ECLI:NL:TADRARL:2026:151 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-372/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:151 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-372/AL/GLD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 29 juni 2026
in de zaak 26-372/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 29 april 2026 met kenmerk K25/135.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager huurt vanaf 15 juli 2025 de begane grond van een woning. Er is op enig moment een geschil ontstaan tussen klager en de verhuurster van de woning.
1.2 Klager en de verhuurster hebben van 19 tot 29 september 2025 meerdere whatsapp-berichten uitgewisseld.
1.3 Verweerder staat de verhuurster bij in het geschil met klager.
1.4 Op 1 oktober 2025 heeft verweerder de volgende e-mail aan klager gestuurd:
Tot mij wendde zich mevrouw S. (…) Cliënte heeft per 15 juli 2025 de ruimte op de begane grond aan u verhuurd. De overeengekomen huurprijs bedraag € 950,- inclusief voorzieningskosten. Artikel 5 van de huurovereenkomst vermeldt dat de huurprijs voor de laatste dag van de voorafgaande maand betaald dient te worden. Cliënte merkt op dat de huur van de maand oktober nog niet is betaald. Ik verzoek u, zo nodig sommeer u om de huur van de maand oktober alsnog per omgaande over te maken aan cliënte. Voorts heb ik van cliënte vernomen dat u afgelopen maandag overleg hebt gevoerd. U heeft onder meer een bedrag van € 50.000,- gevorderd van mijn cliënte, waarbij u mijn cliënte heeft gechanteerd. Dit is volstrekt onacceptabel en levert een strafbaar feit op. Het is cliënte niet duidelijk met welke grondslag u een geldbedrag vordert van mijn cliënte. U zult begrijpen dat mijn cliënte daartoe niet gehouden is. Sterker nog, zij overweegt om aangifte te doen bij de politie. Cliënte vindt het erg betreurend dat er geen constructieve houding wordt aangenomen door u en dat het onduidelijk blijft wat u als huurder wil. Bovendien merk ik op dat u nog recent als huurder bent gaan intrekken in de woning. Cliënte wenst duidelijk te krijgen over uw wens. Ik verneem graag van u wat u concreet wenst en ik verzoek u uitdrukkelijk met mij te communiceren. In afwachting van uw reactie, verblijf ik.”
1.5 Op 7 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door klager onterecht te beschuldigen van chantage. Verweerder had onderzoek moeten verrichten naar de juistheid van dit verwijt, aldus klager.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verweerder heeft aangevoerd dat zijn cliënte hem had verteld dat klager aan zijn cliënte had voorgesteld om hem een bedrag van € 50.000 te betalen. Als hij dat bedrag niet zou krijgen, dan zou hij de gemeente inlichten over het feit dat er geen vergunning was aangevraagd om de woning te verhuren. Deze gang van zaken is (indirect) onderbouwd met door verweerder overgelegde WhatsApp-correspondentie tussen klager en de cliënte van verweerder.
4.3 De voorzitter is van oordeel dat verweerder mocht afgaan op de juistheid van de informatie die hij van zijn cliënte had gekregen. Op grond van deze informatie stond het verweerder vrij om het handelen van klager als chantage te kwalificeren. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de juistheid van deze informatie (uitvoeriger) had moeten controleren, is de voorzitter niet gebleken. Verweerder heeft de grenzen van de hem toekomende vrijheid van handelen als advocaat van de wederpartij dan ook niet overschreden. Dat betekent dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 29 juni 2026