ECLI:NL:TADRARL:2026:150 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-766/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:150 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-766/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 29 juni 2026
in de zaak 25-766/AL/MN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 19 januari 2026 op de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 november 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 6 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2387599HH van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 19 januari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond en klachtonderdeel b) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Op 17 februari 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij was klaagster aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
de voorzitter heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over de inhoudelijke werkzaamheden
die verweerder heeft verricht op grond van een onbevoegde opdracht van een aantal
raadsleden. Verweerder had de opdracht nimmer mogen aannemen. Hij heeft nagelaten
om vooraf onderzoek te doen of zijn opdrachtgevers bevoegd waren om hem een opdracht
te geven, hetgeen niet het geval was. Verweerder heeft zich bovendien ten onrechte
uit gemeenschapsgelden laten betalen. Klaagster is door toedoen van verweerder ernstig
in haar belangen geschaad.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. G.N. Paanakker en J.J. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 29 juni 2026