens dit bezoek
mondeling gesommeerd om met ingang van 16 maart 2026 zorg te hebben gedragen voor
een beroepsaansprakelijkheidsverzekering (met in- en uitloopdekking).
2.4 In haar e-mail van 16 maart 2026 om 10:52 uur heeft de deken verweerder gesommeerd
om haar uiterlijk die dag schriftelijk de herverzekering te bevestigen. Om 15:47 uur
heeft verweerder aan de deken gemaild dat hij zijn verzekeringstussenpersoon opdracht
heeft gegeven om snel een herverzekering te regelen.
2.5 In haar e-mail van 23 maart 2026 aan verweerder heeft de deken naar aanleiding
van het kantoorbezoek haar ernstige zorgen over zijn werkwijze geuit. De deken heeft
verweerder voorgesteld dat hij zich als advocaat uitschrijft, zoals was besproken.
Ook is verweerder de mogelijkheid geboden om zich (op eigen kosten) te laten coachen
onder door de deken gestelde voorwaarden. De deken heeft verweerder verzocht haar
nog die week te berichten en aangekondigd anders tuchtrechtelijke stappen te zullen
nemen. De deken heeft verweerder ook verzocht om zijn opdracht aan zijn assurantietussenpersoon
toe te sturen, alsmede de reactie daarop van de verzekeraar over de actuele dekking
van zijn beroepsaansprakelijkheid.
2.6 In zijn e-mail van 13 april 2026 heeft verweerder aan de deken geschreven
dat hij zijn verzekering nog niet heeft geregeld. Door zijn ziekenhuisopname van 20
tot en met 30 maart 2026 en herstel daarvan kon verweerder de verzochte aanvullende
gegevens nog niet aanleveren aan zijn tussenpersoon.
3 DEKENBEZWAAR
Het dekenbezwaar houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:
I. de wijze waarop verweerder de belangen van zijn cliënten behartigt en praktijk
voert niet voldoet aan de professionele standaarden die worden gesteld in de specifieke
zaken die verweerder doet;
Toelichting: Uit de onderzochte dossiers is de deken gebleken dat verweerder er snel vanuit gaat
dat de verzochte verplichte zorg in het bestwil van de cliënt is. Hij heeft tijdens
het kantoorbezoek verklaard dat hij nooit verweer voert tegen de verzochte modaliteiten
van de verzochte verplichte zorg voor de cliënt. Volgens de deken stelt verweerder
zich onvoldoende kritisch op terwijl hij juist voor deze veelal kwetsbare groep moet
opkomen. Van verweerder wordt ook verwacht dat hij met de cliënt en daarbij betrokken
personen en instellingen meedenkt over alternatieve oplossingen die meer in het belang
van de cliënt kunnen zijn;
II. verweerder niets schriftelijk vastlegt richting zijn cliënten en richting
de bij die zaken betrokken derden (familie; hulpverlening) en daarmee tekortschiet
in zijn zorgplicht;
Toelichting: Verweerder heeft tijdens het kantoorbezoek aan de deken gemeld dat hij nooit aantekeningen
maakt voor zichzelf of van gesprekken met zijn cliënten en/of met betrokken derden
omdat hij die informatie van gemiddeld 1 à 2 zaken per week prima kan onthouden. Uit
de dossiers is de deken gebleken dat verweerder zijn cliënten ook geen brieven met
gespreksverslagen, kansen en verwachtingen of over het verloop van de zitting dan
wel de uitspraak daarna stuurt. Door het ontbreken van schriftelijke stukken in de
dossiers is verweerder voor de deken niet toetsbaar. Nergens blijkt uit dat verweerder
in de betreffende dossiers de gestelde feiten goed heeft onderzocht en het doel van
de zorg en het perspectief van de kwetsbare cliënt met de cliënt of betrokken derden
heeft besproken en ook eigen voorstellen heeft gedaan. Bij plotselinge uitval met
deze werkwijze kan verweerder ook niet door een collega worden vervangen;
III. (sub i) verweerder geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten
wat in strijd is met artikel 6.24 van de Voda en (sub ii) niet (adequaat) reageert
op verzoeken van de deken over de verplichte herverzekering, waardoor hij de deken
frustreert in haar toezichthoudende taak.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen het dekenbezwaar geen inhoudelijk verweer gevoerd.
5 BEOORDELING
Ten aanzien van de aanhoudingsverzoeken van verweerder
5.1 Verweerder heeft op 29 mei 2026 bij de raad een verzoek gedaan om de zitting
van 1 juni 2026 aan te houden tot een nader te bepalen datum. Als reden hiervoor heeft
verweerder aangevoerd dat hij momenteel niet in staat is om de zitting bij te wonen
omdat zijn gezondheid dat niet toelaat, zoals bij de deken bekend. De deken heeft
daarna aan de raad gemaild dat zij zonder (actuele) doktersverklaring niet volledig
ervan overtuigd is dat de gezondheidssituatie van verweerder op dat moment zo ernstig
is dat verweerder de zitting op 1 juni 2026 niet kan bijwonen. Volgens de deken kan
dat niet uit de door verweerder meegestuurde uitdraai van het ziekenhuis worden afgeleid.
Verweerder is kennelijk niet zo ziek dat hij zijn praktijk niet meer kan voeren. Juist
daarover gaat het dekenbezwaar. Ook merkt de deken op dat zij het kwalijk vindt dat
verweerder op het allerlaatste moment om aanhouding verzoekt. De deken heeft zich
aan het oordeel van de voorzitter van de raad gerefereerd.
5.2 Ook op 29 mei 2026 heeft de voorzitter van de raad het verzoek om aanhouding
van verweerder afgewezen omdat zijn verzoek niet is onderbouwd. Daarnaast zijn de
verwijten die aan verweerder worden gemaakt in het dekenbezwaar van dien aard dat
beoordeling ervan geen uitstel duldt. Verweerder heeft in een eerder stadium verschillende
mogelijkheden gekregen om uitstel te vragen of verweer te voeren, maar die onbenut
gelaten. Zo heeft verweerder op 17 april 2026 de ontvangstbevestiging van de raad
ontvangen. Daarin is bepaald dat de zitting op 1 juni 2026 zal plaatsvinden maar dat
tot uiterlijk 21 april 2026 een met concrete stukken onderbouwd uitstelverzoek kan
worden gedaan. Van die mogelijkheid heeft verweerder geen gebruik gemaakt. Evenmin
heeft verweerder gebruik gemaakt van de in de ontvangstbevestiging ook geboden mogelijkheid
om tot uiterlijk 18 mei 2026 een verweerschrift in te dienen. Aan verweerder is namens
de (voorzitter van de) raad ook nog gemeld dat hij zich tijdens de zitting op 1 juni
2026 kan laten vertegenwoordigen.
5.3 Op 1 juni 2026 om 9:13 uur heeft verweerder opnieuw een aanhoudingsverzoek
aan de raad gemaild. Verweerder heeft hierin bericht dat hij die dag niet bij de zitting
om 11.15 uur aanwezig zal zijn. Hij heeft verder gewezen op het door hem bijgevoegde
overzicht van het ziekenhuis waaruit volgt dat hij op 9 juni a.s. een afspraak in
het ziekenhuis heeft. Volgens verweerder begeleidt hij sinds 1980 cliënten in het
kader van het psychiatrisch patiëntenrecht en is er geen enkele dringende reden om
het verzochte uitstel van de zitting niet toe te staan.
5.4 Op 1 juni 2026 om 10:29 uur is door de voorzitter van de raad aan verweerder
en de deken gemaild dat de argumenten voor afwijzing van het eerdere aanhoudingsverzoek
van verweerder onverkort van kracht zijn en het bericht van verweerder van die ochtend
daarin geen verandering brengt. Uit de stelling van verweerder dat hij op 9 juni 2026
een afspraak in het ziekenhuis heeft, volgt niet dat hij niet in staat is om de zitting
van de raad om 11:15 uur bij te wonen. Ook het tweede aanhoudingsverzoek is door de
voorzitter van de raad afgewezen.
Maatstaf
5.5 Het is vaste rechtspraak van het Hof van Discipline dat een advocaat zich
dient te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig
wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten
dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met
de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat
moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend
beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden
aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de
wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en
wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.6 In dit verband speelt gedragsregel 16 een rol. Zowel uit vaste jurisprudentie
van het hof als uit gedragsregel 16 volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort
om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen.
Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op hem te rusten.
5.7 Als uitwerking van de betamelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet
bepaalt gedragsregel 29 dat bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie
van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek
om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, de betrokken
advocaat verplicht is om alle gevraagde inlichtingen direct aan de deken te verstrekken,
zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere
gevallen.
5.8 Op grond van artikel 6:24 van de Voda moet een advocaat adequaat verzekerd
zijn ter zake van het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid. Op deze verzekeringsplicht
wordt geen ontheffing verleend.
Dekenbezwaren I tot en met III
5.9 Verweerder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de bezwaren van de
deken ondanks de gelegenheid die verweerder daarvoor heeft gekregen van de raad. Dat
verweerder daartoe vanwege gezondheidsproblemen zelf dan wel met hulp niet in staat
zou zijn geweest, is de raad niet gebleken.
5.10 De raad is van oordeel dat de wijze waarop verweerder de belangen van zijn
cliënten heeft behartigd en zijn praktijk voert niet voldoet aan de professionele
standaarden die aan hem worden gesteld. Daarnaast is de raad van oordeel dat verweerder
is tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor zijn cliënten. Niet kan worden vastgesteld
of verweerder de belangen van zijn cliënten op juiste wijze behartigt, doordat schriftelijke
stukken daarvan ontbreken. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel
46 Advocatenwet en gedragsregel 16.
5.11 Daarnaast heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 6:24 van de Voda
omdat hij geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten. Stukken die
kunnen onderbouwen dat verweerder (alsnog) is verzekerd, ontbreken. Door na te laten
om de deken de gevraagde inlichtingen te verschaffen, heeft verweerder ook gedragsregel
29 geschonden en daarmee de deken belemmerd in haar toezichthoudende taak.
5.12 De raad acht dit tuchtrechtelijk verwijtbaar en oordeelt alle dekenbezwaren
gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 De raad is van oordeel dat verweerder op ernstige wijze is tekortgeschoten
als advocaat. Niet alleen in zijn taakopvatting als advocaat, die juist kritisch en
pro-actief moet zijn in het belang van de cliënten, maar ook omdat sprake is van juist
zeer kwetsbare en ook vaak niet-mondige cliënten in de Wvggz- en Wzd-zaken die verweerder
doet. De deken heeft tijdens de zitting van de raad verklaard dat verweerder nog tientallen
gelijksoortige zaken heeft liggen. Of verweerder voldoende met zijn cliënten bespreekt
en hun belangen op juiste wijze behartigt, valt niet te controleren omdat verweerder
niets schriftelijk vastlegt.
6.2 Uit de stukken is de raad gebleken dat de deken met verweerder heeft gesproken
over de mogelijkheid om zich op korte termijn als advocaat uit te schrijven gezien
zijn pensioengerechtigde leeftijd. Als andere optie is door de deken coaching onder
voorwaarden aan verweerder voorgesteld. Verweerder lijkt niet voor verbetering open
te staan maar zich vast te klampen aan de situatie waarin hij nu zit. Hij heeft immers
niet gereageerd op de door de deken voorgestelde opties. Verweerder is ook niet op
de zitting van de raad verschenen. Het komt de raad voor dat verweerder ook voor zichzelf
niet lijkt op te kunnen komen.
6.3 Dit alles baart de raad ernstige zorgen. De raad heeft zich afgevraagd waarom
de deken heeft gekozen voor het uitsluitend indienen van een dekenbezwaar. Dit terwijl
de deken duidelijk heeft gemaakt tijdens de zitting dat zij zich nu en voor de toekomst
grote zorgen maakt over verweerder als advocaat. Dat had voor de deken aanleiding
kunnen zijn geweest om (ook) een artikel 60b-Advocatenwet verzoek in te dienen. Gezien
de mate van zorgen bij de deken over verweerder was een dergelijk verzoek mogelijk
in het belang geweest van de bescherming op korte termijn van de clientèle van verweerder.
De deken heeft echter gekozen voor het indienen van een dekenbezwaar over verweerder
zodat daarover door de raad is geoordeeld.
6.4 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat aan verweerder de
maatregel van onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken in de praktijkuitoefening moet
worden opgelegd als na te melden.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel
48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder
a) en b) genoemde kosten) binnen vier (4) weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de dekenbezwaren gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor
de duur van zesentwintig (26) weken op;
- bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van
deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden
schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd
maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd
dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.2;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort
tot vijf (5) jaar.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. M.M. Kuyp en G.N. Paanakker, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 13 juli 2026